Een veranderende wereld

Hoofdvragen

Op welke manier verschilt het renaissance van het middeleeuwse denken?

Waardoor werd het wereldbeeld van de Europeanen vergroot?

Hoe ontstond de scheuring in de christelijke kerk in de 16e eeuw en wat waren de gevolgen?

1300
1450
1452-1519
1492
1494
1517
1521
1522-1648
1529
1545-1563
De eerste beginselen van de renaissance zijn te vinden in Italië.
De boekdrukkunst wordt uitgevonden.
Leonardo da Vinci
Columbus ontdekt Amerika.
Verdrag van Tordesillas
Maarten Luther uit kritiek op de katholieke kerk.
Maarten Luther wordt uit de kerk gezet. Hij heeft als monnik niet langer de bescherming van de kerk en god. Iedereen mag hem doden.
Verschillende godsdienstoorlogen in Europa.
Verdrag van Zaragoza
Concilie van Trente. Het begin van de Contrareformatie.

In Italië ontstond rond 1300 interesse voor het Romeinse en Griekse verleden. De inwoners van de Italiaanse stadstaten creëerden de prachtigste schilderijen en marmeren beelden, net als de Romeinen hadden gedaan  Na duizend jaar kwam er een einde aan de middeleeuwen en was de renaissance een feit. Met het einde van de middeleeuwen komt er ook een einde aan het middeleeuwse denken. De strenge leer van het kerkelijk geloof kwam minder centraal te staan in het leven van de mens. Aan de hand van gedrukte en vertaalde bijbels ging men de bijbel zelf interpreteren. Rond 1500 had deze renaissance bijna heel Europa bereikt.

Niet alleen historici vinden dat rond 1500 een nieuwe periode begint: de moderne tijd. Geleerden en kunstenaars uit de renaissance vonden toen zelf ook dat ze in een nieuwe tijd leefden. Zij geloofden dat ze na een lange periode van duisternis, de middeleeuwen, eindelijk weer in het licht leefden. Die overgang werd samengevat in twee bekende Latijnse spreuken. Er zou een overgang zijn van het middeleeuwse Memento mori (denk eraan dat je zult sterven) naar de spreuk van de renaissance: Carpe diem (pluk de dag).

Bron 1. Deze tekening staat bekend als de 'Vitruviusman'. Leonardo da Vinci gebruikte deze afbeelding als illustratie in een boek over wis- en meetkunde in 1490. De afbeelding laat de verhoudingen van het menselijk lichaam zien. Als je goed naar de afbeelding kijkt, zie je dat de navel het altijd in het midden staat ongeacht welke kant je Vitruvius op zou bewegen.
Kenmerkende aspecten
  • 18. Het begin van de Europese overzeese expansie.
  • 19. Het veranderde mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling.
  • 20. De hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid.
  • 21. De protestantse reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had.
  • 22. Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat.
Bron 2. Ondanks dat de mens centraal ging staan tijdens de renaissance, betekende dit niet dat het geloof onbelangrijk werd. Dit schilderij van Leonardo da Vinci laat het belang van het geloof zien in het leven van de renaissance mens. De engel Gabriel bezoekt Maria om aan te kondigen dat zij zwanger is. Taferelen uit het geloof werden nog steeds afgebeeld.

1. De mens in de wereld centraal

Leerdoelen

Klik op de video om de leertekst te beluisteren.

  • Kent het begrip renaissance.
  • kan uitleggen op welke manier het renaissance denken verschilde van het middeleeuwse denken.
  • kan uitleggen op welke manieren teruggegrepen werd op de cultuur uit de klassieke oudheid.

In de middeleeuwen dachten mensen heel anders dan hoe het merendeel van de mensen vandaag de dag denkt. In middeleeuws Europa was het heel normaal om het leven op aarde te zien als een tussenfase waarin jij je moest voorbereiden op het leven na de dood. Alles in het leven deed jij om uiteindelijk een plaatsje in de hemel te krijgen. In de renaissance – ongeveer van 1300 tot 1600 – vond een mentaliteitsverandering plaats. De mens begon op zichzelf te vertrouwen en zichzelf centraal te stellen. Zo dacht men dat je als mens allemaal talenten had, die je kon ontplooien en waarmee jij jezelf en de wereld kon verbeteren. Deze manier van denken noemen we het humanisme. Door deze gedachtegang kwam er steeds meer interesse in het leven op aarde en de werking van natuur en samenleving: ‘want waar kwamen die talenten vandaan’, vroeg men zich af. Als de mens zich volledig had ontwikkeld, dan werd hij een uomo universale (universeel mens) genoemd. Een goed voorbeeld van zo’n universeel mens is Leonardo da Vinci. Hij hield zich bezig met de werking van het menselijk lichaam, deed aan natuur- en scheikunde, was kunstenaar, hij ontwierp gebouwen en apparaten en stond bekend als muzikant.

Een belangrijk aspect van de renaissance was dat mensen nieuwe inspiratie zochten in het verleden: in de cultuur van de Grieken en de Romeinen uit de oudheid. Bij deze herontdekking van de klassieke oudheid speelden humanistische geleerden een belangrijke rol. Zij gingen gebruik maken van de ideeën opgeschreven door Griekse en Romeinse wetenschappers en schrijvers, om met die kennis de wereld te verbeteren. Vooral op de gebieden van kunst, literatuur en het denken over politiek zien we die ideeën uit de oudheid terugkomen (zie ook bronnen 3 t/m 5). Dankzij de leergierigheid en kritische instelling werd de mens gestimuleerd zelfs verder te kijken dan de wetenschappelijke ideeën uit de klassieke oudheid. Men begon deze ideeën te verbeteren en zelf te experimenteren.

Ontstaan en verspreiding

Waarom ontstond die verandering in denken? Waarom specifiek in Italië? Hiervoor zijn een aantal oorzaken te geven. Allereerst in Italië waar de renaissance begon, waren veel stadstaten zoals Florence en Pisa. Veel inwoners van die stadstaten waren rijk geworden door handel en nijverheid. In deze steden was zo een rijke elite ontstaan. Deze burgers wilden hun rijkdom tonen. Zij gaven kunstenaars opdracht kunst, gebouwen en beelden te ontwerpen die de macht toonde van de opdrachtgever maar ook de welzijn van de stad bevorderde. De ene burger wilde de andere overtreffen. Zo ontstond een klimaat van culturele bloei en vernieuwing.

In Italië greep men terug op de schoonheid van de oudheid, omdat resten van dit verleden nog overal zichtbaar waren en de macht van het Romeinse Rijk weerspiegelden. Bovendien waren allemaal geschriften van Griekse en Romeinse denkers teruggevonden in Italiaanse kloosters en door de kruistochten vanuit het Midden-Oosten mee teruggenomen naar Europa.

Dat de renaissance ideeën zich snel verspreiden door Europa was te danken aan de boekdrukkunst. Kunstenaars en geleerden konden hun ideeën opschrijven en goedkoop laten kopiëren. Deze kopieën konden door heel Europa verspreid worden, hierdoor werd de kennis aan andere geleerden en geïnteresseerden doorgegeven.

Bron 3. De twee afbeeldingen laten de overgang zien van middeleeuwse kunst naar renaissance kunst. Middeleeuwse kunstenaars waren voornamelijk bezig met het uitbeelden van godsdienstige onderwerpen (bovenste afbeelding: Maria, kindje Jezus en heiligen), waarbij de symbolische betekenis van het religieuze onderwerp duidelijk moest zijn. Hoe daarbij de personen afgebeeld werden, was minder belangrijk. In de renaissance kunst werd het waarheidsgetrouw afbeelden van personen, dieren en voorwerpen wel belangrijk (onderste afbeelding: Maria, kindje Jezus en heiligen). De renaissancekunstenaars hadden veel meer aandacht voor perspectief, licht en schaduw en natuurgetrouwe kleuren. Alles moest levensecht zijn en emotie uitstralen. Dit gold niet alleen voor schilders, maar ook voor beeldhouwers. Deze gingen beelden maken die levensecht leken, na Grieks voorbeeld. De beeldhouwers vervaardigden beelden die anatomisch correct waren.

Bron 4. De goddelijke komedie van de schrijver Dante, is een voorbeeld van de verandering in literatuur tijdens de renaissance. Waar in de middeleeuwen voornamelijk in Latijn werd geschreven, daar schreef Dante zijn werk in het Italiaans (een volkstaal). Dit was heel bijzonder, want tijdens de middeleeuwen was lezen alleen weggelegd voor geestelijken die het Latijn konden lezen. Dankzij schrijvers als Dante werd literatuur, zowel christelijk als niet christelijk, toegankelijk voor gewone mensen. Het gevolg was dat mensen die nu teksten in de volkstaal gingen lezen over christelijke onderwerpen, een eigen visie op het geloof gingen ontwikkelen.
Bron 5. Tijdens de renaissance veranderde het denken over de politiek. In de middeleeuwen werd politiek gezien als onderdeel van een goddelijk plan: de vorst was door god gekozen om te regeren over mensen. In de geschriften van de oudheid stond hier niets over. In deze geschriften stond wel dat de machthebbers zouden moeten handelen in het belang van de gemeenschap. De renaissancedenkers gingen zelf ook hun eigen machthebbers bestuderen. De Italiaan Niccolò Machiavelli (1469-1527) onderzocht alle bestuursvormen in zijn boek Il Principe (De Vorst), om te kijken welke bestuursvorm het meest effectief was. Zijn conclusie: als de vorst het meest effectief wil besturen, dan moet hij als een dictator regeren. Niet elke burger is namelijk in staat om te beslissen wat goed is voor de samenleving. De staat en dus het welzijn van iedereen moest voor het individu komen. Machiavelli gaf daarmee aan dat er soms slachtoffers moesten vallen om een hoger doel te bereiken. Door zijn aanpak wordt het boek van Machiavelli nog steeds door veel politici gelezen.

Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


2. Overzeese expansie

Leerdoelen

Klik op de video om de leertekst te beluisteren.

  • Kent de drie oorzaken van de Europese expansie.
  • Kan de Europese expansie vanuit religieus, economisch en politiek perspectief beargumenteren.

De in bron 6 afgebeelde verovering is maar één van de vele Europese veroveringen uit de 14e, 15e en 16e eeuw. Wat hadden de Europeanen te zoeken in Amerika? Wat dreef hen ertoe om de zeeën te gaan bevaren richting bijna alle continenten? De aanleiding was de ineenstorting van het Mongoolse Rijk. Dit rijk had altijd de handelsroutes naar Azië over het land veiliggesteld. In de 13e eeuw had dit rijk een groot handelsnetwerk beschermd. Rovers en bandieten werden bij overvalpogingen van handelskaravanen streng gestraft door de Khan, de leider van het Mongoolse Rijk. De Khan had moeite zijn immense rijk bij elkaar te houden, bovendien kregen Europa en Azië te maken met pestepidemieën. Deze pest – ook wel de Zwarte Dood genoemd – maakte geen onderscheid tussen arm, rijk, jong of oud. De kans om de dood te vinden aan de hand van deze ziekte of een roversmes, maakte dat weinig Europeanen de tocht naar Azië over land durfden te maken. Een andere belemmering was dat het Ottomaanse Rijk, waar veel van de handelswegen doorheen liepen, steeds hogere handelsbelastingen vroeg. Europeanen wilden opzoek gaan naar een andere alternatieve route naar ‘Indië’.

Dankzij die economische motivatie, wilden Europeanen zelf de handel in exotische producten in handen krijgen. Een handel die grotendeels gedomineerd was geweest door de Ottomanen. Uit Azië kwamen de meest waardevolle specerijen, die voor veel geld konden worden verhandeld. Een eigen route zou ook beteken dat alle inkomsten naar de handelaren gingen en niet meer een deel naar de Ottomanen. Vooral de Portugezen en Spanjaarden verlangden naar een eigen veilige en winstgevende handelsroute.

Niet alleen handelsbelangen speelden mee in een zoektocht naar een alternatieve route. Een andere oorzaak is de drang van de Europese christelijke vorsten om nieuwe volken te bekeren. Daarbij werd vaak het nieuwe land ingenomen om deze christelijke overgang in banen te leiden. Daarom gingen vaak geestelijken mee aan boord van de schepen.

De laatste reden was dat het technisch mogelijk was om over zee te varen, van het land af en veilig terug te keren. De schepen verschilden van de middeleeuwse schepen in dat zij wendbaarder waren, sneller en meer ruimte hadden om bijvoorbeeld voedsel en goederen op te slaan. Bovendien werden de ontwerpen van Chinese en Arabische navigatie-instrumenten overgenomen, hierdoor werd het navigeren over open zee mogelijk.

Bron 6. Een moderne kopie van een Azteekse tekening uit de 16e eeuw. In het donker groene pak, gezeten op een paard, de Spaanse veroveraar Nuño Beltrán de Guzmán tijdens zijn zeer gewelddadige verovering van het indiaanse koninkrijk Michoacán in Zuid-Amerika.
Bron 7. De Zijderoute was de meest gebruikte handelsroute in de aanvoer van specerijen en andere luxeproducten vanuit Azië en Afrika. Doordat deze route uiteindelijk wegviel en de Ottomanen (het huidige Midden-Oosten) te hoge belastingen vroegen, gingen Europeanen opzoek naar andere routes naar 'Indië'.

Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Bron A. De bovenstaande kaart werd door Columbus gebruikt in zijn zoektocht naar een alternatieve snellere route naar Azië.

Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


3. Een veranderend wereldbeeld

Leerdoelen
  • Kent de lange termijn gevolgen van de ontdekkingsreizen.
  • Kan uitleggen waarom de Europeanen een bekeringsdrang hadden.
  • Kan uitleggen wat een mensbeeld is en deze herkennen in geschreven en ongeschreven bronnen.
Bron 11. In de verdragen van Tordesillas en Saragossa werden onderlinge afspraken gemaakt tussen Spanje en Portugal, waar zij hun rijken mochten uitbreiden. Als je weer een bol van de kaart zou maken, mag alles links van de paarse lijn tot en met de groene lijn door Spanje gekoloniseerd worden. Alles links van de groene lijn tot aan de paarse lijn mag door Portugal ingenomen worden.
Bron 12. De gekoloniseerde gebieden door Spanje (rood) en Portugal (blauw). Kan jij een verklaring geven voor de verdeling van deze gebieden? Hoe zie je in het heden nog steeds die verdeling terug?

Tijdens de verre reizen naar Afrika, Amerika en Azië werden veel bijzondere dingen ontdekt. Deze hadden economische gevolgen: de Portugezen en Spanjaarden zetten een handel op in specerijen, later gevolgd door de Nederlanders en Engelsen. Door deze ontdekkingsreizen veranderde hun wereldbeeld. Zo bleken de continenten er anders uit te zien dan voorheen werd gedacht. Ook bleken er onbekende gebieden te bestaan. Dit had de tocht van Columbus in 1492 aangetoond toen hij per ongeluk Amerika ontdekte in zijn zoektocht naar een route richting Azië die niet om Afrika heen leidde. De kustgebieden van deze nieuwe, maar ook van de oude werelddelen zouden steeds beter in kaart worden gebracht.  In Azië en Afrika zouden te ontdekkingen beperkt blijven tot de kustgebieden en het opzetten van bevoorradings- en handelsposten in deze gebieden. De binnenlandse gebieden werden dan ook nauwelijks in kaart gebracht. Dit gold niet voor Amerika. In Amerika eigenden de conquistadores als Cortés zich wel grote stukken van het binnenland toe. Zowel de Portugezen als de Spanjaarden trokken het binnenland in. 

Deze veroveringsdrang zou uiteindelijk tot een onderlinge ruzie leiden tussen de zeevarende naties uit de 16e eeuw. Van wie was dit nieuw ontdekte land: Portugal of Spanje? De Paus werd om hulp gevraagd. Hij besliste in het voordeel van Spanje. Portugal kwam in protest. Uiteindelijk werd een compromis gesloten tussen beide landen: het Verdrag van Tordesillas. Een overeenkomst waar zowel Spanje als Portugal mee konden leven.  

In de nieuw ontdekte gebieden werden de christelijke ontdekkingsreizigers geconfronteerd met wonderlijke nieuwe gebruiken van de plaatselijke bevolking. In de ogen van deze ontdekkingsreizigers was dit een duivelse cultuur; zij interpreteerden de nieuw ontdekte wereld vanuit hun eigen cultuur, geloof en normen en waarden. Op die manier leken de beschavingen uit Afrika, Azië en Amerika vaak minder ver ontwikkeld. Vaak werd door de Europeanen gedacht dat het ontbrekende christelijke geloofd daar de oorzaak van was. Zij wilden deze nieuwe volken dan ook bekeren, om zo hen verder te laten ontwikkelen. Achter deze bekeringsdrang zaten vaak goede bedoelingen, maar in de praktijk werd bekeerd met veel geweld. Door het grote verschillen in cultuur tussen Europa en de rest van de wereld, werden de Europeanen gedwongen kritisch te kijken naar het mensbeeld wat zij van zichzelf hadden. Zaten er verschillen tussen mensen? Had de één het recht om de ander als dier te behandelen? 

Bron 13. Deze twee schilderijen van Columbus' landing in Amerika, laat zien hoe de eerste ontdekkingsreizen waren georganiseerd.

Bron 14. Een kaart uit 1658 laat zien dat in een eeuw tijd de vormen van de continenten beter in kaart werden gebracht. Door de ontdekkingsreizen kwam er veel nieuwe kennis vrij, die later ingezet zou worden om grote overzeese gebieden te veroveren.

Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


4. De kerk verscheurd

Leerdoelen
  • Kan uitleggen waarom Maarten Luther kritiek had op de heiligenverering, de organisatie van de kerk en de aflatenhandel.
  • Kan Luthers protest verklaren vanuit zijn standplaatsgebondenheid.
  • Kan misstanden in de katholieke kerk herkennen in geschreven en ongeschreven bronnen.
Bron 15. Versiering bovenaan de aflaatbrief van Paus Urbanus IV aan de Abdij van Herkenrode, 1363.

Vanuit het midden van het Heilige Roomse Rijk (Duitsland) kwam de 26-jarige monnik Maarten Luther aan in de stad Rome, het centrum van de christelijke wereld. Hij had een stad van God verwacht, geheel gericht op het eren van God. De stad bleek heel anders dan Luther zich had voorgesteld. Het geloof werd verkocht: beelden van heiligen kon je kopen op elke hoek van de straat en zogenaamde ‘echte’ relieken van heiligen werden verkocht alsof ze de oplossing waren voor al je problemen. Voor elk onderdeel van het geloof moest je betalen. Met dit geld begon de kerk zich te verrijken. En de paus zelf? Die was bijna nooit in Rome, maar was te vinden in zijn zomerpaleis of voerde oorlog om de kerkelijke staat het Vaticaan uit te breiden.

Eenmaal terug in zijn woonplaats Wittenberg, groeide Luthers afkeer van die kerkelijke gebruiken. Hij besloot in 1517 kritiek te uiten in 95 stellingen, of uitspraken genoemd. Luthers kritiek was gericht op vier aspecten of misstanden: de heiligenverering, de organisatie van de kerk, de aflatenhandel en een aantal sacramenten. Allereerst geloofde Luther niet in het vereren van heiligen. Heiligenverering was in de middeleeuwse kerk heel gebruikelijk. Heiligen kregen na hun dood de titel Sint. Maria de moeder van Jezus, Sint-Nicolaas en Sint-Maarten waren mensen geweest, die tijdens hun leven uitzonderlijke daden hadden verricht. Door deze bijna magische daden stonden ze dicht bij God. Doordat de heiligen dicht bij God stonden, werden ze gezien als bemiddelaar of tussenpersoon tussen de gelovige en God of konden de gelovige uit moeilijke situaties helpen. De mensen uit de middeleeuwen dachten dan ook dat bidden tot een heilige grotendeels hetzelfde was als bidden tot God. In de Bijbel stond niets over heiligenverering. Er stond juist het tegenovergestelde: je mocht niemand anders dan God vereren, geen beeltenissen van hem maken en vereren.

Luther had ook moeite met de organisatie van de kerk. Er was een strenge kerkelijke rangorde van: paus, bisschoppen en lagere geestelijkheid. In deze rangorde was de paus zijn woord wet. Banen in de kerk konden gekocht worden, zonder dat een studie nodig was. Luther had moeite met dat de paus zich gedroeg als een god, aangezien alleen God mensen voor hun wandaden in het leven kon vergeven. Luther vond dat geen enkel mens, ook de paus niet, de bedoelingen van God kon begrijpen. Het was aan de gelovige om door goede daden te verrichten, te bewijzen dat hij naar de hemel mocht. Bij toelating tot de hemel had God de gelovige voor zijn slechte daden vergeven. Dit aspect zou uiteindelijk door anderen geïnterpreteerd worden als: de gelovige moest naar God opzoek gaan door de Bijbel te lezen, te interpreteren en zelf bepalen wat wel en niet mag volgens de Bijbel. Hierdoor waren geestelijken van hoog tot laag niet meer nodig.

Maarten Luther uitte tevens kritiek op de aflatenhandel. Een aflaat was een brief of een papieren bewijs dat zonden kwijtschold. Gebruikelijk kreeg je in de middeleeuwen een aflaat als je een goede daad had gedaan. Langzamerhand was het gebruik ontstaan dat deze bewijzen ook gekocht konden worden. In eerste instantie voor specifieke zonden, maar later kon de gelovige zelf invullen voor welke daden hij vergeven wilde worden. Goede daden werden niet meer beloond met aflaten, deze konden alleen nog verkregen worden door de brieven te kopen. Luther stoorde zich aan de manier waarop de kerk dit systeem gebruikte om zichzelf te verrijken. De paus liet de meest grote paleizen bouwen, hij gaf opdracht tot het schilderen van kunstwerken en liet kerken versieren met gouden en zilver. Deze zelfverrijking ging ten kostte van de arme bevolking. De armen staken hun geld in aflaten, terwijl veel van hen niet eens genoeg geld hadden om eten te kopen.

Sacramenten

Maarten Luthers laatste kritiek richtte zich op enkele kerkelijke sacramenten. In de middeleeuwen was het de taak van geestelijken om ervoor te zorgen dat de zielen van gelovigen in de hemel kwamen. De kerk had daar zeven rituelen voor, zogenoemde sacramenten:

  1. De doop. Door iemand de dopen wordt hij opgenomen in de christelijke gemeenschap. Door lid te zijn van de christelijke gemeenschap kan je uiteindelijk in de hemel terecht komen.
  2. Het vormsel. Waarbij je voor het eerst echt gaan deelnemen aan kerkelijke diensten.
  3. De eucharistie, ook wel het avondmaal genoemd. Tijdens dit ritueel wordt brood en wijn uitgedeeld, zoals Jezus dit deed op een van de laatste avonden voordat hij gekruisigd zou worden. Tijdens het eten en drinken zou dat voedsel omgezet worden in het lichaam en bloed van Jezus. Door dit te eten en drinken zouden de zonden van de gelovigen vergeven worden.
  4. De biecht, waarin de zonden worden uitgesproken
  5. De wijding tot priester.
  6. Het huwelijk.
  7. Het sacrament voor zieken of stervenden.

Luther weigerde alle sacramenten te aanvaarden. Hij accepteerde de doop, het avondmaal en de biecht omdat deze direct met het vergeven van zonden hadden te maken en de mogelijkheid om in de hemel te komen. De rest van de sacramenten werden door Luther gezien als een bijdrage aan de zelfverrijking van de kerk, aangezien een priester aanwezig moest zijn bij het uitvoeren van zo’n ritueel. Voor deze aanwezigheid moest betaald worden.

Bron 16. Het plafond van de Sixtijnse kapel van het Vaticaan werd grotendeels bekostigd door de aflatenhandel. Door de beeltenissen van heiligen, Adam en zelfs God staat dit plafond symbool voor alles waartegen Maarten Luther in protest kwam.
Bron 17. Op een gedeelte van het plafond van de Sixtijnse kapel staan Adam en God afgebeeld. De schilder Michelangelo wilde de connectie tussen mens en God afbeelden.

Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


5. Godsdienstoorlogen

Leerdoelen
  • Kent de ontstaansredenen van de Reformatie en de Contrareformatie uit de 16e eeuw.
  • Kan de religieuze, sociale, politieke en economische gevolgen van de Reformatie en de Contrareformatie beredeneren.
  • Kan het verschil tussen de geloofsstromingen van Maarten Luther (lutheranisme) en Johannes Calvijn (calvinisme) beargumenteren.

Maarten Luther mocht dan kritiek hebben op de gang van zaken in de kerk, het was nooit zijn bedoeling om de kerk af te schaffen. Hij wilde verandering: een reformatie, dat letterlijk hervorming betekent. De periode die volgde waarin in de 16e eeuw geprobeerd werd het christelijke geloof van alle misstanden te zuiveren noemen we de Reformatie. Luther wilde de kerk van binnenuit hervormen. Hij was niet de eerste geweest die kritiek had geuit op de kerk. De kerk had altijd streng opgetreden tegen critici. Zij werden bestempeld als ketters. Deze werden opgepakt door speciale kerkelijke rechtbanken (Inquisitie). Na een kort proces werden veel van deze ketter op de brandstapel gegooid. Het lukte de kerk niet volledig deze critici het zwijgen op te leggen.

Luther kreeg veel aanhang door zijn protest. Deze aanhangers namen zijn leer over. De kerk besloot Luther en zijn protestanten te vervolgen. Daardoor kwam het tot een scheuring in de kerk. Luther was niet de enige die kritiek uitte. Ook Johannes Calvijn kwam in botsing met de kerk. Alleen waar Luther nog altijd zei dat er een hoofd was van de kerk – dit kon ook een vorst zijn als deze ook protestant was – daar zei Calvijn dat gelovigen geen hoofd van de kerk nodig hadden en zichzelf prima konden besturen. Calvijn zette met die uitspraak niet alleen de kerk buitenspel, maar ook de vorst.

De Reformatie had grote gevolgen. De kerk reageerde natuurlijk op de ontwikkeling van het protestantisme, de verzamelnaam voor de nieuwe christelijke stroming gebaseerd op de ideeën van de kerkcritici/hervormers. Toen in de loop van de jaren steeds meer mensen de kerk verlieten, werd besloten de verkoop van aflaatbrieven te verbieden. Ook werd benadrukt dat heiligen vereerd mochten worden, maar niet aanbeden mochten worden als goden. Tegelijk werd besloten om de ketterse protestanten strenger te vervolgen: de Inquisitie werd uitgebreid. Deze ontwikkeling noemen we de Contrareformatie.

Ook katholieke vorsten vreesden de ideeën van Calvijn. Hij verkondigde immers dat de protestanten prima zonder deze vorsten konden leven. De geloofsgemeenschap kon zichzelf wel besturen. Hierdoor zouden katholieke vorsten flink wat macht verliezen. Door het ontstane protestantisme ontstond een tweedeling in Europa. Veel noordelijke landen, waaronder Engeland, Nederland, gebieden in Duitsland en de Scandinavische landen, zouden protestants worden. Zowel de paus als de katholieke vorsten zouden proberen deze nieuwe protestantse landen proberen terug te veroveren. Hierdoor kwamen de protestanten lijnrecht tegenover katholieken te staan. De oorlogen die daarop volgden noemen we de godsdienstoorlogen.

Bron 20. De verschillende Europese religies op het hoogtepunt van de godsdienstoorlogen.
Bron 21. Om te kunnen scheiden van zijn vrouw Catherina, richtte de Engelse koning Hendrik VIII de Anglicaanse kerk op waarvan hij het hoofd werd.
Protestant of profiteur?

In de 16e eeuw regeerde het Spaanse vorstenhuis, de Habsburgers, over de gebieden in het Heilige Rooms Rijk (HRR) in het huidige Duitsland. De Spaanse vorst was keizer van het HRR. Hij kon dit gigantische rijk niet alleen regeren. Het staatshoofd moest gebruik maken van plaatselijke hoge edelen. Deze edelen zouden uit naam van de keizer een gebied besturen. Als bestuurder kreeg die edele dan de titel prins of in sommige gevallen zelfs koning. Maar zij moesten altijd de Habsburgse keizer gehoorzamen.

Met de komst van het protestantisme hadden de prinsen en koningen in het HRR een alternatief. God had een koning aangesteld om te regeren was het idee in de 16e eeuw. Maar omdat de Habsburgse vorst katholiek was, hoorde hij niet bij het ware geloof en dus geloofde hij niet op de juiste manier in God. Als protestantse prins in het HRR was het dus niet aanvaardbaar om de keizer te volgen, aangezien je dan ook tegen God inging. Afstand nemen van het katholieke geloof, betekende ook afstand doen van de Habsburgse keizer. Een voordeel was dat een protestantse prins nu zelf de machtigste was in zijn vorstendom en geen verantwoording meer hoefde af te leggen aan een keizer die in Spanje verbleef. Historici vragen zich vandaag de dag ook af of elke Europese vorst die zich protestant verklaarde dit deed vanuit het geloof of vanuit politiek oogpunt zoals de Engelse koning Hendrik VIII deed.

Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Login om aantekeningen te kunnen maken
  Subscribe  
Abonneren op