Stadstaten rond de Nijl, Eufraat en Tigris: de eerste prehistorische stedelijke samenlevingen
De samenlevingen die zich rond 7000 v.C. ontwikkelden in het gebied dat wij associëren met het huidige Midden-Oosten anders, dan die in Noord-Europa. In het gebied dat uitstrekt van Irak, Iran tot aan Egypte, waren in het westen van de Vruchtbare Halve Maan overal dorpen ontstaan. Dankzij regenval en vruchtbare grond, konden er gewassen worden verbouwd. Tussen 6000 en 5000 v.C. werd er dusdanig veel voedsel verbouwd, dat de bevolking sterk in omvang was toegenomen. De gebieden raakten overbevolkt. Daarom trok een deel van de boeren naar streken rondom de rivieren Nijl, Tigris en Eufraat. In deze rivierdalen viel aanzienlijk minder regen en waren de boeren dus aangewezen op rivierwater.
Irrigatielandbouw
De boeren die gingen wonen in de rivierdalen, vervoerden het aanwezige rivierwater naar hun akkers door kanalen te graven. Daarnaast werden in deze kanalen dammetjes aangelegd. Bij overstromingen kon dan het overtollige water worden opgevangen. Dit systeem van akkers kunstmatig van water voorzien wordt irrigatielandbouw genoemd. Een groot gevolg van deze irrigatielandbouw was een nog grotere landbouwopbrengst. De boeren in de rivierdalen verbouwden zelf meer dan de boeren die afhankelijk waren van regen voor hun watervoorziening.
Tussen de Nijl enerzijds en de Tigris en de Eufraat anderzijds bestond een groot verschil. De Eufraat en de Tigris overstroomden in het voorjaar. In deze periode stonden de akkers vol met gewassen die nog geoogst moesten worden. De boeren in deze gebieden deden er dan ook alles aan het water in deze periode tegen te houden, anders zou de oogst weggevaagd worden. In het Nijldal was juist het tegenovergestelde het geval. De Nijl trad in de zomer buiten de oevers. In deze periode waren de akkers leeg. De overstroming liet een laagje vruchtbare slib achter. Als het water weer was teruggetrokken, konden de gewassen worden ingezaaid op die vruchtbare grond.
De irrigatiesystemen in de eerdergenoemde gebieden vergden veel onderhoud. Ook het aanleggen van nieuwe irrigatiesystemen was arbeidsintensief. Daarom moesten de boeren goed samenwerken. Boeren die steeds een rijkere oogst binnenhaalden dan de anderen, kregen meer aanzien en macht. Na verloop van tijd werden zij leiders. Ze hadden vaak de leiding over het irrigatiesysteem. Uit dit leiderschap ontstond het koningschap.
Stadstaten
Dankzij het succesvolle samenwerken tussen boeren in het onderhouden van het irrigatiesysteem en de daaruit voortvloeiende verhoogde landbouwproductie, groeide de bevolkingsomvang. Enkele tientallen dorpen in Mesopotamië en Egypte groeiden rond 3500 v.C. uit tot steden met duizenden inwoners. Sommige van die steden gingen de omliggende dorpen en het omringende platteland overheersen. Dan wordt er gesproken van een stadstaat.
Deze stedelijke gemeenschappen was nog steeds afhankelijk van de landbouw, vandaar dat de meeste van de stedelijke inwoners nog boer waren. Binnen die bevolking waren wel verschillende specialisaties ontstaan. De ene boer bewerkte een akker, de ander was herder en daarmee verantwoordelijk voor het vee. Vaak werden hele stukken land gebruikt om maar één gewas te verbouwen. Er was dus sprake van een rudimentaire vorm van monocultuur. Daarnaast viste men en werd er gejaagd op wild.
De voedselproductie was zo groot, dat niet elke inwoner zich meer bezig hoefde te houden met deze productie. Zij gingen zich richtten op het produceren van gereedschappen, het bouwen van huizen of het beschermen van de stadstaat. Wanneer zo’n diversiteit aan beroepen ontstaat, spreken we van arbeidsdifferentiatie. Kenmerkend voor deze eerste stedelijke gemeenschappen was het vervaardigen van hoogwaardige kunstvoorwerpen, vaak religieus georiënteerd, maar ook ter versiering. Zowel de voedselproductie als de productie van gebruiks- en kunstvoorwerpen werd op relatief grote schaal gedaan; er bestond dus massaproductie.
De opbouw van een stadstaat
De eerste steden bestonden vooral uit tempelcomplexen en bestuursgebouwen zoals paleizen. In eerste instantie werden er geen woonhuizen aangelegd. Dit veranderde in de loop der tijd. De gebouwen werden vervaardigd van hout, klei en leem; aangezien dat in het Midden-Oosten in grote hoeveelheden aanwezig was. De grotere monumentale bouwwerken werden van steen gemaakt.
De stedelijke samenleving was hiërarchisch opgebouwd. Onderaan stonden de slaven. Zij waren vaak krijgsgevangene gemaakt. Daarboven stonden de boeren. Daar weer boven stonden de ambachtslieden en soldaten. Hierboven stonden de priesters. Zij hielpen de inwoners tijdens het leven en na hun dood in het hiernamaals te komen. Doordat deze stedelijke gemeenschappen in meerdere goden geloofden (polytheïsme), hadden ze tientallen goden tevreden te houden. Ook dit was de taak van de priesterklasse. Zij moesten offers brengen en rituelen uitvoeren, om zo niet de woede van de goden op de stad af te roepen. Als een natuurramp zich voordeed, dan hadden de priesters hun taak verzaakt en de goden niet tevreden gehouden. Dit leidde onder de bevolking regelmatig tot uitbarstingen van geweld, die zich vervolgens richtten op het vervolgen van deze priesters.
Helemaal bovenaan in de hiërarchie stond de koninklijke familie. De koning was opperbevelhebber van het leger, opperrechter en bestuurder, maar ook de belangrijkste priester. Zo geloofde men in Egypte zelfs dat de koning – farao – een god was.












