Hoe formuleer ik een (onderzoeks)vraag?

Een geschiedenisverhaal schrijven is onderzoek doen naar het verleden. Dit verleden bestaat uit gebeurtenissen die al voltrokken zijn, maar het verhaal over het verleden staat niet vast. Dit verhaal bestaat uit bronkeuzes en perspectiefkeuzes. Om een samenhangend verhaal te schrijven moet je keuzes maken. Er bestaan namelijk ook bronnen die je niet kan gebruiken. Welke bronnen besluit je dan te gebruiken om je geschiedenisverhaal te schrijven? Vanuit welk perspectief wordt het geschiedenisverhaal geschreven? Het antwoord op die vragen zijn grotendeels afhankelijk van welke vraag je stelt over wat je wil onderzoeken? Wil je alleen weten welke politieke besluiten Napoleon gedaan heeft in 1810, dan hoef je deze alleen maar te beschrijven vanuit een politiek perspectief met behulp van een paar bronnen. Besluit je dieper op de beweegredenen van Napoleon om deze politieke besluiten uit te voeren in te gaan, dan wordt de vraag al weer lastiger en moet je verschillende bronnen gebruiken. Je noemt zo’n vraag waarbij je onderzoek doet naar het verleden ook wel een onderzoeksvraag of een historische onderzoeksvraag.

Soorten onderzoeksvragen

Er bestaan veel verschillende soorten onderzoeksvragen. Zoals al eerder gesteld is, bepaald het soort onderzoeksvraag ook je onderzoeksrichting en het onderwerp. Je onderzoeksvraag is altijd lijdend in je onderzoek of werkstuk. Je hoort uiteindelijk in een lopend verhaal antwoord te geven op je onderzoeksvraag. Een onderzoek of werkstuk is dan ook het op grote schaal uitwerken van de OUD-structuur, uitgelegd in Hoe beantwoord ik een (toets)vraag? Je hebt verschillende type onderzoeksvragen. In de onderstaande tabel staan de verschillende onderzoekstypen gesorteerd op moeilijkheid waar onderzoeksvragen uit voort zullen komen.

Bij het schrijven van je onderzoek of werkstuk kun je gebruik maken van al deze onderzoeksvragen. Laat je onderzoeksvraag altijd aansluiten bij wat je wilt onderzoeken. Als je alleen een onderwerp wilt beschrijven dan heeft het geen zin om een evaluerende vraag te stellen. Andersom geld dat natuurlijk ook. Wanneer je wilt evalueren dan is een beschrijvende vraag niet geschikt als onderzoeksvraag.

Wees niet bang om meerdere vragen te stellen. Een onderzoeksvraag kan groot zijn en uit meerdere gedeeltes bestaan waar je een antwoord op gaat zoeken. Deze gedeeltes zouden ook uitgewerkt kunnen worden in vragen. Die noem je dan deelvragen. Deze deelvragen geven sturing aan je onderzoek. Door deze kleinere vragen te beantwoorden geef je uiteindelijk antwoord op de grotere (onderzoeks)vraag.

“Formuleer altijd een vraag naar aanleiding van de volgende vragen: ‘Wat vind ik zelf het meest interessant? Wat vindt mijn docent het meest interessant? Waar heeft de maatschappij behoefte aan? Waarover kan ik de meeste informatie vinden? Welk onderwerp is het meest actueel’?”

Wat zijn de kenmerken? Wie moet dit uitvoeren? Hoe ziet het er uit? Hoe heeft het zich voltrokken?

Beschrijvende vragen zijn handig om een onderwerp te verkennen. Deze vragen laten zien hoe iets is of was. Het antwoord op een beschrijvende vraag beschrijft bijvoorbeeld een situatie in het verleden, een persoon of een historisch begrip. Voorbeelden van beschrijvende vragen: welke militaire maatregelen nam Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog? Wat was het grootste concentratiekamp tijdens de Tweede Wereldoorlog? Hoeveel soldaten werden tijdens de Eerste Wereldoorlog aan het oostfront ingezet door Duitsland?

Wat zijn de verschillen? Wat zijn de overeenkomsten? In welke opzichten zijn ze anders? Op welke punten lijken ze op elkaar?

Als je verschillen en overeenkomsten wilt aantonen, dan doe je dit met een vergelijkende vraag. Een vergelijkende vraag kan gesteld worden vanuit verschillende perspectieven. Voorbeelden van vergelijkende vragen: wat was het verschil tussen het katholicisme en het protestantisme aan het begin van de 17e eeuw? Wat waren de overeenkomsten tussen het bestuur van Karel V en het bestuur van Filips II in het Heilige Roomse Rijk?

Hoe kan het getypeerd worden? Wat is de beste omschrijving? Waar is het een voorbeeld van? In welke categorie hoort het thuis?

Met een definiërende vraag zoek je uit hoe het onderzoeksonderwerp zich verhoudt tot het grotere geheel. Je kunt een verschijnsel, persoon of gebeurtenis indelen. Voorbeelden van definiërende vragen: hoe kan je de verschillende zuilen in Nederland na de Tweede Wereldoorlog het beste indelen? Onder welke politieke stroming valt de nazipolitiek in 1935?

Wat zijn de positieve punten? Wat is de waarde ervan? Hoe goed werkt het of heeft het gewerkt? Hoe wenselijk was het? Wat waren de voor of nadelen?

Bij evaluerende vragen wil je de waarde ergens van vaststellen. Je wilt bekijken of een gebeurtenis of persoon positief of negatief is ontvangen. Met evaluerende vragen wordt vaak een oordeel gegeven. Vaak zijn evaluerende vragen lastige vragen. Kan je vanuit het heden het verleden beoordelen? Bij een evaluerende vraag moet je dan ook het oordeel vellen zoals personen uit het verleden dat gedaan zouden hebben. Voorbeelden van evaluerende vragen: werd het nationaalsocialisme positief ontvangen door de Duitse bevolking? Hoe werd de Nederlandse opstand in 1568 door de meeste inwoners van de Nederlanden ontvangen?

Waar is/was dit een gevolg van? Hoe komt het dat? Wat zijn de oorzaken?

Verklarende vragen zijn er om de oorzaak van een verschijnsel/probleem te achterhalen. Ook worden deze vragen gebruikt om gebeurtenissen te verklaren. Vaak zijn verklarende vragen waarom vragen. Voorbeelden van verklarende vragen: waarom brak de Nederlandse Opstand in 1568 uit? Waarom had Adolf Hitler zoveel haat voor Joden?

In welke mate zal? Waar zal dat toe leiden? Zal in de toekomst? Waar moet X op voorbereid zijn?

Voorspellende vragen komen in het historisch onderzoek vrij weinig voor. Het verleden kan zich namelijk nooit herhalen. Toch kan je soms een voorspellende vraag formuleren. Voorbeeld van dat soort vragen: hoe zou de Nederlandse economie zich tijdens de 19e eeuw ontwikkeld hebben als geen kanalen werden gegraven maar spoorwegen werden aangelegd op massale schaal?

In hoeverre zal? In hoeverre was?

Metende vragen zijn bedoeld om te onderzoek welk effect gebeurtenis X of persoon Y gehad heeft voor het verdere verloop van de geschiedenis. Voorbeelden van metende vragen: in hoeverre zijn de bloedplakkaten in de 16e eeuw de oorzaak geweest voor het ontstaan van de Nederlandse Opstand. In hoeverre was Duitsland in 1936 een dictatuur?

Zijn jongens sneller dan meisjes? Welk effect zou X gehad hebben als Y niet was gebeurd?

Een toetsende vraag wordt gebruikt als je een bepaald wetenschappelijk vermoeden (hypothese) wilt bevestigen. Een voorbeeld van een toetsende vraag: was het Naziregime in Duitsland effectiever in het vervolgen van mensen dan het Sovjetregime in Rusland?

Beschrijvende vraag: hoe werd Nazi-Duitsland bestuurd van 1940 tot 1945?
Vergelijkende vraag: wat waren de politieke verschillen tussen Nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie van 1940 tot 1945?
Literatuur

Boone, Marc. Een inleiding tot de historische kritiek. Gent: Academia Press, 2011.

Buck, P. de, Zoeken en schrijven: handleiding bij het maken van een historisch werkstuk. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar Universitair, 2000.

Logtenberg, Albert. Questioning the Past: Student questioning and historical reasoning. Amsterdam: Ipskamp Drukkers B.V., 2012.

Scribbbr. Formuleren van een onderzoeksvraag. 19-11-2012.