Een veranderende wereld

Hoofdvragen

Op welke manier verschilde het renaissance van het middeleeuwse denken?

Op welke manier werd het wereldbeeld van de Europeanen vergroot?

Hoe werden de eerste Europese ontdekkingsreizen georganiseerd en wat waren de gevolgen van deze ontdekkingsreizen?

Hoe ontstond de scheuring van de christelijke kerk in de 16e eeuw?

Wat waren de gevolgen van de kerkelijke scheuring?

In Italië ontstond rond 1300 interesse voor het Romeinse en Griekse verleden. De inwoners van de Italiaanse stadstaten creëerden de prachtigste schilderijen en marmeren beelden, net als de Romeinen hadden gedaan. Na duizend jaar kwam er een einde aan de middeleeuwen en was de renaissance een feit. Met het einde van de middeleeuwen kwam er ook een einde aan het middeleeuwse denken. De strenge leer van de middeleeuwse kerk kwam minder centraal te staan in het leven van de mens. Men ging aan de hand van gedrukte en vertaalde Bijbels de teksten over het christelijke geloof zelf interpreteren. Rond 1500 had deze renaissance bijna heel Europa bereikt.

Niet alleen historici vinden dat rond 1500 een nieuwe periode begint: de moderne tijd. Geleerden en kunstenaars uit de renaissance vonden toen zelf ook dat ze in een nieuwe tijd leefden. Zij geloofden dat ze na een lange periode van duisternis, de middeleeuwen, eindelijk weer in het licht leefden. Die overgang werd samengevat in twee bekende Latijnse spreuken. Er zou een overgang zijn van het middeleeuwse Memento mori (denk eraan dat je zult sterven) naar de spreuk van de renaissance: Carpe diem (pluk de dag).

Bron 1. Deze tekening staat bekend als de 'Vitruviusman'. Leonardo da Vinci gebruikte deze afbeelding als illustratie in een boek over wis- en meetkunde in 1490. De afbeelding laat de verhoudingen van het menselijk lichaam zien. Als je goed naar de afbeelding kijkt, zie je dat de navel het altijd in het midden staat ongeacht welke kant je Vitruvius op zou bewegen.

Kenmerkende aspecten
  • 18. Het begin van de Europese overzeese expansie.
  • 19. Het veranderde mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling.
  • 20. De hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid.
  • 21. De protestantse reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had.
  • 22. Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat.

Bron 2. Ondanks dat de mens centraal ging staan tijdens de renaissance, betekende dit niet dat het geloof onbelangrijk werd. Dit schilderij van Leonardo da Vinci laat het belang van het geloof zien in het leven van de renaissance mens. De engel Gabriel bezoekt Maria om aan te kondigen dat zij zwanger is. Taferelen uit het geloof werden nog steeds afgebeeld.

1. De mens in de wereld centraal

Leerdoelen

Klik op de video om de leertekst te beluisteren.

  • Kent het begrip renaissance.
  • kan uitleggen op welke manier het renaissance denken verschilde van het middeleeuwse denken.
  • kan uitleggen op welke manieren teruggegrepen werd op de cultuur uit de klassieke oudheid (bron 3 t/m 5) en dit kunnen aangeven in een bron.
  • Kan uitleggen dat in Italië de renaissance ontstond en deze kon verspreiden onder andere door de boekdrukkunst (verdiepingsstof).

In de middeleeuwen dachten mensen heel anders dan hoe het merendeel van de mensen vandaag de dag denkt. In middeleeuws Europa was het heel normaal om het leven op aarde te zien als een tussenfase waarin jij je moest voorbereiden op het leven na de dood. Alles in het leven deed je om uiteindelijk een plaatsje in de hemel te krijgen. In de renaissance – ongeveer van 1300 tot 1600 – vond een mentaliteitsverandering plaats. Verschillende Griekse en Romeinse teksten uit de oudheid werden herontdekt in oude bibliotheken of universiteiten of door de kruistochten mee teruggehaald naar Italië. In deze teksten stond de mens centraal. Dat was voor de middeleeuwse mens een hele verandering, want voor velen had juist God en het christelijke geloof centraal gestaan.

 

Van humanisme naar ‘uomo univerale’

Die oude klassieke teksten werden bestudeerd. Het gevolg was dat de mens op zichzelf begon te vertrouwen en zichzelf centraal te stellen, zoals de Grieken en de Romeinen hadden gedaan. In de oudheid vonden ze dat de dood iets gruwelijks was. Daarom moest je genieten van het leven. Diezelfde mentaliteit werd overgenomen door de renaissance mens. Zo dacht men dat je als mens allemaal talenten had, die ontplooid konden worden. Met die talenten kon jij jezelf en de wereld verbeteren. Deze manier van denken noemen we het humanisme.

Door deze humanistische gedachtegang kwam er steeds meer interesse in het leven op aarde en de werking van natuur en samenleving: ‘want waar kwamen die talenten vandaan’, vroeg men zich af. Als de mens zich volledig had ontwikkeld, dan werd hij een uomo universale genoemd. Een goed voorbeeld van zo’n universeel mens is Leonardo da Vinci. Hij hield zich bezig met de werking van het menselijk lichaam; deed aan natuur- en scheikunde; was kunstenaar; hij ontwierp gebouwen en apparaten en stond bekend als muzikant.

 

Renaissance: gebieden van ontwikkeling

Een belangrijk aspect van de renaissance was dat mensen nieuwe inspiratie zochten in het verleden. Vooral de cultuur van de Grieken en de Romeinen uit de oudheid werd herontdekt. Bij deze herontdekking van de klassieke oudheid speelden humanistische geleerden een belangrijke rol. Zij gingen gebruik maken van de ideeën opgeschreven door Griekse en Romeinse wetenschappers en schrijvers, om met die kennis de wereld te verbeteren. Vooral op de gebieden van (bouw- en schilder)kunst, literatuur en het denken over politiek zien we die ideeën uit de oudheid terugkomen (zie ook bronnen 3 t/m 5).

Bron 3. De twee afbeeldingen laten de overgang zien van middeleeuwse kunst naar renaissance kunst.

Bron 4. De goddelijke komedie van de schrijver Dante, afgebeeld op een schilderij.
Bron 5. De Italiaan Niccolò Machiavelli (1469-1527) onderzocht alle bestuursvormen om te kijken welke bestuursvorm het meest effectief was.

Ten eerste verschilde de renaissancecultuur van die van de middeleeuwen. De middeleeuwse kunstenaars. Die laatste groep waren voornamelijk bezig met het uitbeelden van godsdienstige onderwerpen, waarbij de symbolische betekenis van het religieuze onderwerp duidelijk moest zijn. Hoe daarbij de personen afgebeeld werden, was minder belangrijk. In de renaissance kunst werd het waarheidsgetrouw afbeelden van personen, dieren en voorwerpen wel belangrijk. De renaissancekunstenaars hadden veel meer aandacht voor perspectief, licht en schaduw en natuurgetrouwe kleuren. Alles moest levensecht zijn en emotie uitstralen. Dit gold niet alleen voor schilders, maar ook voor beeldhouwers en architecten. Beeldhouwers gingen beelden maken die levensecht leken, na Grieks voorbeeld. De beeldhouwers vervaardigden beelden die anatomisch correct waren. Architecten begonnen de bouwkunst uit de klassieke oudheid te imiteren. Kijk eens in jouw omgeving. Misschien vind je wel een beeld of een gebouw dat heel Grieks lijkt, maar niet in de oudheid is gemaakt.

Een tweede ontwikkeling was terug te vinden op het gebied van de literatuur. De goddelijke komedie van de schrijver Dante, is een voorbeeld van die verandering. Waar in de middeleeuwen voornamelijk in Latijn werd geschreven, daar schreef Dante zijn werk in het Italiaans (een volkstaal). Dit was heel bijzonder, want tijdens de middeleeuwen was lezen alleen weggelegd voor geestelijken die het Latijn konden lezen. Dankzij schrijvers als Dante werd literatuur, zowel christelijk als niet christelijk, toegankelijk voor gewone mensen. Hij doorbrak het alleenrecht van de Kerk op het lezen en schrijven. Het gevolg was dat mensen die nu teksten in de volkstaal gingen lezen. Maar ook dat zij door over christelijke onderwerpen, een eigen visie op het geloof gingen ontwikkelen.

Tijdens de renaissance veranderde het denken over de politiek en kan daardoor als derde gebied van ontwikkeling worden beschouwd. In de middeleeuwen werd politiek gezien als onderdeel van een goddelijk plan: de vorst was door God gekozen om te regeren over mensen. In de geschriften van de oudheid stond hier niets over. In deze geschriften stond wel dat de machthebbers zouden moeten handelen in het belang van de gemeenschap. De renaissancedenkers gingen zelf ook hun eigen machthebbers bestuderen. De Italiaan Niccolò Machiavelli (1469-1527) onderzocht alle bestuursvormen om te kijken welke bestuursvorm het meest effectief was. De uitkomst publiceerde hij in zijn boek Il Principe. Zijn conclusie: als de vorst het meest effectief wil besturen, dan moet hij als een dictator regeren. Niet elke burger is namelijk in staat om te beslissen wat goed is voor de samenleving. De staat en dus het welzijn van iedereen moest voor het individu komen. Machiavelli gaf daarmee aan dat er soms slachtoffers moesten vallen om een hoger doel te bereiken. Door deze kijk op de politiek wordt het boek van Machiavelli nog steeds door veel politici gelezen.

Dankzij de leergierigheid en kritische instelling werd de mens gestimuleerd zelfs verder te kijken dan de wetenschappelijke ideeën uit de klassieke oudheid. Men nam deze klassieke ideeën niet alleen over. De ideeën werden zelfs verbeterd! Ook werd geëxperimenteerd om tot meer kennis te komen. Iets wat tot dan toe nauwelijks werd gedaan.

Ontstaan en verspreiding

Waardoor ontstond die verandering in denken? Waarom specifiek in Italië? Daarvoor zijn een aantal oorzaken te geven. Allereerst in Italië waar de renaissance begon, waren veel stadstaten zoals Florence en Pisa. Een deel van de inwoners van deze stadstaten waren rijk geworden door handel en nijverheid. In de Italiaanse steden was zo een rijke elite ontstaan. Deze burgers wilden hun rijkdom tonen. Zij gaven kunstenaars opdracht kunst, gebouwen en beelden te ontwerpen die de macht toonde van de opdrachtgever maar ook de welzijn van de stad bevorderde. Zo werd er opdracht gegeven om bibliotheken aan te leggen waarvan iedereen gebruik kon maken. De ene burger wilde de andere overtreffen. Zo ontstond een klimaat van culturele bloei en vernieuwing.

In Italië greep men terug op de schoonheid van de oudheid, omdat resten van dit verleden nog overal zichtbaar waren en de macht van het Romeinse Rijk weerspiegelden. Bovendien waren allemaal geschriften van Griekse en Romeinse denkers teruggevonden in Italiaanse kloosters, maar ook geschriften die door de kruistochten vanuit het Midden-Oosten mee terug waren genomen naar Europa.

Dat de renaissance ideeën zich snel verspreiden door Europa was te danken aan de boekdrukkunst. Kunstenaars en geleerden konden hun ideeën opschrijven en goedkoop laten kopiëren. Deze kopieën konden door heel Europa verspreid worden. Dankzij deze gekopieerde werken kon kennis makkelijk van de ene geleerde, wonend in Italië, aan andere geleerden en geïnteresseerden aan de andere kant van Europa worden doorgegeven zonder dat de inhoud van een werk werd veranderd. Wetenschappers konden zo elkaars onderzoek controleren en herhalen.

2. Overzeese expansie

Leerdoelen
  • Kan de Europese drang naar specerijen vanuit economisch en sociaal perspectief verklaren.
  • Kan aangeven hoe de pest; het wegvallen van de veiligheid geboden door het Mongoolse Rijk en het ontstaan van het Ottomaanse Rijk de aanleiding vormde voor de Europeanen om op zoek te gaan naar een alternatieve route richting Azië.
  • Kan aangeven dat de Europese ontdekkingsreizen mogelijk waren door nieuwe technische middelen.

In augustus 1492 vertrok Christoffel Columbus met drie schepen vanuit Spanje op ontdekkingsreis. Zijn eindbestemming moest Azië zijn. Columbus dacht door westwaarts te varen ook Azië te kunnen bereiken, in plaats van de gebruikelijke lange route te varen langs de kust van Afrika. Mocht hem dit lukken, dan had hij iets gedaan wat nog nooit iemand eerder was gelukt! Na zeventig dagen varen kreeg hij land in zicht. Columbus en zijn gezelschap gingen aan land, plantten de Spaanse vlag en maakten kennis met een nieuwsgierige bevolking. Het was Columbus niet duidelijk of hij in India of China was beland. Na de tocht van Columbus zouden nog vele andere ontdekkingsreizigers volgen, waaronder Amerigo Vespucci. Het was deze ontdekkingsreiziger die beweerde – en de rest van Europa overtuigde – dat Columbus een heel nieuw continent had ontdekt. Aan Amerigo Vespucci ontlenen de continenten Noord- en Zuid-Amerika hun naam.

 

Peperduur

Wat hadden de Europeanen te zoeken in Azië, Afrika en Amerika? Wat dreef hen ertoe om de zeeën te gaan bevaren richting bijna alle continenten? In de middeleeuwen hadden Europese handelaren contacten met kooplieden uit het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Deze kooplieden handelden in producten als suiker – verkregen uit suikerriet – edelstenen, zijde en specerijen. Voor specerijen als kaneel, gember, peper, nootmuskaat en kruidnagel waren populair. Ze werden gebruikt bij het bereiden van eten, om de smaak te verhogen en het eten langer houdbaar te maken. Bovendien konden mensen door het gebruik van specerijen laten zien hoe rijk ze waren. Hoe meer er in een gerecht gebruikt werd, hoe rijker iemand was. Een hand vol peperkorrels was namelijk zo duur als een heel varken. Daarom de uitspraak: ‘het is peperduur’.

Specerijen en exotische goederen kwamen uit Oost-Azië. Karavanen voerden de kostbare goederen over land aan. Vandaar dat de handelsroute de zijderoute heette, vernoemd naar de dure stof zijde die uit Azië kwam; waarvan één gram meer waard was dan één gram goud. Maar de handelaren legden deze reis niet helemaal zelf af. Als een handelaar een gedeelte van de route had afgelegd, verkocht hij zijn producten door aan een andere handelaar. Deze voltooide dan de volgende etappe van de reis. Elke handelaar moest aan deze handel verdienen. Daardoor werden de specerijen steeds duurder. Doordat de Europeanen niet zelf in Azië handelden, profiteerden de handelaren – vooral uit het Midden-Oosten – van deze tussenhandel.

Bovendien was de zijderoute speciaal. Het was een van de meest veilige routes naar Azië. Daar had het Mongoolse Rijk voor gezorgd door de routes te laten bewaken door soldaten. Rovers en bandieten werden bij overvalpogingen van handelskaravanen streng gestraft door de Khan, de leider van het rijk. Europeanen waren zich daar niet van bewust, want slechts enkele Europeanen durfden de reis naar Azië aan waaronder Marco Polo in 1272. Deze koopman verbleef vele jaren aan het hof van Koeblai Khan als Europees gezant en bron van informatie over het christendom en Europese gebruiken. Want Koeblai had nog nooit een blanke Europeaan ontmoet. Uit Marco Polo’s reisverslagen weten historici dat het Mongoolse Rijk heel belangrijk was bij het veiligstellen van de zijderoute.

De opvolgers van Koeblai Khan hadden om verschillende redenen moeite met hun rijk bij te elkaar houden, waardoor het uiteindelijk in 1294 uiteenviel. Dit uiteenvallen had als gevolg dat de wegen die de reizigers en handelaren namen richting Azië niet meer werden beschermd.

 

Pest en Ottomanen

Naast het wegvallen van die Mongoolse veiligheid, kregen Europa en Azië te maken met pestepidemieën. Deze pest – ook wel de Zwarte Dood genoemd – maakte geen onderscheid tussen arm, rijk, jong of oud. De kans om de dood te vinden door deze zeer besmettelijke ziekte of een roversmes, maakte dat weinig handelaren de tocht naar Azië over land durfden te maken over de oude Mongoolse handelsroutes, noch het aandurfden om via schepen naar Azië te varen. Uiteindelijk zou de handel in exotische producten weer opgepakt worden door het Ottomaanse Rijk.

Bron 6. De Zijderoute was de meest gebruikte handelsroute in de aanvoer van specerijen en andere luxeproducten vanuit Azië en Afrika. Doordat deze route uiteindelijk wegviel en de Ottomanen (het huidige Midden-Oosten) te hoge belastingen vroegen, gingen Europeanen opzoek naar andere routes naar 'Indië'.
Bron 7. Het Ottomaanse Rijk tijdens zijn hoogtepunt. Door de vele uitbreidingen zou de Islamitische cultuur verspreid worden over Noord-Afrika, Europa en Azië.
Bron 8. De meest gewilde producten die langs de zijderoute werden vervoerd, waren producten die niet in Europa te verkrijgen waren. Later zouden diezelfde producten over zee vervoerd worden door grote Europese handelsschepen.

Dit nieuwe machtige rijk was met zijn vloot de Middellandse Zee gaan domineren. Ook breidde de Ottomaanse sultan zijn rijk uit in Noord-Afrika en de Balkan – de Ottomanen hebben zelfs op het punt gestaan Oostenrijkse stad Wenen te veroveren! Na deze grote veroveringen brak er een periode van vrede, veiligheid en voorspoed aan: de Pax Ottomana. Dit was aan de ene kant gunstig, want zo kon er weer veilig gehandeld worden, ook over zee! Italiaanse steden als Venetië profiteerden hiervan. Maar het Ottomaanse Rijk vormde ook een belemmering voor de Europeanen. De Ottomanen vroegen steeds hogere handelsbelastingen. Dus wilden de Europeanen op zoek gaan naar een andere alternatieve route naar ‘Indië’, de naam voor Azië in de 15e en 16e eeuw. Een route die veilig was; waar de Europeanen niet werden tegengehouden door de Ottomanen en lang niet zo duur als de landroutes die door het Ottomaanse Rijk liepen. Vanuit economisch oogpunt vormde zo’n eigen route de motivatie om uiteindelijk een eigen handel in exotische producten op te zetten, want die producten konden immers voor veel geld worden verhandeld. Een eigen route zou dan betekenen dat alle inkomsten uit specerijen, zijde, keramiek en andere producten naar de Europese handelaren gingen die de gevaarlijke reis aandurfden. Zo hoefden zij niet meer een deel af te staan aan de Ottomanen in de vorm van belastingen. Vooral de Portugezen en Spanjaarden verlangden naar een eigen veilige en winstgevende handelsroute.

Een eigen zeeroute zoeken was gevaarlijk. Vandaar dat het technisch mogelijk moest zijn om lange stukken over zee te varen, van het land af en veilig terug te keren. Maar ook moest er strijd geleverd kunnen worden op zee. De schepen verschilden van de middeleeuwse schepen in dat zij wendbaarder waren, sneller en meer ruimte hadden om bijvoorbeeld voedsel en goederen op te slaan. Maar misschien nog wel belangrijker, de nieuwe schepen konden veel beter bewapend worden. In de Italiaanse stad Genua werd een schip ontworpen waar op de voor- en achterkant kanonnen op konden worden bevestigd: de kraak. Bovendien werden de ontwerpen van Chinese en Arabische navigatie-instrumenten overgenomen, hierdoor werd het navigeren over open zee mogelijk.

Bron 9. Door het overnemen van de navigatie instrumenten uit Azië kon over open zee worden gevaren. Bovendien werden de wiskundige ideeen uit de oudheid toegepast in de scheepvaart, hierdoor werd het veel makkelijker de positie op een kaart te berekenen.
Bron 10. Handelaar Marco Polo was een van de eerste die de tocht naar Azië. Het unieke van Polo was dat hij na zijn terugkeer in Europa zijn verhalen liet opschrijven met veel details. Deze verhalen zouden een bron van kennis blijken in de ontwikkeling van kaarten geschikt voor de scheepvaart naar Azië en Amerika, waaronder de reis van Columbus.

3. Een veranderend wereldbeeld

Leerdoelen
  • Kan aangeven dat het mens- en wereldbeeld in de 16e eeuw veranderde door de ontdekkingsreizen.
  • Kent 2 redenen waarom de eerste ontdekkingsreizigers de kust nauwlettend in de gaten hielden.
  • Kan aangeven hoe Portugal de Europese specerijenhandel overnam van de Ottomanen door een eigen route naar Azië te zoeken en een handelsnetwerk van factorijen op te bouwen.
  • Kan aangeven dat Spanje de concurrentie aanging met Portugal door een eigen westwaartse handelsroute te zoeken waardoor Amerika werd ‘ontdekt’,
  • Kent 3 redenen waarom vorsten de ontdekkingsreizen steunden en financierden.
  • Kan met het voorbeeld van de Azteken en de Inca’s uitleggen dat de inheemse volken uit Amerika snel door de conquistadores werden verslagen door de Spaanse/Europese technologische voorsprong.
  • Kan aangeven dat Spanje Zuid-Amerika koloniseerde door onderkoninkrijken te stichten, waarin ecomenderos de ecomienda’s bestuurden vanuit hun haciënda’s.
  • Kan aangeven dat in de Spaanse economie van Zuid-Amerika gebruik werd gemaakt van slavenarbeid; in eerste instantie van indianen en later van Afrikanen die via de Atlantische driehoekshandel werden verkregen.
  • Kan beredeneren dat Spanjaarden, Duitsers en Italianen belang hadden bij een westwaartse route naar het Indische Archipel (verdiepingsstof).

Tijdens de verre reizen naar Afrika, Amerika en Azië werden veel bijzonderheden ontdekt. Deze hadden economische gevolgen: de Portugezen en Spanjaarden zetten een handel op in specerijen. Later werden zij opgevolgd door de Nederlanders en Engelsen. Ook maakte men kennis met nieuwe producten, planten, grondstoffen. Planten als de aardappel werden uit Zuid-Amerika naar andere werelddelen vervoerd. Door de handel in al deze producten, werd de basis gelegd voor een wereldeconomie. Daarnaast veranderende door de ontdekkingsreizen het wereldbeeld van de Europeanen. Zo bleken de continenten er anders uit te zien dan voorheen werd gedacht. Ook bleken er onbekende gebieden te bestaan. Dit had de tocht van Columbus in 1492 aangetoond toen hij per ongeluk Amerika ontdekte in zijn zoektocht naar een route richting Azië die niet om Afrika heen leidde.

 

Handelaar, militair en dominee

Portugal was het eerste Europese land dat zich gingen richten op de overzeese handel in exotische producten. Vanuit Portugal vertrokken de eerste ontdekkingsreizigers. Deze zeevaarders ontdekten de Canarische eilanden en de Kaapverdische eilanden. Toch hielden de eerste ontdekkingsreizigers de kust nauwlettend in de gaten. Dit had twee redenen:

  • Op open zee kon je makkelijk verdwalen. De zee – en het weer op zee – bleef gevaarlijk en onvoorspelbaar. Dit was moeilijk navigeren, zelfs als je navigatie-instrumenten gebruikte.
  • Daarnaast kon je maar een beperkte hoeveelheid voedsel en drinken opslaan. Als dit op raakte, dan zou de bemanning sterven. Daarom werd er langs de kust gevaren, zodat eten en drinken aangevuld konden worden.

In 1488 wist Bartholomeus Diaz naar Kaap de Goede Hoop te varen in het huidige Zuid-Afrika. Dankzij deze nieuw opgedane kennis wist de ontdekkingsreiziger Vasco da Gama in 1498 india te bereiken; het hart van de specerijenhandel in Azië. Toen Vasco da Gama bij de Indiase stad Calicut aankwam, trof hij daar ook Arabische handelaren aan. Deze handelaren wilden geen Portugese concurrentie en begonnen de Portugezen tegen te werken. Met maar een klein deel van de beoogde specerijen vertrok Da Gama huiswaarts. Tijdens de terugreis zouden dertig bemanningsleden sterven aan scheurbuik. Deze ziekte werd veroorzaakt door een langdurig tekort aan vitamine C. Daarnaast zouden maar twee van de vier schepen Portugal bereiken. Toch zagen de Portugezen de terugkeer als een overwinning. Met de handvol specerijen waarmee Vasco da Gama huiswaarts was gekeerd, was de tocht al winstgevend geweest! Bovendien beschikte Portugal nu over een route naar de bron van de specerijen: de Carriera da India. De route en kennis over de route waren veel geld waard. Vandaar dat de Portugese koningen er alles aan deden om deze kennis geheim te houden. Mogelijke spionnen werden per direct geëxecuteerd.

In Zuid- en Noord-Amerika, Afrika en Azië zouden plekken veroverd worden in bestaande handelsnetwerken. Zo konden de Portugese handelen met de plaatselijke bevolking. Een heel gebied veroveren was niet mogelijk, maar ook niet nodig. Handelsovereenkomsten werden vredelievend of gewelddadig afgedwongen met lokale heersers. Doordat de handel nogal eens in gevaar kwam, besloten de Portugezen hun handelsroute te beschermen met bewaakte handelsposten: een factorij. Zo ook het fort El Mina in het huidige Ghana. Hier konden de ontdekkingsreizigers vers voedsel inslaan, producten ruilen voor goud en in slaven handelen. Vanuit deze handelsposten zouden ook geestelijken het binnenland in trekken met als doel het christendom te verspreiden.

Dankzij het stichten van deze handelsposten ontstond een Portugees handelsrijk. De Portugezen zouden gaan concurreren met Turkse, Arabische en Venetiaanse handelaren. Veel Portugese en buitenlandse handelaren en kooplieden zagen in dat ze veel geld konden verdienen als ze investeerden in de expedities naar Azië en alle bedrijvigheid die hiermee te maken had, bijvoorbeeld de scheepsbouw. Zij probeerden zoveel mogelijk winst te maken door hun kapitaal in deze nieuwe internationale handel te investeren. Hierdoor ontstond een heel nieuw economisch systeem dat we handelskapitalisme noemen.

 

Een nieuwe wereld

De kustgebieden van de nieuw ontdekte en de oude werelddelen zouden steeds beter in kaart worden gebracht. In Azië en Afrika zouden de ontdekkingen beperkt blijven tot de kustgebieden, waar bevoorradings- en handelsposten werden opgezet. De binnenlandse gebieden van deze twee continenten werden dan ook nauwelijks in kaart gebracht. Dit gold niet voor Amerika.

De Spanjaarden wilden, net als Portugal, ook ontdekkingen doen en handelswinst maken. Dat gebeurde in 1492 nadat de Spanjaarden de al eeuwen durende strijd tegen de islamitische aanwezigheid op het Iberisch Schiereiland hadden gewonnen. Na deze Reconquista besloten de Spaanse koning Ferdinand en zijn vrouw Isabella in de voetsporen van de Portugezen te treden. Ze gaven de zeevaarder Christoffel Columbus – die oorspronkelijk uit Genua, Italië kwam – hun steun voor het ontdekken van een nieuw zeeroute naar India. Deze route moest sneller zijn dan de Portugese. Daarnaast wilden de Spanjaarden niet op dezelfde route varen. Dit kon immers tot conflicten met Portugal leiden. Columbus’ tocht bleek succesvol. Hij dacht aangekomen te zijn in Indië. Het nieuwe gebied vernoemde hij naar Jezus zijn bijnaam, Heilige Verlosser oftewel San Salvador. Zonder steun van de Spaanse staat was Columbus’ tocht onmogelijk geweest. Waarom wilden vorsten deze ontdekkingsreizen steunen?

  • Allereerst hoopten zij door een eigen route te ontdekken een winstgevende handel op te zetten in specerijen of andere exotische of waardevolle producten.
  • Ten tweede betekende onontdekt gebied een kans om het eigen grondgebied uit te breiden. Dit noemen we expansie. Dankzij de expansie zou de macht en aanzien van deze vorsten toenemen.
  • Ten derde zagen deze vorsten het als hun taak ook het christendom te verspreiden onder deze nieuwe bevolkingen. Deze vorsten geloofden dat je alleen door het katholieke geloof in de hemel terecht kon komen. Ze zagen het als hun taak om deze ‘arme’ mensen te redden door ze te bekeren. Vandaar dat de Kerk deze ontdekkingstochten ook steunde. Daarnaast had dit ook praktische gevolgen voor de kerk, want meer gelovigen betekende ook meer macht en inkomsten voor de Katholieke Kerk.

Toen bleek dat dit nieuw ontdekte gebied in werkelijkheid een ander continent was, besloten de Spanjaarden hun kans te benutten. Conquistadores werden gelokt door verhalen over steden van goud en bergen van zilver.  Dit leidde vaak tot conflicten met de inheemse bevolking, die door Columbus indianen werden genoemd. Maar de Spanjaarden hadden een voordeel. Zij bezaten namelijk wapens en oorlogstechnieken die de indianen niet kenden, zoals vuurwapens, ruiters te paard, kanonnen, ijzeren zwaarden, helmen en harnassen; terwijl de inheemse bevolking vocht met wapens gemaakt van steen, hout en obsidiaan. Sommige indiaanse volkeren zagen in dat zij de conquistadores niet konden verslaan. Deze volken zouden een bondgenootschap sluiten met de Spanjaarden om weer andere inheemse volken te overwinnen.

Bron 11. In de verdragen van Tordesillas en Saragossa werden onderlinge afspraken gemaakt tussen Spanje en Portugal, waar zij hun rijken mochten uitbreiden. Als je weer een bol van de kaart zou maken, mag alles links van de paarse lijn tot en met de groene lijn door Spanje gekoloniseerd worden. Alles links van de groene lijn tot aan de paarse lijn mag door Portugal ingenomen worden.
Bron 12. De Europese inwoners van de Spaanse koloniën. Je ziet dat hier ook sprake was van rassenvermenging.
Azteken en Inca’s

Aan het begin van de zestiende eeuw woonden in Amerika veel verschillende bevolkingsgroepen, ieder met eigen taal en cultuur. Eén van die bevolkingen was de Azteken die leefden in het huidige Mexico. Zij hadden in de vijftiende eeuw veel andere volkeren onderworpen. In 1519 kwamen de Azteken in contact met de Spaanse conquistador Hernán Cortes, die vanaf Cuba met 500 soldaten naar het vasteland was overgestoken. De Azteken aanbidden hun leider Montezuma als een god, maar geloofden dat er ook andere goden waren die het aanbidden waard waren. De Azteken waren zo onder de indruk van Cortes en zijn gezelschap dat zij met veel eerbied werden onthaald. Maar in 1521 maakte eerbied plaats voor ruzie. Zonder veel tegenstand wisten de Spanjaarden de Azteken te onderwerpen. Daarbij kregen de Spanjaarden hulp van de volken die eerder door de Azteken waren verslagen en onderdrukt. Cortés ging daarbij grondig te werk. Daardoor werd de Azteekse beschaving vernietigd en Cortés de nieuwe bestuurder van Mexico.

Een ander groot indiaans rijk behoorde de Inca’s toe. Dit lag aan de westkant van Zuid-Amerika in het gebied van het Andesgebergte. Door samen te werken met andere bevolkingen of deze te onderdrukken, wisten de Inca’s een gigantisch rijk – dat reikte van Ecuador tot diep in Chili – bij elkaar te houden. Om dit rijk goed te kunnen besturen, hadden de Inca’s een effectief communicatiesysteem aangelegd. Over verharde wegen reisden koeriers met boodschappen en opdrachten uit het bestuurscentrum Cuzco door het hele land. Daarnaast werden de wegen gebruikt door de Inca legers. De Inca’s hadden een polytheïstische godsdienst waarin de zon, de maan en de leider van de Inca’s – waarvan werd geloofd dat hij de incarnatie was van de zonnegod Inti – een belangrijke positie hadden.

In 1524 en 1526 ontmoette de leider van de Inca’s de Spaanse conquistador Francesco Pizarro. Tijdens deze ontmoeting viel het Pizarro op dat de Inca’s over veel goud, zilver en edelstenen beschikten. In 1532 zou een derde ontmoeting plaatsvinden in Cuzco tussen de Spanjaarden en de Inca’s. Maar deze ontmoeting verliep niet als gepland. Na een korte ruzie gaf Pizarro het bevel ‘de indianen als mieren te vermorzelen’. Nu de Inca legers niet meer bevelen kregen vanuit Cuzco was het voor Pizarro gemakkelijk het hele Incarijk te veroveren. Het zou niet lang duren voordat ook Portugal zich in deze ‘Nieuwe Wereld’ ging wagen.

 

Kolonisatie en verandering

Deze veroveringsdrang zou uiteindelijk tot een onderlinge ruzie leiden tussen de zeevarende naties uit de 16e eeuw. Van wie was dit nieuw ontdekte land: Portugal of Spanje? De Paus werd om hulp gevraagd. Hij besliste in het voordeel van Spanje. Portugal kwam in protest. Uiteindelijk werd een compromis gesloten tussen beide landen: het Verdrag van Tordesillas (bron 11). Een overeenkomst waar zowel Spanje als Portugal mee konden leven.  

Nadat de Spanjaarden en Portugezen grote delen van de Nieuwe Wereld hadden ontdekt en veroverd, stichtten zij er koloniën. De meest succesvolle conquistadores die zich in de strijd hadden bewezen, kregen een stuk gebied te leen van de koning, een ecomienda. Deze leenman, of ecomendero (nieuwe adel), was verantwoordelijk voor de belasting en hij mocht de indianen die in zijn gebied woonden inzetten voor dwangarbeid in de mijnen of op de haciëndas. Als tegenprestatie beloofde de ecomendero de indianen te beschermen en hen te onderwijzen in het katholieke geloof. De gebieden direct besturen vanuit Spanje was onmogelijk. Daarom richtte de Spaanse staat in 1550 twee onderkoninkrijken op.  Deze werden bestuurd door de nieuwe adel, die onder direct bevel van de Spaanse koning stond, maar vanwege de lange afstanden tussen Spanje en Amerika had de nieuwe adel in de praktijk onbeperkte macht.

Er bestonden regels om uitbuiting van indianen te vermijden. Maar de Spaanse staat bemoeide zich nauwelijks met die gang van zaken, want het deelde in de winst.  Door de slechte behandeling, probeerden veel indianen te vluchten. Soms lukte dat. Maar vaker werden ze opgespoord en vreselijk gestraft. Door deze slechte behandeling zouden veel indianen sterven. Daarnaast stierven velen doordat ze slachtoffer werden van zitten als de pokken, pest, mazelen, tyfus en de griep. Zij stierven massaal doordat ze, in tegenstelling tot de Europeanen, tijdens hun kindertijd geen immuniteit hadden ontwikkeld tegen deze ziekten. De Spaanse priester Bartolomé de las Casas en anderen hadden veel kritiek op de gruwelijke behandeling van de indianen. Dit leidde in 1542 tot de invoering van de Nieuwe Wetten. Dankzij deze wetten werden indianen onderdanen van de Spaanse koningen zij dus niet meer mishandeld worden. Als zij toch mishandeld werden, dan konden ze de dader aanklagen bij de rechtbank. Maar in de praktijk leidde dit nauwelijks tot veroordelingen.

Door ziekten, te zwaar werk en mishandeling werden de indianen vervangen door slaven uit Afrika. Deze kwamen van grote slavenmarkten uit Noord-Afrika. Vaak waren deze Afrikanen gevangengenomen door een andere stam tijdens een van de vele onderlinge oorlogen. De Europeanen kochten deze tot slaafgemaakten door waardevolle producten als wapens, munitie, textiel en alcohol te ruilen. De Afrikanen werden ingeladen op schepen en vervoerd naar Amerika, waar producten uit de mijnbouw zoals zilver en van de plantages (tabak, katoen, rietsuiker en rum) lagen te wachten om naar Europa verscheept te worden. De opbrengst van deze koloniale producten werd deels weer gebruikt om nieuwe slaven van te kopen. Dit systeem noemen we de Atlantische driehoekshandel.

 

Een veranderend mensbeeld

In de nieuw ontdekte gebieden werden de christelijke ontdekkingsreizigers geconfronteerd met wonderlijke nieuwe gebruiken van de plaatselijke bevolkingen. In de ogen van deze ontdekkingsreizigers waren het duivelse culturen. Zij interpreteerden de nieuw ontdekte wereld vanuit hun eigen cultuur, christelijke geloof en normen en waarden. Op die manier leken de beschavingen uit Afrika, Azië en Amerika vaak minder ver ontwikkeld. Vaak werd door de Europeanen gedacht dat het ontbrekende christelijke geloof daar de oorzaak van was. Zij wilden deze nieuwe volken dan ook bekeren, om zo hen verder te laten ontwikkelen. Achter deze bekeringsdrang zaten vaak goede bedoelingen, maar in de praktijk werd vaak bekeerd met veel geweld waardoor veel oude indiaanse en Afrikaanse gebruiken verloten gingen. Maar er was ook sprake van vermenging. Religieuze inheemse tradities vermengden zich met het katholicisme. Hierdoor werd het makkelijker voor Afrikanen en indianen om dit nieuwe en vreemde geloof te accepteren. Daarnaast was er vermenging van indianen, Spanjaarden en Afrikanen uit de relaties die de mannen en vrouwen aangingen. Ook daaruit ontstond een mengcultuur. Dit wordt mestizering genoemd. De kinderen van een blank-indiaanse ouders werden mesties genoemd; die van een blank en zwart echtpaar een mulat en kinderen van indiaanse en zwarte ouders een zambo.

Door de grote verschillen in cultuur tussen Europa en de rest van de wereld bepaalde je afkomst jouw maatschappelijke positie in deze koloniën. Door deze grote maatschappelijke, sociale en culturele veranderingen, werden de Europeanen gedwongen kritisch te kijken naar het mensbeeld dat zij van zichzelf hadden. Hoe groot waren de verschillen tussen mensen? Was er verschil tussen mensen met een ‘getinte’ huidskleur en de ‘blanke’ Europeanen? Waren sommige mensen beter dan de andere? Had de één het recht om de ander als dier te behandelen? En zo ja, mocht zo’n ‘dier’ dan als bezit worden gezien?

Europa met Magellaes de wereld rond?

Portugese zeevaarders hadden aan het begin van de zestiende eeuw de Molukken – huidig Indonesië – en andere eilanden in de Indische Archipel ontdekt. De Indonesische eilanden, en vooral de Molukken, waren rijk aan kruidnagels, nootmuskaat, kaneel en andere specerijen. De Portugese vorst besloot veel geld te investeren in de verder ontdekking van het Indische Archipel.

Spanje was jaloers op deze overdaad aan rijkdom, maar het kon niets doen. Want in 1494 hadden Portugal en Spanje immers in het Verdrag van Tordesillas de wereld in tweeën verdeeld (bron 11). Maar na de ontdekking van de Molukken begonnen de Spanjaarden te twijfelen: ‘wat als men via een westwaartse route naar de Molukken zou varen, behoorde het eiland dan niet hen toe’? De Portugese zeevaarder Ferdinand Magellaes durfde deze riskante tocht aan. In opdracht van de Spaans-Habsburgse keizer Karel V vertrok hij met vijf schepen en 250 bemanningsleden in 1519 uit de Spaanse stad Sevilla. De tocht werd gefinancierd door de schatrijke Duitse bankiersfamilie Fugger. De reis werd vastgelegd door de Italiaanse edelman Antonio Pigafetta, die de flora, fauna, vreemde volken en culturen en zelfs de dood van Ferdinand Magellaes op de Filipijnen beschreef. Drie jaar na het vertrek keerden de ontdekkingsreizigers met slechts één schip terug.

Bron 13. Deze twee schilderijen van Columbus' landing in Amerika, laat zien hoe de eerste ontdekkingsreizen waren georganiseerd.

Bron 14. Een kaart uit 1658 laat zien dat in een eeuw tijd de vormen van de continenten beter in kaart werden gebracht. Door de ontdekkingsreizen kwam er veel nieuwe kennis vrij, die later ingezet zou worden om grote overzeese gebieden te veroveren.

4. De kerk verscheurd

Leerdoelen
  • Kan aangeven dat de kritiek van Erasmus op de Bijbel en de Katholieke Kerk de opstap vormde naar verdere kritiek.
  • Kan uitleggen waarom Maarten Luther kritiek had op de heiligenverering, de organisatie van de kerk en de aflatenhandel en de kritiek verklaren vanuit Luthers standplaatsgebondenheid.
  • Kan misstanden in de katholieke kerk herkennen in geschreven en ongeschreven bronnen.
  • Kent de 7 sacramenten van de Kerk en welke door Maarten Luther werden geaccepteerd (verdiepingsstof).

Desiderius Erasmus van Rotterdam (1466-1536) was een van de beroemdste geleerden van zijn tijd. Hij was naast geestelijke een echte humanist. Net als veel geleerde tijdgenoten, bestuurde Erasmus oude teksten en boeken van Griekse en Romeinse geleerden. Daarnaast hield hij zich bezig met de bestudering van de Bijbel, zowel de oud Griekse versie als de middeleeuwse vertaling in het Latijn. Erasmus kwam tot de conclusie dat er allemaal fouten zaten in de middeleeuwse vertaling. Maar zijn mede monniken en priesters wilden niets weten van die kritiek. Het enige wat zij wilden, was het in stand houden van hun uitbundige en bevoorrechte levensstijl. Het lijkt misschien alsof Erusmus’ kritiek niet veel teweegbracht. Maar het tegendeel is waar. Omdat zo’n beroemde geleerde niet bang was om kritiek openlijk te uiten, werden andere mensen ook minder bang om hetzelfde te doen.

 

Luthers weg naar Rome

Vanuit het midden van het Heilige Roomse Rijk (Duitsland) kwam de 26-jarige monnik Maarten Luther aan in de stad Rome. Deze stad was het centrum van de christelijke wereld volgens de Katholieke Kerk. Hij had een stad van God verwacht, geheel gericht op het eren van God zoals voorgeschreven was door het katholieke geloof in de Bijbel. De stad bleek heel anders dan Luther zich had voorgesteld. Het geloof werd verkocht: beelden van heiligen kon je kopen op elke hoek van de straat en zogenaamde ‘echte’ relieken van heiligen werden verkocht. Verkopers vertelden dat deze relieken de oplossing waren voor al je problemen, zelfs armoede en de pest kon genezen worden met zo’n reliek. Maar dat vond Luther nog niet het ergste. Voor elk onderdeel van het geloof moest je betalen. Met dit geld begon de kerk zich te verrijken. En de paus zelf? Die was bijna nooit in Rome, maar was te vinden in zijn zomerpaleis of voerde oorlog om de kerkelijke staat het Vaticaan uit te breiden.

Eenmaal terug in zijn woonplaats Wittenberg, groeide Luthers afkeer van die kerkelijke gebruiken. Na kritisch de Bijbel bestuurd te hebben, besloot hij in 1517 zijn kritiek te uiten in 95 stellingen, ook wel uitspraken genoemd. Luthers kritiek was gericht op vier aspecten of misstanden: de heiligenverering, de organisatie van de kerk, de aflatenhandel en een aantal sacramenten.

Bron 15. Versiering bovenaan de aflaatbrief van Paus Urbanus IV aan de Abdij van Herkenrode, 1363.
Misstanden

Allereerst geloofde Luther niet in het vereren van heiligen en vond dat het gebruik inging tegen de Bijbel. Heiligenverering was in de middeleeuwse kerk heel gebruikelijk. Heiligen kregen na hun dood de titel Sint. Maria de moeder van Jezus, Sint-Nicolaas en Sint-Maarten waren mensen geweest, die tijdens hun leven uitzonderlijke daden hadden verricht uit naam van God. Daardoor werd gedacht dat de heiligen dichter bij God stonden dan normale mensen. Doordat de heiligen dicht bij God stonden, werden ze gezien als bemiddelaar of tussenpersoon tussen de gelovige en God of konden de gelovige uit moeilijke situaties helpen. De mensen uit de middeleeuwen dachten dan ook dat bidden tot een heilige grotendeels hetzelfde was als bidden tot God. In de Bijbel stond alleen niets over heiligenverering. Er stond juist het tegenovergestelde: je mocht niemand anders dan God vereren. Je mocht zelfs geen beeltenissen van hem maken en deze vereren.

Luther had ook moeite met de organisatie van de kerk. Er was een strenge kerkelijke rangorde van: paus, bisschoppen en lagere geestelijkheid. In deze rangorde was de paus zijn woord wet. Banen in de kerk konden gekocht worden, zonder dat jij kennis had van het geloof of er een studie voor had gevolgd. Tevens had Luther moeite met dat de paus zich gedroeg als een god. ‘Niet de paus, maar God alleen kon mensen voor hun wandaden in het leven vergeven’, verkondigde Luther. Het was dan ook aan God om de daden van een gelovige na zijn dood te beoordelen. Luther vond dat geen enkel mens, ook de paus niet, de bedoelingen van God kon begrijpen en dus uit zijn naam spreken. Het was aan de gelovige om door goede daden te verrichten en daarmee te bewijzen dat hij naar de hemel mocht. Als de gelovige werd toegelaten dan had God hem zijn slechte daden vergeven. Dit aspect zou uiteindelijk door anderen geïnterpreteerd worden als: de gelovige moest naar God opzoek gaan door de Bijbel te lezen, te interpreteren en zelf bepalen wat wel en niet mag volgens de Bijbel. Hierdoor werden geestelijken van hoog tot laag minder belangrijk of waren zelfs niet meer nodig.

Maarten Luther uitte tevens kritiek op de aflatenhandel. Een aflaat was een brief of een papieren bewijs dat zonden kwijtschold. Gebruikelijk kreeg je in de middeleeuwen een aflaat van de kerk als je een goede daad had verricht. Langzamerhand was het gebruik ontstaan dat deze bewijzen ook gekocht konden worden. In eerste instantie voor specifieke zonden. Om de aflaten handel nog winstgevender te maken, zouden ook blanco aflaten worden verkocht. De gelovige kon dan zelf invullen voor welke daden hij vergeven wilde worden. Het krijgen van aflaten veranderde. Goede daden werden niet meer beloond met aflaten. Een aflaatbrief kon alleen nog maar gekocht worden. Luther stoorde zich aan de manier waarop de kerk dit systeem gebruikte om zichzelf te verrijken. De paus liet de meest grote paleizen bouwen; waarna hij opdracht gaf tot het schilderen van kunstwerken voor in het paleis. Ook werden kerken versierd met goud en zilver. Deze zelfverrijking ging ten kostte van de arme bevolking. De armen staken hun geld in aflaten, terwijl veel van hen niet eens genoeg geld hadden om eten te kopen. Velen geloofden immers nog steeds dat het leven op aarde maar tijdelijk was en het hiernamaals voor eeuwig.

Sacramenten

Maarten Luthers laatste kritiek richtte zich op enkele kerkelijke sacramenten. In de middeleeuwen was het de taak van geestelijken om ervoor te zorgen dat de zielen van gelovigen in de hemel kwamen. De kerk had daar zeven rituelen voor, zogenoemde sacramenten:

  1. De doop. Door iemand de dopen wordt hij opgenomen in de christelijke gemeenschap. Door lid te zijn van de christelijke gemeenschap kan je uiteindelijk in de hemel terecht komen.
  2. Het vormsel. Waarbij je voor het eerst echt gaat deelnemen aan kerkelijke diensten.
  3. De eucharistie, ook wel het avondmaal genoemd. Tijdens dit ritueel wordt brood en wijn uitgedeeld, zoals Jezus dit deed op een van de laatste avonden voordat hij gekruisigd zou worden. Tijdens het eten en drinken zou dat voedsel omgezet worden in het lichaam en bloed van Jezus. Door dit te eten en drinken zouden de zonden van de gelovigen vergeven worden.
  4. De biecht, waarin de zonden worden uitgesproken
  5. De wijding tot priester.
  6. Het huwelijk.
  7. Het sacrament voor zieken of stervenden.

Luther weigerde alle sacramenten te aanvaarden. Hij accepteerde de doop, het avondmaal en de biecht omdat deze direct met het vergeven van zonden hadden te maken en de mogelijkheid om in de hemel te komen. De rest van de sacramenten werden door Luther gezien als een bijdrage aan de zelfverrijking van de kerk, aangezien een priester aanwezig moest zijn bij het uitvoeren van zo’n ritueel. Voor deze aanwezigheid moest betaald worden.

Bron 16. Het plafond van de Sixtijnse kapel van het Vaticaan werd grotendeels bekostigd door de aflatenhandel. Door de beeltenissen van heiligen, Adam en zelfs God staat dit plafond symbool voor alles waartegen Maarten Luther in protest kwam.
Bron 17. Op een gedeelte van het plafond van de Sixtijnse kapel staan Adam en God afgebeeld. De schilder Michelangelo wilde de connectie tussen mens en God afbeelden.

5. Godsdienstoorlogen

Leerdoelen
  • Kent de ontstaansredenen van de Reformatie en de Contrareformatie met bijbehorende maatregelen.
  • Kan de religieuze, sociale, politieke en economische gevolgen van de Reformatie en de Contrareformatie beredeneren.
  • Kan het verschil tussen de geloofsstromingen van Maarten Luther (lutheranisme) en Johannes Calvijn (calvinisme) beargumenteren.
  • Kent de pragmatische reden van edelen/vorsten om protestants te worden (verdiepingsstof).

Maarten Luther mocht dan kritiek hebben op de gang van zaken in de Katholieke Kerk, het was nooit zijn bedoeling om de Kerk af te schaffen. Hij wilde verandering: een reformatie, dat letterlijk hervorming betekent. De periode die daarop volgde waarin in de 16e eeuw geprobeerd werd het christelijke geloof van alle misstanden te zuiveren, noemen we dan ook de Reformatie. Luther wilde het katholicisme van binnenuit hervormen. Toch was hij niet de eerste geweest die kritiek had geuit op de Kerk. Anderen hadden geprobeerd de Katholieke Kerk te hervormen, maar waren hier niet in geslaagd. De Kerk had namelijk streng opgetreden tegen critici. Anders denkenden werden bestempeld als ketters. Deze werden opgepakt door speciale kerkelijke rechtbanken (Inquisitie). Na een kort proces werden ketters op de brandstapel gegooid. Zo kon kritiek gericht tegen de Katholieke Kerk zich nooit verder verspreiden. Toch zou het de Kerk nooit lukken critici volledig het zwijgen op te leggen.

 

Kerkhervormers

Kerkcriticus Maarten Luther kreeg veel meer volgelingen dan zijn kritische voorgangers. Dat kwam niet alleen omdat velen het eens waren met zijn stellingen, maar ook omdat hij deze nieuwe kritische houding toegankelijker had gemaakt. Want de kritiek op basis van de Bijbel werd verspreid in het Duits in plaats van Latijn, de kerkelijke taal. Zo konden medecritici Luthers kritiek bevestigen door zelf de Bijbel te lezen – die ook in het Duits beschikbaar waren. Doordat Luthers aanhangers zijn leer overnamen, steeg het aantal protestanten in rap tempo.

De kerk besloot Luther en zijn protestanten te vervolgen. De Katholieke Kerk onderschatte de situatie. Dit protestantse probleem was niet op te lossen door als van oudsher critici het zwijgen op te leggen. Daardoor kwam het tot een scheuring in de kerk (bron 20). Maar Luther was niet de enige die kritiek uitte. Ook Johannes Calvijn kwam in botsing met de kerk. Waar Luther nog altijd zei dat er een hoofd was van de kerk – dit kon ook een prins of koning zijn want vorsten werden aangesteld door God – om ervoor te zorgen dat de regels uit de Bijbel werden nageleefd; daar zei Calvijn dat gelovigen geen hoofd van de kerk nodig hadden en zichzelf prima konden besturen. Johannes Calvijn vond wel dat de gelovigen elkaar op gelovig wangedrag moesten aanspreken. Hij zette met zijn kijk op het geloof niet alleen de Kerk buitenspel, maar ook de vorst.

Bron 18. De Inquisitie was gericht op het behoud van gelovigen. Ketters kregen de kans om berouw te tonen. Na een lang proces kregen sommige rijke ketters na publieke vernedering de kans terug te keren in de kerk. Op de afbeelding zie je een publieke vernedering in Madrid.
Bron 19. Ketters kregen vaak niet eens de kans zich terug te bekeren. Als de bekering wel geslaagd was, dan werd er gezuiverd door voor. Om ervoor te zorgen dat de ziel van de ketter toch in in de hemel kwam, werden alle zonden letterlijk weggebrand.
Contrareformatie

De Reformatie had grote gevolgen. De Katholieke Kerk reageerde natuurlijk op de ontwikkeling van het protestantisme, de verzamelnaam voor de nieuwe christelijke stroming gebaseerd op de ideeën van de kerkcritici/hervormers.

  • Toen in de loop van de jaren steeds meer mensen de kerk verlieten om dezelfde redenen als die Luther had aangekaart, werd besloten de verkoop van aflaatbrieven te verbieden.
  • Ook werd benadrukt dat heiligen vereerd mochten worden, maar niet aanbeden mochten worden als goden.
  • Tegelijkertijd werd besloten om de ketterse protestanten strenger te vervolgen: de Inquisitie werd uitgebreid.

Deze drie maatregelen noemen we de Contrareformatie.

Ook katholieke vorsten vreesden de ideeën van de kerkhervormers en dan vooral die van Johannes Calvijn. Vorsten geloofden dat zij hun macht hadden gekregen van God. Calvijn verkondigde immers dat de protestantse gelovigen prima zonder deze vorsten konden leven. De geloofsgemeenschap kon zichzelf wel besturen. Hierdoor zouden katholieke vorsten flink wat macht verliezen. Bovendien was die manier van denken maar één stapje verwijderd van het in opstand komen tegen de koning. Daarom begonnen katholieke koningen de Inquisitie een handje te helpen; iets wat enorme politieke gevolgen zou hebben.

Door het ontstane protestantisme en het vervolgen van gelovigen ontstond een tweedeling in Europa. Veel noordelijke landen, waaronder Engeland, Nederland, gebieden in Duitsland en de Scandinavische landen, zouden protestants worden. Zowel de paus als de katholieke vorsten zouden proberen deze nieuwe protestantse gebieden terug te veroveren. Hierdoor kwamen de protestanten lijnrecht tegenover katholieken te staan. De oorlogen die daarop volgden noemen we de godsdienstoorlogen.

Bron 20. De verschillende Europese religies op het hoogtepunt van de godsdienstoorlogen.
Bron 21. Om te kunnen scheiden van zijn vrouw Catherina, richtte de Engelse koning Hendrik VIII de Anglicaanse kerk op waarvan hij het hoofd werd. Zo kon hij zijn eigen echtscheiding goedkeuren, zonder dat hij de goedkeuring nodig had van de paus.
Protestant of profiteur?

In de 16e eeuw regeerde het Spaanse vorstenhuis, de Habsburgers, over de gebieden in het Heilige Rooms Rijk (HRR) in het huidige Duitsland. De Spaanse vorst was keizer van het HRR. Hij kon dit gigantische rijk niet alleen regeren. Het staatshoofd moest gebruik maken van plaatselijke hoge edelen. Deze edelen zouden uit naam van de keizer een gebied besturen. Als bestuurder kreeg die edele dan de titel prins of in sommige gevallen zelfs koning. Maar zij moesten altijd de Habsburgse keizer gehoorzamen.

Met de komst van het protestantisme hadden de prinsen en koningen in het HRR een alternatief. God had een koning aangesteld om te regeren was het idee in de 16e eeuw. Maar omdat de Habsburgse vorst katholiek was, hoorde hij niet bij het ware geloof en dus geloofde hij niet op de juiste manier in God. Als protestantse prins in het HRR was het dus niet aanvaardbaar om de keizer te volgen, aangezien je dan ook tegen God inging. Afstand nemen van het katholieke geloof, betekende ook afstand doen van de Habsburgse keizer. Een voordeel was dat een protestantse prins nu zelf de machtigste was in zijn vorstendom en geen verantwoording meer hoefde af te leggen aan een keizer die in Spanje verbleef. Historici vragen zich vandaag de dag ook af of elke Europese vorst die zich protestant verklaarde dit deed vanuit het geloof of vanuit politiek oogpunt zoals de Engelse koning Hendrik VIII deed.

Subscribe
Abonneren op
0 Reacties
Inline Feedbacks
Bekijk alle aantekeningen