Een veranderende wereld

Hoofdvragen

Op welke manier verschilde het renaissance van het middeleeuwse denken?

Waardoor werd het wereldbeeld van de Europeanen vergroot?

Wat waren de gevolgen van de Europese ontdekkingsreizen?

Hoe ontstond de scheuring van de christelijke kerk in de 16e eeuw?

Wat waren de gevolgen van de kerkelijke scheuring?

1300
1450
1452-1519
1492
1494
1517
1521
1522-1648
1529
1545-1563
De eerste beginselen van de renaissance zijn te vinden in Italië.
De boekdrukkunst wordt uitgevonden.
Leonardo da Vinci
Columbus ontdekt Amerika.
Verdrag van Tordesillas
Maarten Luther uit kritiek op de katholieke kerk.
Maarten Luther wordt uit de kerk gezet. Hij heeft als monnik niet langer de bescherming van de kerk en god. Iedereen mag hem doden.
Verschillende godsdienstoorlogen in Europa.
Verdrag van Zaragoza
Concilie van Trente. Het begin van de Contrareformatie.

In Italië ontstond rond 1300 interesse voor het Romeinse en Griekse verleden. De inwoners van de Italiaanse stadstaten creëerden de prachtigste schilderijen en marmeren beelden, net als de Romeinen hadden gedaan. Na duizend jaar kwam er een einde aan de middeleeuwen en was de renaissance een feit. Met het einde van de middeleeuwen kwam er ook een einde aan het middeleeuwse denken. De strenge leer van de middeleeuwse kerk kwam minder centraal te staan in het leven van de mens. Men ging aan de hand van gedrukte en vertaalde Bijbels de teksten over het christelijke geloof zelf interpreteren. Rond 1500 had deze renaissance bijna heel Europa bereikt.

Niet alleen historici vinden dat rond 1500 een nieuwe periode begint: de moderne tijd. Geleerden en kunstenaars uit de renaissance vonden toen zelf ook dat ze in een nieuwe tijd leefden. Zij geloofden dat ze na een lange periode van duisternis, de middeleeuwen, eindelijk weer in het licht leefden. Die overgang werd samengevat in twee bekende Latijnse spreuken. Er zou een overgang zijn van het middeleeuwse Memento mori (denk eraan dat je zult sterven) naar de spreuk van de renaissance: Carpe diem (pluk de dag).

Bron 1. Deze tekening staat bekend als de 'Vitruviusman'. Leonardo da Vinci gebruikte deze afbeelding als illustratie in een boek over wis- en meetkunde in 1490. De afbeelding laat de verhoudingen van het menselijk lichaam zien. Als je goed naar de afbeelding kijkt, zie je dat de navel het altijd in het midden staat ongeacht welke kant je Vitruvius op zou bewegen.

Kenmerkende aspecten
  • 18. Het begin van de Europese overzeese expansie.
  • 19. Het veranderde mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling.
  • 20. De hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid.
  • 21. De protestantse reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had.
  • 22. Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat.

Bron 2. Ondanks dat de mens centraal ging staan tijdens de renaissance, betekende dit niet dat het geloof onbelangrijk werd. Dit schilderij van Leonardo da Vinci laat het belang van het geloof zien in het leven van de renaissance mens. De engel Gabriel bezoekt Maria om aan te kondigen dat zij zwanger is. Taferelen uit het geloof werden nog steeds afgebeeld.

1. De mens in de wereld centraal

Leerdoelen

Klik op de video om de leertekst te beluisteren.

  • Kent het begrip renaissance.
  • kan uitleggen op welke manier het renaissance denken verschilde van het middeleeuwse denken.
  • kan uitleggen op welke manieren teruggegrepen werd op de cultuur uit de klassieke oudheid (bron 3 t/m 5).
  • Kan uitleggen waarom in Italië de renaissance ontstond en waardoor deze kon verspreiden (verdiepingsstof).

In de middeleeuwen dachten mensen heel anders dan hoe het merendeel van de mensen vandaag de dag denkt. In middeleeuws Europa was het heel normaal om het leven op aarde te zien als een tussenfase waarin jij je moest voorbereiden op het leven na de dood. Alles in het leven deed je om uiteindelijk een plaatsje in de hemel te krijgen. In de renaissance – ongeveer van 1300 tot 1600 – vond een mentaliteitsverandering plaats. De mens begon op zichzelf te vertrouwen en zichzelf centraal te stellen. Zo dacht men dat je als mens allemaal talenten had, die ontplooid konden worden. Met die talenten kon jij jezelf en de wereld verbeteren. Deze manier van denken noemen we het humanisme. Door deze humanistische gedachtegang kwam er steeds meer interesse in het leven op aarde en de werking van natuur en samenleving: ‘want waar kwamen die talenten vandaan’, vroeg men zich af. Als de mens zich volledig had ontwikkeld, dan werd hij een uomo universale (universeel mens) genoemd. Een goed voorbeeld van zo’n universeel mens is Leonardo da Vinci. Hij hield zich bezig met de werking van het menselijk lichaam, deed aan natuur- en scheikunde, was kunstenaar, hij ontwierp gebouwen en apparaten en stond bekend als muzikant.

Een belangrijk aspect van de renaissance was dat mensen nieuwe inspiratie zochten in het verleden. Vooral de cultuur van de Grieken en de Romeinen uit de oudheid werd herontdekt. Bij deze herontdekking van de klassieke oudheid speelden humanistische geleerden een belangrijke rol. Zij gingen gebruik maken van de ideeën opgeschreven door Griekse en Romeinse wetenschappers en schrijvers, om met die kennis de wereld te verbeteren. Vooral op de gebieden van (bouw- en schilder)kunst, literatuur en het denken over politiek zien we die ideeën uit de oudheid terugkomen (zie ook bronnen 3 t/m 5). Dankzij de leergierigheid en kritische instelling werd de mens gestimuleerd zelfs verder te kijken dan de wetenschappelijke ideeën uit de klassieke oudheid. Men nam deze klassieke ideeën niet alleen over. De ideeën werden zelfs verbeterd! Ook werd geëxperimenteerd om tot meer kennis te komen. Iets wat tot dan toe nauwelijks werd gedaan.

Ontstaan en verspreiding

Waardoor ontstond die verandering in denken? Waarom specifiek in Italië? Daarvoor zijn een aantal oorzaken te geven. Allereerst in Italië waar de renaissance begon, waren veel stadstaten zoals Florence en Pisa. Een deel van de inwoners van deze stadstaten waren rijk geworden door handel en nijverheid. In de Italiaanse steden was zo een rijke elite ontstaan. Deze burgers wilden hun rijkdom tonen. Zij gaven kunstenaars opdracht kunst, gebouwen en beelden te ontwerpen die de macht toonde van de opdrachtgever maar ook de welzijn van de stad bevorderde. Zo werd er opdracht gegeven om bibliotheken aan te leggen waarvan iedereen gebruik kon maken. De ene burger wilde de andere overtreffen. Zo ontstond een klimaat van culturele bloei en vernieuwing.

In Italië greep men terug op de schoonheid van de oudheid, omdat resten van dit verleden nog overal zichtbaar waren en de macht van het Romeinse Rijk weerspiegelden. Bovendien waren allemaal geschriften van Griekse en Romeinse denkers teruggevonden in Italiaanse kloosters, maar ook geschriften die door de kruistochten vanuit het Midden-Oosten mee terug waren genomen naar Europa.

Dat de renaissance ideeën zich snel verspreiden door Europa was te danken aan de boekdrukkunst. Kunstenaars en geleerden konden hun ideeën opschrijven en goedkoop laten kopiëren. Deze kopieën konden door heel Europa verspreid worden. Dankzij deze gekopieerde werken kon kennis makkelijk van de ene geleerde, wonend in Italië, aan andere geleerden en geïnteresseerden aan de andere kant van Europa worden doorgegeven zonder dat de inhoud van een werk werd veranderd. Wetenschappers konden zo elkaars onderzoek controleren en herhalen.

Bron 3. De twee afbeeldingen laten de overgang zien van middeleeuwse kunst naar renaissance kunst. Middeleeuwse kunstenaars waren voornamelijk bezig met het uitbeelden van godsdienstige onderwerpen (bovenste afbeelding: Maria, kindje Jezus en heiligen), waarbij de symbolische betekenis van het religieuze onderwerp duidelijk moest zijn. Hoe daarbij de personen afgebeeld werden, was minder belangrijk. In de renaissance kunst werd het waarheidsgetrouw afbeelden van personen, dieren en voorwerpen wel belangrijk (onderste afbeelding: Maria, kindje Jezus en heiligen). De renaissancekunstenaars hadden veel meer aandacht voor perspectief, licht en schaduw en natuurgetrouwe kleuren. Alles moest levensecht zijn en emotie uitstralen. Dit gold niet alleen voor schilders, maar ook voor beeldhouwers en architecten. Beeldhouwers gingen beelden maken die levensecht leken, na Grieks voorbeeld. De beeldhouwers vervaardigden beelden die anatomisch correct waren. Architecten begonnen de bouwkunst uit de klassieke oudheid te imiteren. Kijk eens in jouw omgeving. Misschien vind je wel een beeld of een gebouw dat heel Grieks lijkt, maar niet in de oudheid is vervaardigd.

Bron 4. De goddelijke komedie van de schrijver Dante, is een voorbeeld van de verandering in literatuur tijdens de renaissance. Waar in de middeleeuwen voornamelijk in Latijn werd geschreven, daar schreef Dante zijn werk in het Italiaans (een volkstaal). Dit was heel bijzonder, want tijdens de middeleeuwen was lezen alleen weggelegd voor geestelijken die het Latijn konden lezen. Dankzij schrijvers als Dante werd literatuur, zowel christelijk als niet christelijk, toegankelijk voor gewone mensen. Het gevolg was dat mensen die nu teksten in de volkstaal gingen lezen over christelijke onderwerpen, een eigen visie op het geloof gingen ontwikkelen.
Bron 5. Tijdens de renaissance veranderde het denken over de politiek. In de middeleeuwen werd politiek gezien als onderdeel van een goddelijk plan: de vorst was door god gekozen om te regeren over mensen. In de geschriften van de oudheid stond hier niets over. In deze geschriften stond wel dat de machthebbers zouden moeten handelen in het belang van de gemeenschap. De renaissancedenkers gingen zelf ook hun eigen machthebbers bestuderen. De Italiaan Niccolò Machiavelli (1469-1527) onderzocht alle bestuursvormen in zijn boek Il Principe (De Vorst), om te kijken welke bestuursvorm het meest effectief was. Zijn conclusie: als de vorst het meest effectief wil besturen, dan moet hij als een dictator regeren. Niet elke burger is namelijk in staat om te beslissen wat goed is voor de samenleving. De staat en dus het welzijn van iedereen moest voor het individu komen. Machiavelli gaf daarmee aan dat er soms slachtoffers moesten vallen om een hoger doel te bereiken. Door zijn aanpak wordt het boek van Machiavelli nog steeds door veel politici gelezen.

Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


2. Overzeese expansie

Leerdoelen

Klik op de video om de leertekst te beluisteren.

  • Kan aangeven dat het wegvallen van de veiligheid geboden door het Mongoolse Rijk de aanleiding vormde voor de Europeanen om opzoek te gaan naar een alternatieve route richting Azië.
  • Kan de Europese drang naar expansie vanuit economisch, religieus en politiek perspectief verklaren.
  • Kan aangeven dat de Europese ontdekkingsreizen mogelijk waren door nieuwe technische middelen.

De in bron 6 afgebeelde verovering is maar één van de vele Europese veroveringen uit de 15e en 16e eeuw. Wat hadden de Europeanen te zoeken in Amerika? Wat dreef hen ertoe om de zeeën te gaan bevaren richting bijna alle continenten? De aanleiding voor de ontdekkingsdrift was de ineenstorting van het Mongoolse Rijk. Via een handelsroute naar dit rijk, haalden de Europeanen in de middeleeuwen hun exotische specerijen en goederen. Vandaar dat de handelsroute de zijderoute heette, vernoemd naar de dure stof zijde die uit Azië kwam; waarvan één gram meer waard was dan één gram goud. Bovendien was de zijderoute speciaal. Het was een van de meest veilige routes naar Azië. Daar had het Mongoolse Rijk voor gezorgd door de routes te laten bewaken door soldaten. Rovers en bandieten werden bij overvalpogingen van handelskaravanen streng gestraft door de Khan, de leider van het rijk. De Khan had door verschillende redenen moeite met zijn rijk bij elkaar houden, waardoor het uiteindelijk in 1294 uiteenviel. Dit uiteenvallen had als gevolg dat de wegen die de Europese reizigers en handelaren namen richting Azië niet meer werden beschermd.

Naast het wegvallen van die Mongoolse veiligheid, kregen Europa en Azië te maken met pestepidemieën. Deze pest – ook wel de Zwarte Dood genoemd – maakte geen onderscheid tussen arm, rijk, jong of oud. De kans om de dood te vinden aan de hand van deze zeer besmettelijke ziekte of een roversmes, maakte dat weinig Europeanen de tocht naar Azië over land durfden te maken over de oude Mongoolse handelsroutes, noch het aandurfden om via schepen naar Azië te varen. Uiteindelijk zou de handel in exotische producten weer opgepakt worden door het Ottomaanse Rijk.

Bron 6. Een moderne kopie van een Azteekse tekening uit de 16e eeuw. In het donker groene pak, gezeten op een paard, de Spaanse veroveraar Nuño Beltrán de Guzmán tijdens zijn zeer gewelddadige verovering van het indiaanse koninkrijk Michoacán in Zuid-Amerika. De Azteekse indianen zouden niet alleen vermoord worden door Spaans staal, maar ook door de ziektes die de Spanjaarden onbewust met zich meenamen.
Bron 7. De Zijderoute was de meest gebruikte handelsroute in de aanvoer van specerijen en andere luxeproducten vanuit Azië en Afrika. Doordat deze route uiteindelijk wegviel en de Ottomanen (het huidige Midden-Oosten) te hoge belastingen vroegen, gingen Europeanen opzoek naar andere routes naar 'Indië'.
Bron 8. De meest gewilde producten die langs de zijderoute werden vervoerd, waren producten die niet in Europa te verkrijgen waren. Later zouden diezelfde producten over zee vervoerd worden door grote Europese handelsschepen.

Maar ook het Ottomaanse Rijk – dat na het Mongoolse Rijk de rol van beschermer van de handelsroutes had overgenomen en de handel volledig in handen had – vormde een belemmering voor de Europeanen. De Ottomanen vroegen steeds hogere handelsbelastingen. Dus wilden de Europeanen opzoek gaan naar een andere alternatieve route naar ‘Indië’, de naam voor Azië in de 15e en 16e eeuw. Een route die veilig was en lang niet zo duur als de landroutes die door het Ottomaanse Rijk liepen. Vanuit economisch oogpunt vormde zo’n eigen route de motivatie om uiteindelijk de handel in exotische producten over te nemen, want die konden immers voor veel geld worden verhandeld. Een eigen route zou dan betekenen dat alle inkomsten uit specerijen, zijde, keramiek en andere producten naar de Europese handelaren gingen die de gevaarlijke reis aandurfden. Zo hoefden zij niet meer een deel af te staan aan de Ottomanen in de vorm van belastingen. Vooral de Portugezen en Spanjaarden verlangden naar een eigen veilige en winstgevende handelsroute.

Niet alleen handelsbelangen speelden mee in een zoektocht naar een alternatieve route. Een andere oorzaak is de drang van de Europese christelijke vorsten om nieuwe volken te bekeren. Daarbij werd vaak het nieuwe land ingenomen en gekoloniseerd. ‘Want de christelijke overgang moest worden begeleid’, zo vonden de christelijke vorsten. Daarom gingen vaak geestelijken mee aan boord van de schepen.

De laatste reden was dat het technisch mogelijk was om over zee te varen, van het land af en veilig terug te keren. De schepen verschilden van de middeleeuwse schepen in dat zij wendbaarder waren, sneller en meer ruimte hadden om bijvoorbeeld voedsel en goederen op te slaan. Bovendien werden de ontwerpen van Chinese en Arabische navigatie-instrumenten overgenomen, hierdoor werd het navigeren over open zee mogelijk.

Bron 9. Door het overnemen van de navigatie instrumenten uit Azië kon over open zee worden gevaren. Bovendien werden de wiskundige ideeen uit de oudheid toegepast in de scheepvaart, hierdoor werd het veel makkelijker de positie op een kaart te berekenen.
Bron 10. Handelaar Marco Polo was een van de eerste die de tocht naar Azië. Het unieke van Polo was dat hij na zijn terugkeer in Europa zijn verhalen liet opschrijven met veel details. Deze verhalen zouden een bron van kennis blijken in de ontwikkeling van kaarten geschikt voor de scheepvaart naar Azië en Amerika, waaronder de reis van Columbus.

Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


3. Een veranderend wereldbeeld

Leerdoelen

Klik op de video om de leertekst te beluisteren.

  • Kent de lange termijn gevolgen van de ontdekkingsreizen en kan uitleggen per gevolg of het gaat om een economisch, politiek, cultureel, sociaal of religieus gevolg.
  • Kan uitleggen waarom de Europeanen een bekeringsdrang hadden.
  • Kan uitleggen wat een mensbeeld en een wereldbeeld is en deze herkennen in geschreven en ongeschreven bronnen.

Tijdens de verre reizen naar Afrika, Amerika en Azië werden veel bijzonderheden ontdekt. Deze hadden economische gevolgen: de Portugezen en Spanjaarden zetten een handel op in specerijen. Later werden zij opgevolgd door de Nederlanders en Engelsen. Ook maakte men kennis met nieuwe producten, planten, grondstoffen. Planten als de aardappel werden uit Zuid-Amerika naar andere werelddelen vervoerd. Door de handel in al deze producten, werd de basis gelegd voor een wereldeconomie. Daarnaast veranderende door de ontdekkingsreizen het wereldbeeld van de Europeanen. Zo bleken de continenten er anders uit te zien dan voorheen werd gedacht. Ook bleken er onbekende gebieden te bestaan. Dit had de tocht van Columbus in 1492 aangetoond toen hij per ongeluk Amerika ontdekte in zijn zoektocht naar een route richting Azië die niet om Afrika heen leidde.

 

Een nieuwe wereld

De kustgebieden van de nieuw ontdekte en de oude werelddelen zouden steeds beter in kaart worden gebracht. In Azië en Afrika zouden de ontdekkingen beperkt blijven tot de kustgebieden, waar bevoorradings- en handelsposten werden opgezet. De binnenlandse gebieden van deze twee continenten werden dan ook nauwelijks in kaart gebracht. Dit gold niet voor Amerika. In Amerika eigenden de conquistadores als Cortés zich wel grote stukken van het binnenland toe, gelokt door verhalen over steden van goud en bergen van zilver. Zowel de Portugezen als de Spanjaarden trokken het binnenland in. 

Bron 11. In de verdragen van Tordesillas en Saragossa werden onderlinge afspraken gemaakt tussen Spanje en Portugal, waar zij hun rijken mochten uitbreiden. Als je weer een bol van de kaart zou maken, mag alles links van de paarse lijn tot en met de groene lijn door Spanje gekoloniseerd worden. Alles links van de groene lijn tot aan de paarse lijn mag door Portugal ingenomen worden.
Bron 12. De gekoloniseerde gebieden door Spanje (rood) en Portugal (blauw). Kan jij een verklaring geven voor de verdeling van deze gebieden? Hoe zie je in het heden nog steeds die verdeling terug?

Deze veroveringsdrang zou uiteindelijk tot een onderlinge ruzie leiden tussen de zeevarende naties uit de 16e eeuw. Van wie was dit nieuw ontdekte land: Portugal of Spanje? De Paus werd om hulp gevraagd. Hij besliste in het voordeel van Spanje. Portugal kwam in protest. Uiteindelijk werd een compromis gesloten tussen beide landen: het Verdrag van Tordesillas (bron 11). Een overeenkomst waar zowel Spanje als Portugal mee kon leven.  

In de nieuw ontdekte gebieden werden de christelijke ontdekkingsreizigers geconfronteerd met wonderlijke nieuwe gebruiken van de plaatselijke bevolkingen. In de ogen van deze ontdekkingsreizigers waren het duivelse culturen. Zij interpreteerden de nieuw ontdekte wereld vanuit hun eigen cultuur, christelijke geloof en normen en waarden. Op die manier leken de beschavingen uit Afrika, Azië en Amerika vaak minder ver ontwikkeld. Vaak werd door de Europeanen gedacht dat het ontbrekende christelijke geloof daar de oorzaak van was. Zij wilden deze nieuwe volken dan ook bekeren, om zo hen verder te laten ontwikkelen. Achter deze bekeringsdrang zaten vaak goede bedoelingen, maar in de praktijk werd vaak bekeerd met veel geweld. Door de grote verschillen in cultuur tussen Europa en de rest van de wereld, werden de Europeanen gedwongen kritisch te kijken naar het mensbeeld dat zij van zichzelf hadden. Hoe groot waren de verschillen tussen mensen? Was er verschil tussen mensen met een ‘getinte’ huidskleur en de ‘blanke’ Europeanen? Waren sommige mensen beter dan de andere? Had de één het recht om de ander als dier te behandelen? En zo ja, mocht zo’n ‘dier’ dan als bezit worden gezien?

Bron 13. Deze twee schilderijen van Columbus' landing in Amerika, laat zien hoe de eerste ontdekkingsreizen waren georganiseerd.

Bron 14. Een kaart uit 1658 laat zien dat in een eeuw tijd de vormen van de continenten beter in kaart werden gebracht. Door de ontdekkingsreizen kwam er veel nieuwe kennis vrij, die later ingezet zou worden om grote overzeese gebieden te veroveren.

Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


4. De kerk verscheurd

Leerdoelen
  • Kan uitleggen waarom Maarten Luther kritiek had op de heiligenverering, de organisatie van de kerk en de aflatenhandel.
  • Kan Luthers protest verklaren vanuit zijn standplaatsgebondenheid.
  • Kan misstanden in de katholieke kerk herkennen in geschreven en ongeschreven bronnen.
  • Kent de 7 sacramenten van de Kerk en welke door Maarten Luther werden geaccepteerd (verdiepingsstof).

Vanuit het midden van het Heilige Roomse Rijk (Duitsland) kwam de 26-jarige monnik Maarten Luther aan in de stad Rome. Deze stad was het centrum van de christelijke wereld volgens de Katholieke Kerk. Hij had een stad van God verwacht, geheel gericht op het eren van God zoals voorgeschreven was door het katholieke geloof in de Bijbel. De stad bleek heel anders dan Luther zich had voorgesteld. Het geloof werd verkocht: beelden van heiligen kon je kopen op elke hoek van de straat en zogenaamde ‘echte’ relieken van heiligen werden verkocht. Verkopers vertelden dat deze relieken de de oplossing vormde voor al je problemen, zelfs armoede en de pest kon genezen worden met zo’n reliek. Maar dat vond Luther nog niet het ergste. Voor elk onderdeel van het geloof moest je betalen. Met dit geld begon de kerk zich te verrijken. En de paus zelf? Die was bijna nooit in Rome, maar was te vinden in zijn zomerpaleis of voerde oorlog om de kerkelijke staat het Vaticaan uit te breiden.

Eenmaal terug in zijn woonplaats Wittenberg, groeide Luthers afkeer van die kerkelijke gebruiken. Na kritisch de Bijbel bestuurd te hebben, besloot hij in 1517 zijn kritiek te uiten in 95 stellingen, ook wel uitspraken genoemd. Luthers kritiek was gericht op vier aspecten of misstanden: de heiligenverering, de organisatie van de kerk, de aflatenhandel en een aantal sacramenten.

Bron 15. Versiering bovenaan de aflaatbrief van Paus Urbanus IV aan de Abdij van Herkenrode, 1363.
Misstanden

Allereerst geloofde Luther niet in het vereren van heiligen en vond dat het gebruik inging tegen de Bijbel. Heiligenverering was in de middeleeuwse kerk heel gebruikelijk. Heiligen kregen na hun dood de titel Sint. Maria de moeder van Jezus, Sint-Nicolaas en Sint-Maarten waren mensen geweest, die tijdens hun leven uitzonderlijke daden hadden verricht uit naam van God. Daardoor werd gedacht dat de heiligen dichter bij God stonden dan normale mensen. Doordat de heiligen dicht bij God stonden, werden ze gezien als bemiddelaar of tussenpersoon tussen de gelovige en God of konden de gelovige uit moeilijke situaties helpen. De mensen uit de middeleeuwen dachten dan ook dat bidden tot een heilige grotendeels hetzelfde was als bidden tot God. In de Bijbel stond alleen niets over heiligenverering. Er stond juist het tegenovergestelde: je mocht niemand anders dan God vereren. Je mocht zelfs geen beeltenissen van hem maken en deze vereren.

Luther had ook moeite met de organisatie van de kerk. Er was een strenge kerkelijke rangorde van: paus, bisschoppen en lagere geestelijkheid. In deze rangorde was de paus zijn woord wet. Banen in de kerk konden gekocht worden, zonder dat jij kennis had van het geloof of er een studie voor had gevolgd. Tevens had Luther moeite met dat de paus zich gedroeg als een god. ‘Niet de paus, maar God alleen kon mensen voor hun wandaden in het leven vergeven’, verkondigde Luther. Het was dan ook aan God om de daden van een gelovige na zijn dood te beoordelen. Luther vond dat geen enkel mens, ook de paus niet, de bedoelingen van God kon begrijpen en dus uit zijn naam spreken. Het was aan de gelovige om door goede daden te verrichten en daarmee te bewijzen dat hij naar de hemel mocht. Als de gelovige werd toegelaten dan had God hem zijn slechte daden vergeven. Dit aspect zou uiteindelijk door anderen geïnterpreteerd worden als: de gelovige moest naar God opzoek gaan door de Bijbel te lezen, te interpreteren en zelf bepalen wat wel en niet mag volgens de Bijbel. Hierdoor werden geestelijken van hoog tot laag minder belangrijk of waren zelfs niet meer nodig.

Maarten Luther uitte tevens kritiek op de aflatenhandel. Een aflaat was een brief of een papieren bewijs dat zonden kwijtschold. Gebruikelijk kreeg je in de middeleeuwen een aflaat van de kerk als je een goede daad had verricht. Langzamerhand was het gebruik ontstaan dat deze bewijzen ook gekocht konden worden. In eerste instantie voor specifieke zonden. Om de aflaten handel nog winstgevender te maken, zouden ook blanco aflaten worden verkocht. De gelovige kon dan zelf invullen voor welke daden hij vergeven wilde worden. Het krijgen van aflaten veranderde. Goede daden werden niet meer beloond met aflaten. Een aflaatbrief kon alleen nog maar gekocht worden. Luther stoorde zich aan de manier waarop de kerk dit systeem gebruikte om zichzelf te verrijken. De paus liet de meest grote paleizen bouwen; waarna hij opdracht gaf tot het schilderen van kunstwerken voor in het paleis. Ook werden kerken versierd met goud en zilver. Deze zelfverrijking ging ten kostte van de arme bevolking. De armen staken hun geld in aflaten, terwijl veel van hen niet eens genoeg geld hadden om eten te kopen. Velen geloofden immers nog steeds dat het leven op aarde maar tijdelijk was en het hiernamaals voor eeuwig.

Sacramenten

Maarten Luthers laatste kritiek richtte zich op enkele kerkelijke sacramenten. In de middeleeuwen was het de taak van geestelijken om ervoor te zorgen dat de zielen van gelovigen in de hemel kwamen. De kerk had daar zeven rituelen voor, zogenoemde sacramenten:

  1. De doop. Door iemand de dopen wordt hij opgenomen in de christelijke gemeenschap. Door lid te zijn van de christelijke gemeenschap kan je uiteindelijk in de hemel terecht komen.
  2. Het vormsel. Waarbij je voor het eerst echt gaat deelnemen aan kerkelijke diensten.
  3. De eucharistie, ook wel het avondmaal genoemd. Tijdens dit ritueel wordt brood en wijn uitgedeeld, zoals Jezus dit deed op een van de laatste avonden voordat hij gekruisigd zou worden. Tijdens het eten en drinken zou dat voedsel omgezet worden in het lichaam en bloed van Jezus. Door dit te eten en drinken zouden de zonden van de gelovigen vergeven worden.
  4. De biecht, waarin de zonden worden uitgesproken
  5. De wijding tot priester.
  6. Het huwelijk.
  7. Het sacrament voor zieken of stervenden.

Luther weigerde alle sacramenten te aanvaarden. Hij accepteerde de doop, het avondmaal en de biecht omdat deze direct met het vergeven van zonden hadden te maken en de mogelijkheid om in de hemel te komen. De rest van de sacramenten werden door Luther gezien als een bijdrage aan de zelfverrijking van de kerk, aangezien een priester aanwezig moest zijn bij het uitvoeren van zo’n ritueel. Voor deze aanwezigheid moest betaald worden.

Bron 16. Het plafond van de Sixtijnse kapel van het Vaticaan werd grotendeels bekostigd door de aflatenhandel. Door de beeltenissen van heiligen, Adam en zelfs God staat dit plafond symbool voor alles waartegen Maarten Luther in protest kwam.
Bron 17. Op een gedeelte van het plafond van de Sixtijnse kapel staan Adam en God afgebeeld. De schilder Michelangelo wilde de connectie tussen mens en God afbeelden.

Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


5. Godsdienstoorlogen

Leerdoelen
  • Kent de ontstaansredenen van de Reformatie en de Contrareformatie uit de 16e eeuw.
  • Kan de religieuze, sociale, politieke en economische gevolgen van de Reformatie en de Contrareformatie beredeneren.
  • Kan het verschil tussen de geloofsstromingen van Maarten Luther (lutheranisme) en Johannes Calvijn (calvinisme) beargumenteren.
  • Kent de pragmatische reden van edelen/vorsten om protestants te worden (verdiepingsstof).

Maarten Luther mocht dan kritiek hebben op de gang van zaken in de Katholieke Kerk, het was nooit zijn bedoeling om de Kerk af te schaffen. Hij wilde verandering: een reformatie, dat letterlijk hervorming betekent. De periode die daarop volgde waarin in de 16e eeuw geprobeerd werd het christelijke geloof van alle misstanden te zuiveren, noemen we dan ook de Reformatie. Luther wilde het katholicisme van binnenuit hervormen. Toch was hij niet de eerste geweest die kritiek had geuit op de Kerk. Anderen hadden geprobeerd de Katholieke Kerk te hervormen, maar waren hier niet in geslaagd. De Kerk had namelijk streng opgetreden tegen critici. Anders denkenden werden bestempeld als ketters. Deze werden opgepakt door speciale kerkelijke rechtbanken (Inquisitie). Na een kort proces werden veel van deze ketters op de brandstapel gegooid. Zo kon kritiek gericht tegen de Katholieke Kerk zich nooit verder verspreiden. Toch zou het de Kerk nooit lukken critici volledig het zwijgen op te leggen.

 

Kerkhervormers

Kerkcriticus Maarten Luther kreeg veel meer volgelingen dan zijn kritische voorgangers. Dat kwam niet alleen omdat velen het eens waren met zijn stellingen, maar ook omdat hij deze nieuwe kritische houding toegankelijker had gemaakt. Want de kritiek op basis van de Bijbel werd verspreid in het Duits in plaats van Latijn, de kerkelijke taal. Zo konden medecritici Luthers kritiek bevestigen door zelf de Bijbel te lezen – die ook in het Duits beschikbaar waren. Doordat Luthers aanhangers zijn leer overnamen, steeg het aantal protestanten in rap tempo.

De kerk besloot Luther en zijn protestanten te vervolgen. De Katholieke Kerk onderschatte de situatie. Dit protestantse probleem was niet op te lossen door als van oudsher critici het zwijgen op te leggen. Daardoor kwam het tot een scheuring in de kerk (bron 20). Luther was niet de enige die kritiek uitte. Ook Johannes Calvijn kwam in botsing met de kerk. Alleen waar Luther nog altijd zei dat er een hoofd was van de kerk – dit kon ook een vorst zijn als deze ook protestant was – daar zei Calvijn dat gelovigen geen hoofd van de kerk nodig hadden en zichzelf prima konden besturen. Calvijn zette met die uitspraak niet alleen de Kerk buitenspel, maar ook de vorst.

Bron 18. De Inquisitie was gericht op het behoud van gelovigen. Ketters kregen de kans om berouw te tonen. Na een lang proces kregen sommige rijke ketters na publieke vernedering de kans terug te keren in de kerk. Op de afbeelding zie je een publieke vernedering in Madrid.
Bron 19. Ketters kregen vaak niet eens de kans zich terug te bekeren. Als de bekering wel geslaagd was, dan werd er gezuiverd door voor. Om ervoor te zorgen dat de ziel van de ketter toch in in de hemel kwam, werden alle zonden letterlijk weggebrand.
Contrareformatie

De Reformatie had grote gevolgen. De Katholieke Kerk reageerde natuurlijk op de ontwikkeling van het protestantisme, de verzamelnaam voor de nieuwe christelijke stroming gebaseerd op de ideeën van de kerkcritici/hervormers. Toen in de loop van de jaren steeds meer mensen de kerk verlieten om dezelfde redenen als die Luther had aangekaart, werd besloten de verkoop van aflaatbrieven te verbieden. Ook werd benadrukt dat heiligen vereerd mochten worden, maar niet aanbeden mochten worden als goden. Tegelijkertijd werd besloten om de ketterse protestanten strenger te vervolgen: de Inquisitie werd uitgebreid. Deze ontwikkeling noemen we de Contrareformatie.

Ook katholieke vorsten vreesden de ideeën van de kerkhervormers en dan vooral die van Johannes Calvijn. Vorsten geloofden dat zij hun macht hadden gekregen van God. Calvijn verkondigde immers dat de protestantse gelovigen prima zonder deze vorsten konden leven. De geloofsgemeenschap kon zichzelf wel besturen. Hierdoor zouden katholieke vorsten flink wat macht verliezen. Bovendien was die manier van denken maar één stapje verwijderd van het in opstand komen tegen de koning. Daarom begonnen katholieke koningen de Inquisitie een handje te helpen; iets wat enorme politieke gevolgen zou hebben.

Door het ontstane protestantisme en het vervolgen van gelovigen ontstond een tweedeling in Europa. Veel noordelijke landen, waaronder Engeland, Nederland, gebieden in Duitsland en de Scandinavische landen, zouden protestants worden. Zowel de paus als de katholieke vorsten zouden proberen deze nieuwe protestantse landen proberen terug te veroveren. Hierdoor kwamen de protestanten lijnrecht tegenover katholieken te staan. De oorlogen die daarop volgden noemen we de godsdienstoorlogen.

Bron 20. De verschillende Europese religies op het hoogtepunt van de godsdienstoorlogen.
Bron 21. Om te kunnen scheiden van zijn vrouw Catherina, richtte de Engelse koning Hendrik VIII de Anglicaanse kerk op waarvan hij het hoofd werd. Zo kon hij zijn eigen echtscheiding goedkeuren, zonder dat hij de goedkeuring nodig had van de paus.
Protestant of profiteur?

In de 16e eeuw regeerde het Spaanse vorstenhuis, de Habsburgers, over de gebieden in het Heilige Rooms Rijk (HRR) in het huidige Duitsland. De Spaanse vorst was keizer van het HRR. Hij kon dit gigantische rijk niet alleen regeren. Het staatshoofd moest gebruik maken van plaatselijke hoge edelen. Deze edelen zouden uit naam van de keizer een gebied besturen. Als bestuurder kreeg die edele dan de titel prins of in sommige gevallen zelfs koning. Maar zij moesten altijd de Habsburgse keizer gehoorzamen.

Met de komst van het protestantisme hadden de prinsen en koningen in het HRR een alternatief. God had een koning aangesteld om te regeren was het idee in de 16e eeuw. Maar omdat de Habsburgse vorst katholiek was, hoorde hij niet bij het ware geloof en dus geloofde hij niet op de juiste manier in God. Als protestantse prins in het HRR was het dus niet aanvaardbaar om de keizer te volgen, aangezien je dan ook tegen God inging. Afstand nemen van het katholieke geloof, betekende ook afstand doen van de Habsburgse keizer. Een voordeel was dat een protestantse prins nu zelf de machtigste was in zijn vorstendom en geen verantwoording meer hoefde af te leggen aan een keizer die in Spanje verbleef. Historici vragen zich vandaag de dag ook af of elke Europese vorst die zich protestant verklaarde dit deed vanuit het geloof of vanuit politiek oogpunt zoals de Engelse koning Hendrik VIII deed.

Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Login om aantekeningen te kunnen maken
  Subscribe  
Abonneren op