De oorlog om alle oorlogen te beëindigen: de Eerste Wereldoorlog

Hoofdvragen

Wat zijn de oorzaken voor het ontstaan van een massasamenleving en hoe kon dat leiden tot een oorlog?

Op welke manier droeg nationalisme bij aan het ontstaan van een grote Europese oorlog?

Op welke manier droegen nationalisme, militarisme, bondgenootschappen, wapenwedloop en modern imperialisme bij aan het ontstaan en uit de hand lopen van een oorlog in Europa?

Waarom werd de oorlog van 1914-1918 een wereldoorlog genoemd?

Op welke manieren verschilde de Eerste Wereldoorlog van de oorlogen die daarvoor waren uitgevochten in Europa?

Aan het begin van de twintigste eeuw werd een grote tentoonstelling georganiseerd in Parijs: de wereldtentoonstelling. Zeven maanden lang konden bezoekers zien wat de wereld te bieden had. De nieuwste uitvindingen werden tentoongesteld; specerijen uit de hele wereld waren te ruiken en te proeven en er waren apparaten die met één druk op de knop halve dorpen konden wegvagen. De bezoekers verwonderden zich nog wel het meeste over het feit dat de mens dit voor elkaar had gekregen. Men dacht dat de mens elk probleem kon oplossen, alles wat bedacht werd kon ook gemaakt worden. De samenleving was maakbaar!

Bron 1. Een overzicht van de tentoonstelling in Parijs, 15 april 1900.

Kenmerkende aspecten
  • 37     De rol van Moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie.
  • 40     Het voeren van twee wereldoorlogen.
  • 41     Racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op joden.
  • 43     Verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering.
  • 44     Vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme.

1. Een massasamenleving

Leerdoelen
  • Kent 3 oorzaken voor het ontstaan van een massasamenleving.
  • Kan aangeven dat een massasamenleving oorlog voeren makkelijker maakt vanuit sociaal, politiek en economisch perspectief.
  • Kan aangeven dat communicatiemiddelen en propaganda bijdragen aan het effectief voeren van een oorlog.
  • Kan aangeven dat het modern imperialisme leidde tot spanningen tussen de grote mogendheden van Europa.

De wereldtentoonstelling in Parijs liet zien wat de wereld te bieden had. Vooral de Europese en Amerikaanse samenleving zag er heel anders uit dan honderd jaar daarvoor. Dit waren echte massasamenlevingen. Drie ontwikkelingen droegen bij aan het ontstaan van die nieuwe samenleving.

  • In de eerste plaats had de landbouw grote sprongen gemaakt. Op een klein oppervlakte kon veel voedsel geproduceerd worden. Hierdoor steeg het aantal mensen. Vooral in de industriegebieden en steden steeg het inwonersaantal snel. Naast meer voedsel, was deze stijging ook te danken aan een betere hygiëne. Overal was stromend water te vinden, een riool voor afvalwater en artsen wisten af van het bestaan van schadelijke bacteriën. Hierdoor kon de bestrijding van deze bacteriën worden aangepakt.
  • Een tweede grote verandering was terug te vinden in een grotere mobiliteit. Nieuwe vervoermiddelen als de auto, trein, metro, tram, zeppelin en later ook het vliegtuig; maakten het makkelijker om grote afstanden af te leggen in minder tijd. De wereld werd als het ware kleiner. Waar je vroeger weken onderweg was om van Amsterdam naar Londen te komen, deed je er nu maar een paar dagen over. Ook konden goederen in grotere hoeveelheden en goedkoper worden vervoerd met behulp van deze vervoersmiddelen.
  • De derde grote ontwikkeling was dat nieuwe communicatiemiddelen het makkelijker maakten cultuur, kennis en informatie op een snellere manier over te brengen op een groot publiek. Met de radio kon je naar je favoriete muziek luisteren. Hetzelfde gold voor de bioscoop. Een groot voordeel voor de overheid was dat ook zij de bevolking goedkoop en snel van informatie kon voorzien. Grote groepen mensen op die manier gestuurd en beïnvloed konden worden. Op deze manier mensen beïnvloeden noemen we propaganda.

 

Modern imperialisme

De snelgroeiende Europese samenlevingen begonnen hun ogen te richten op Afrika en Azië. Landen als Nederland, Frankrijk en Engeland hadden al koloniën op deze continenten. Maar vaak waren zij alleen heerser van deze gebieden op papier, in de praktijk waren het de lokale vorsten die nog steeds de macht hadden. Aan het begin van de twintigste eeuw veranderde dat. De grote mogendheden begonnen de continenten op te delen. Toen Keizerrijk Duitsland – als laatkomer – ook koloniën wilde ontstond er een ware race om het grootste koloniale wereldrijk, het modern imperialisme. Zo’n wereldrijk was niet alleen bedoeld om het grondgebied uit te breiden, maar ook als nieuwe afzetmarkt van producten.

Bron 2. Voedsel werd niet alleen geproduceerd in Europa. Ook richtten veel koloniale mogendheden gedeelten van de kolonie in om voedsel te produceren voor de bevolking van Europa.

Bron 3. Door de aanleg van het Suezkanaal (1869) en het Panama kanaal (1914, afbeelding hierboven), werd de reis naar Azië en de reis om Zuid-Amerika heen aanzienlijk verkort. Niet alleen vervoersmiddelen werden beter, ook de infrastructuur.
Bron 4. Amerikaanse propagandaposter uit 1917.
Opdracht 1.5 Video: een massasamenleving gaat ten oorlog

Lees de leertekst eerst rustig door en lees vervolgens de vragen door die je moet beantwoorden. Bekijk de onderstaande video en beantwoord de vragen tijdens het kijken. Je kan de video op elk moment pauzeren. Je gaat onderzoek doen met de volgende vraagstelling: ‘de Frans-Duitse oorlog was mogelijk door de ontstane massasamenleving’. Volg de onderstaande drie stappen:

  1. Lees de vragen door en bekijk daarna de video.
  2. Beantwoord tijdens het kijken van de video vraag 1.
  3. Beantwoord vraag 2 en 3 met de informatie uit de leertekst een massasamenleving en de video.

2. Nationalisme: de opkomst van één volk, één land

Leerdoelen
  • Kan uitleggen dat het nationalisme is ontstaan door de revoluties van de late achttiende eeuw.
  • Kan met een historisch voorbeeld aangeven dat nationalisme leidde tot eenwording, verbroedering en het ontstaan van natiestaten, maar ook tot verbrokkeling.
  • Kan nationalisme herkennen in geschreven en ongeschreven bronnen.
  • Kan uitleggen dat nationalisme een indirecte oorzaak was van de Eerste Wereldoorlog.
  • Kan uitleggen dat nationalisme zowel van onderaf als van bovenaf ontstond (verdiepingsstof).

Bron 5. Wilhelm I roept in 1871 in het Franse Versailles de Duitse éénheidsstaat uit na een korte oorlog tegen Frankrijk. Een oorlog die later bekend zou komen te staan als de Frans-Duitse oorlog (1870-1871).

In de negentiende eeuw was een overdreven vorm van liefde voor het eigen land ontstaan: nationalisme. Waar komt nationalisme vandaan? Het nationalisme vindt zijn oorsprong in de revoluties en het revolutionair denken van de late achttiende eeuw. De stroming ontstond als bijproduct van de moderne natiestaten ontstaan tijdens de Franse Revolutie. In het denken over politiek werd in de negentiende eeuw steeds vaker benadrukt dat het macht om te regeren bij het volk vandaan kwam en niet bij God. Het belangrijkste onderdeel van het nationalisme was het idee van volkssoevereiniteit. Verlichte denkers gingen ervan uit dat bij deze vorm van soevereiniteit het recht om een staat te besturen bij het volk lag. Zo verleenden de inwoners van een land als het ware toestemming aan een regering om de staatszaken te regelen voor het volk. Op die manier waren ze niet een onderdaan van een koning en dus onvoorwaardelijk gehoorzaam, maar waren een burger: iemand die actief meedeed aan het goed besturen van een land. De burgers hadden dan ook het recht om hun toestemming om te regeren weer in te trekken als de regering tegen ‘het belang van het volk’ handelde. Dit was gebeurd bij de Franse vorst Lodewijk XVI, waarop hij vervolgens onthoofd werd in 1793.

 

Verspreiding van het Nationalisme

Tijdens de periode 1796 en 1813 werd een groot gedeelte van Europa overheerst door Franse revolutionairen. Door die overheersing was het idee van volkssoevereiniteit niet meer weg te denken uit Europa. Leden van een volk voelden zich verbonden met elkaar en wilden alleen bestuurd worden door iemand van het eigen volk. Nederlanders wilden zichzelf besturen en niet overheerst worden door Fransen. De Nederlandse nationalistische gevoelens werden aangewakkerd. Regeringen gebruikten dit ook in hun voordeel door het verschil tussen volken duidelijk te benadrukken. De Nederlandse regering benadrukte bijvoorbeeld tijdens de revolutionaire periode: ‘wij zijn Nederlands, zij zijn Frans’, om ervoor te zorgen dat inwoners van de Nederlanden niet samenwerkten met de revolutionaire Fransen. Na de Franse Revolutie werd dit in Europa omgezet in tastbare rechten: het zelfbeschikkingsrecht van volken. Volken zouden bij dit recht zelf moeten beslissen door wie zij geregeerd wensten te worden. Daarbij hoorde ook een afgebakend, door hen bepaald grondgebied. Nationalisme is dan ook vaak samengetrokken met het idee van zelfbeschikkingsrecht: ‘één volk, één staat’.

 

Nationale eenwording: het succes van Duitsland?

Het idee van volkssoevereiniteit en zelfbeschikkingsrecht was niet alleen populair onder de bevolking. Door deze twee ideeën ontstonden ook politieke bewegingen die nationalistisch waren: nationale bewegingen. Elke nationalistische bewegingen, met een eigen bijbehorend volk, streefde naar een eigen grondgebied met bijbehorende rechten. Duitsland is daar een goed voorbeeld van. Rond het jaar 1800 bestond ‘Duitsland’ als eenheid niet. In de Duitse gebieden woonden vele verschillende wel-Duits en niet-Duitssprekende volkeren. Veel van deze volkeren gingen streven naar zelfbeschikkingsrecht in de vorm van een eigen staat. Het Duitssprekende volk droeg diezelfde ideeën. Zij wilden een Duitse eenheidsstaat creëren met één volk, één parlement, één cultuur en één taal. Die beweging was vooral populair bij Duitse schrijvers en geleerden, onder andere de filosoof Johann Gottfried Herder (1744-1803). Veel van de Duitse geleerden geloofden in duidelijk onderscheidbare volkeren. Elk volk zou specifieke lichamelijke kenmerken hebben en gemakkelijk te onderscheiden zijn van een ander volk. Dat idee zou later gebruikt worden binnen de rassenleer en door Adolf Hitler om zijn racistische houding richting Joden goed te praten.

Het Duitse ideaal van een eenheidsstaat zou pas in 1871 gehaald worden, nadat koning Wilhelm I van de Duitse staat Pruisen en zijn kanselier Otto von Bismarck de andere Duitse staten hadden verenigd in een aantal oorlogen, die bekend stonden als de Broederoorlogen. Bismarck geloofde dat deze eenwording niet mogelijk was zonder Eisen und Blut.

Met de Duitse eenwording kreeg Frankrijk een machtige buurman erbij. De Fransen wilden verdere Duitse uitbreiding voorkomen. Ze besloten het nieuwe Duitsland de oorlog te verklaren. Maar het Duitse leger had veel ervaring opgedaan in de Broederoorlog. Het maakte in 1871 korte metten met het Franse leger bij het Franse plaatsje Sedan. Ondanks dat de Franse keizer Napoleon III na deze grote nederlaag de overgave tekende, besloten de Franse burgers op eigen initiatief door te blijven vechten. Daarop besloten de Duitsers op te trekken naar Parijs. In 1871 werd de Franse hoofdstad met kanonnen gebombardeerd en op de knieën gedwongen. Om de Franse nederlaag compleet te maken, riepen Wilhelm I en Otto von Bismarck het Duitse keizerrijk uit in de spiegelzaal van Versailles – het symbool van de Franse macht. Bismarck vond dat Frankrijk de rekening van de oorlog moest betalen; ‘het waren de Fransen die op oorlog uit waren geweest’. Frankrijk verloor Elzas-Lotharingen, het gebied met rijke kolen- en ijzermijnen; en moest vijf miljard franc betalen om de schade te herstellen. Voor de Fransen was het duidelijk: ‘dit schreeuwde om revanche‘!

 

Nationale verbrokkeling: Oostenrijk-Hongarije, Ottomaanse Rijk en Rusland

Het voorbeeld van Duitsland laat zien dat nationalisme kon leiden tot verbroedering. Maar nationalisme kon ook leiden tot verbrokkeling. Dat was het geval in landen waarin verschillende volken leefden, met verschillende talen en culturen, geregeerd door één vorst. In deze veelvolkerenstaten zou het nationalisme leiden tot opstanden en zelfs terrorisme. Zo ook in Oostenrijk-Hongarije, het Ottomaanse Rijk en Rusland.

  • In Oostenrijk-Hongarije woonden Oostenrijkers, Hongaren, Slowaken, Tsjechen en Bosniërs; die allemaal hun eigen moedertaal spraken. In 1866 gunde de Oostenrijk-Hongaarse regering de Hongaren zelfbestuur. Wel bleven de Hongaren de Oostenrijkse keizer als hun koning beschouwen, vandaar dat Oostenrijk-Hongarije een dubbelmonarchie was. Deze gift aan de Hongaren zou grote gevolgen hebben. Het gaf een duidelijk signaal af aan de andere volken die woonden in het Oostenrijk-Hongaarse keizerrijk: ‘zelfbeschikking kon afgedwongen worden’!
  • Vanuit Istanboel regeerde de sultan van het Ottomaanse Rijk over grote delen van het Midden-Oosten, delen van het huidige Turkije en gebieden in Oost-Europa en de Balkan. De roep van nationale bewegingen in deze gebieden was luid. Ze eisten onafhankelijkheid. Vooral op de Balkan leidde dit tot onrust. Zo riepen de Grieken een onafhankelijke staat uit en in 1878 scheidden de Serven zich ook af. Daarop besloot het Ottomaanse Rijk zich terug te trekken uit de Balkan.
  • Ook het Russische keizerrijk kreeg met nationale bewegingen te maken. Dit keizerrijk had zijn grondgebied in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw gigantisch uitgebreid. Zo was ook Polen opgeslokt, waardoor Rusland grensde aan Duitsland. Waar het Ottomaanse Rijk en Oostenrijk-Hongarije gehoor gaven aan de wensen van nationale bewegingen in hun rijk, daar reageerde de Russische tsaar heel anders. Hij besloot de nationale bewegingen streng te vervolgen. Dit zou tot veel onvrede leiden in het rijk. Onvrede die tot uitbarsten zou komen tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Het walhalla in Duitsland is een vorm van cultureel nationalisme dat van bovenaf werd opgelegd. Wat wilden de Duitsers duidelijk maken met het gebruik van de Romeinse bouwkunst.
Van onder en boven

Vandaag de dag zijn historici het erover eens dat nationalisme niet alleen een geleidelijk ontstaan proces is. Nationalistische ideeën en gevoelens zijn door politici en nationalistische bewegingen bewust geïntroduceerd onder de bevolking. Regeringen introduceerden bijvoorbeeld een nationale vlag en een volkslied met als doel samenhorigheid en verbondenheid te creëren onder een bevolking die zich niet altijd verbonden met elkaar voelde of wilde voelen. Staatslieden hadden deze eenheid nodig om burgers te motiveren zich in te zetten voor ‘het vaderland’. Vooral mannen moesten bereid zijn te sterven voor het vaderland in tijden van een oorlog. Het leger was dan ook vaak nationalistisch, want je moest bereid zijn voor volk en vaderland te sterven. Wil dat zeggen dat al het nationalisme gecreëerd is? Nee, want nationalisme was ook een proces wat op kleine schaal al bezig was. Inwoners van eenzelfde bevolkingsgroep herkenden elkaar aan dezelfde gebruiken, tradities maar ook voedselcultuur. Zo was stokbrood typisch Frans en poffertjes typisch Nederlands. Voedsel om dus trots op te zijn!

3. Militarisme leidt tot een wapenwedloop

Leerdoelen
  • Kan uitleggen hoe militarisme voortvloeit uit nationalisme; een wapenwedloop uit militarisme; bondgenootschappen uit militarisme en kan uitleggen dat deze indirecte oorzaken waren voor het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog.
  • Kan aangeven waarom de Triple Entente en de Triple Alliantie werden gevormd.
  • Kan aangeven dat het Schlieffenplan werd ontwikkeld om een tweefrontenoorlog te voorkomen.

Bron 6. Nederland wenste aan het begin van de twintigste eeuw neutraal te blijven tijdens een Europese oorlog. Toch was ook Nederland niet gespaard gebleven van militaristisch machtsvertoon. Opperbevelhebber generaal Snijders tezamen met koningin Wilhelmina.

In de nationalistischer wordende Europese landen voelden de inwoners zich verbonden met de natie: een Duitser zag zichzelf als een Duitse inwoner van het Duitse keizerrijk. Vaak ging dit gevoel gepaard met trots. Trots om deel uit te maken van een machtig land. In de tweede helft van de negentiende eeuw begon dit nationalisme zich te ontwikkelen naar superioriteitsgevoelens. Die gevoelens waren gericht op het aantonen dat het eigen volk beter was dan een ander volk. Duitsers vonden zichzelf beter dan van Fransen. Engelsen vonden dat de inwoners van India – ondanks dat het een Britse kolonie was – niet eens bij hen in de buurt kwamen. De Britten vonden dat zij superieur waren.

De superioriteitsgevoelens werden onderdeel van de identiteit van een land. Die identiteit werd vaak in het straatbeeld getoond. Propaganda posters van trotse inwoners werden opgehangen. De boodschap: ‘wees blij dat je onderdeel bent van dit machtige land’. In Europa, maar vooral in Duitsland, werden deze superioriteitsgevoelens geprojecteerd op het leger. De superioriteit van het volk moest ook getoond worden. Het leger moest de trots worden van de natie en superieur zijn vergeleken met het leger van een ander land. Soldaten moesten de superioriteit van het volk uitdragen. Vooral in de twintigste eeuw begonnen Europese landen dan ook met het opbouwen van grote legers. Soldaten kregen een voorrangspositie in de samenleving; was je soldaat, dan was je automatisch geliefd. Vooral de Duitse keizers Wilhelm I en zijn opvolger Wilhelm II gingen streven naar een militaire samenleving. Alles moest in het teken staan van militaire macht. Dit streven noemen we ook wel militarisme.

 

Van wapenwedloop tot bondgenootschap

Militarisme had een onbedoeld gevolg. Het streven naar een zo groot en sterk mogelijk leger ging gepaard met het produceren van enorme hoeveelheden wapens. De bedoeling was dat de enorme hoeveelheden wapens de omliggende landen zouden afschrikken. Door die afschrikwekkende werking zou de drang naar expansie in toom worden gehouden. Dat effect had het niet. Er ontstond een wapenwedloop. Om niet onder te doen voor een ander, probeerden de Europese landen elkaar bij te houden in het produceren van wapens. De gedachte was dat als je niet mee kon komen in de productie van wapens, de kans groot was dat je vernietigd kon worden. Duitsland ging zijn vloot groter maken en het leger versterken. Want de Duitsers wilden kunnen concurreren met Engeland, die al een enorme vloot had. Het effect was dat Engeland nog meer schepen liet bouwen. Frankrijk werd ook bang van het militaire machtsvertoon van Duitsland, waarop het net als Duitsland besloot het leger te versterken. Toch was elk land bang om alleen te staan tijdens een conflict. Landen besloten samen te werken. Ze sloten bondgenootschappen. Aan zo’n bondgenootschap meedoen gaf een veilig gevoel, maar werd de wereld er ook veiliger op?

Bron 8. Spotprent over de verschillende bondgenootschappen aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Herken jij de landen en hun symboliek?
Bron 7. Trots voor het vaderland was niet alleen weggelegd voor volwassenen. Ook kinderen werden gebruikt om te laten zien hoe trots vaders en moeders waren op het leger. Te zien aan dit Duitse jongetje uitgedost in een legeruniform.
Tegenstellingen

In de vorige paragraaf is al geschreven over het Russische Keizerrijk met zijn verschillende volken. Ondanks dat het rijk verdeeld was, weerhield dat de Russische tsaar er niet van om een groter rijk te ambiëren. Een groot probleem voor de Russische economie was het gebrek aan ijsvrije havens. De havens in het noorden van Rusland waren maar een paar maanden per jaar bruikbaar. Toen het islamitische Ottomaanse Rijk zich terugtrok van de Balkan, was dat voor de Russische tsaar een kans om de Russische macht op de Balkan uit te breiden – want Rusland had net als de andere christelijke mogendheden niet veel op met de islam. Het Russische Keizerrijk begon niet alleen door gebieden te veroveren maar ook steun te bieden aan de Slavische volken op de Balkan. Want ook het Russisch was een Slavische taal. Rusland zag het dus als zijn taak die volken te beschermen van andere grijpgrage mogendheden.

De Russische problemen met het Ottomaanse Rijk en de Franse angst voor Duitsland leidde tot een bondgenootschap tussen Rusland en Frankrijk. Hierdoor werd hun Duitse buurland aan twee kanten ingesloten. In eerste instantie wilde de Engelsen niet meewerken aan deze insluiting. De Engelsen oriënteerden zich liever op de beheersing van de wereldzeeën en hun koloniale rijk: splendid isolation. Maar door de alsmaar groter wordende Duitse vloot besloten ze de kant van Rusland en Frankrijk te kiezen. Zo ontstond de Triple Entente.

Het ingesloten Duitsland vond bondgenoten in Italië en Oostenrijk-Hongarije. De drie landen samen vormden de Triple Alliantie. Maar dit was allesbehalve een stabiel bondgenootschap. Vooral Italië en Oostenrijk-Hongarije waren geen vrienden van elkaar, vooral doordat Italië al jaren aanspraak maakte op gebieden aan de Oostenrijkse grens. Bovendien waren beide landen lang niet voorbereid op een oorlog. Vandaar dat Duitsland wist dat bij een mogelijke oorlog het de grootste last moest dragen. Maar het probleem was dat het ingesloten lag en niet over genoeg militaire kracht beschikte om een tweefronten-oorlog vol te houden. Daarom bedacht de Duitse generaal Von Schlieffen hier het Schlieffenplan. Bij dit plan zou Duitsland eerst snel Frankrijk verslaan en daarna zich pas richten op Rusland. Von Schlieffen dacht dat Rusland tot te groot en log was om snel te mobiliseren en de Fransen waren al een keer eerder snel verslagen: ‘hen voor een tweede keer snel verslaan zou weer makkelijk zijn’!

4. Een Europese oorlog

Leerdoelen
  • Kan uitleggen dat nationalisme, de wapenwedloop en militarisme een situatie in Europa veroorzaakten waarbij een klein conflict kon leiden tot een oorlog.
  • Kent de aanleiding (directe oorzaak) tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.
  • Kan aangeven dat de gesloten bondgenootschappen van een conflict tussen twee landen in 1914 een grotere Europese oorlog zouden maken.
  • Kan uitleggen dat in het beginfase van de oorlog nog gesproken wordt van een Europees conflict.

De oorzaken voor het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog zijn terug te leiden naar een strijd om de macht in Europa. De industrialisatie en het modern imperialisme hadden ervoor gezorgd dat de machtsverhoudingen in Europa waren verschoven. Landen als Duitsland hadden de ambitie om steeds machtiger te worden, door bijvoorbeeld koloniën te stichten in Afrika en Azië. Frankrijk, Engeland en Rusland zagen deze uitbreidingsdrang als een bedreiging. Ondanks deze gespannen sfeer, hoopten de Europese landen de vrede te kunnen bewaren. Toch hielden veel van hen rekening met een strijd die zou bepalen welk land het sterkste was. Oorlogen werden in die tijd gezien als een heel acceptabele manier om conflicten tussen landen op te lossen. Vandaar dat veel geld werd gespendeerd aan de ontwikkeling van nieuwe wapens en het opbouwen van een goed getraind leger. Deze wapenwedloop en militaristische houding, samen met nationalisme en de bondgenootschappen die landen onderling met elkaar sloten, zorgden ervoor dat landen een oorlogszuchtige houding aannamen. Het probleem was dat door deze bondgenootschappen kleine conflicten snel konden uitgroeien in een oorlog tussen meerdere landen.

Bron 9. Ingekleurde foto van Frans-Ferdinand, de Oostenrijk-Hongaarse troonopvolger.
Bron 10. De Duitse keizer Wilhelm II.

Bron 11. De moord op Frans-Ferdinand in Sarajevo. Een grote of kleine gebeurtenis?

Gavrilo Prinicip pleegt een aanslag

Op 28 juni 1914 maakte de Oostenrijk-Hongaarse troonopvolger, Frans-Ferdinand, een rijtoer door de stad Sarajevo, de hoofdstad van Bosnië. Daar werd hij samen met zijn vrouw Sophie vermoord door Gavrillo Princip, een Bosnische nationalist die in Servië woonde. Hij wilde wraak nemen op Oostenrijk-Hongarije voor het feit dat dit land in 1908 Bosnië had ingelijfd. Met de moord hoopte hij dat Oostenrijk-Hongarije Bosnië zou afstoten. Vervolgens kon dit afgestoten gebied onderdeel gaan uitmaken van Servië.

De Oostenrijk-Hongaarse regering stelde Servië verantwoordelijk voor de moord. Het eiste dat een eigen onderzoeksteam van Oostenrijkers de moord zou onderzoeken – begeleid door een bataljon van soldaten – om te kijken of de Serviërs inderdaad verantwoordelijk waren. Voor Servië was dit onacceptabel. De Duitse keizer Wilhelm II gaf onvoorwaardelijke steun en een blanco cheque aan Oostenrijk-Hongarije op het moment dat het besloot Servië aan te vallen. Rusland – als grote beschermer van de Balkan – bood steun aan Servië en begon het leger gereed te maken.

 

Van aanslag tot oorlog

Op 28 juli 1914 verklaarde Oostenrijk-Hongarije de oorlog aan Servië. Enkele dagen later besloten Rusland en Duitsland ook over te gaan tot mobilisatie, waarbij het leger met dienstplichtigen en vloot gevechtsklaar werden gemaakt. Zij werden snel gevolgd door Frankrijk, die Rusland steunde. Engeland besloot de vloot gereed te maken, want het Engelse beroepsleger was te klein om een landoorlog met Duitsland aan te gaan. Een Engelse oorlogsverklaring bleef dus nog uit. De Duitse legerleiding raakte in paniek. Het had niet gerekend op een snelle mobilisatie van Rusland, want het hele Schlieffenplan hing juist af van een trage Russische reactie. Maar onverwacht snel werden delen van Oost-Pruisen veroverd door de Russen. Toch wisten de Duitse generaals Hindenburg en Ludendorff de Russen bij Tannenberg te verslaan, het huidige Polen.

Om het Franse leger af te snijden en te omsingelen, moesten de Duitse troepen door het neutrale België trekken. De Duitse keizer Wilhelm II had gehoopt dat met veel militair machtsvertoon, de Belgen te bang zouden zijn om het op te nemen tegen het Duitse leger en hen dus vrije doortocht door België zouden verlenen. Maar tot zijn verbazing weigerde het kleine landje! Duitse treinen brachten daarop in de nacht van 4 op 5 augustus reusachtige kanonnen over de Belgische grens. Vanaf een veilige afstand bombardeerde het Duitse leger het ene na het andere Belgische fort. Hierop besloot Engeland Duitsland de oorlog te verklaren. Groot-Brittannië had namelijk na de Belgische onafhankelijkheid beloofd het land te beschermen tegen ‘buitenlandse mogendheden’.

Door het heldhaftige verzet van de Belgen, de snel oprukkende Russische legers en de inmenging van Engelse troepen mislukte het Duitse Schlieffenplan. De Fransen afsnijden, omsingelen en snel te verslaan bleek niet meer haalbaar. De Fransen riepen de Duitsers aan de rivier de Marne in Noord-Frankrijk de Duitsers een halt toe en drongen hen terug. Nu de legers lijnrecht tegenover elkaar stonden, begonnen zij zich in te graven. Zo ontstond een loopgravenoorlog.

5. De Grote Oorlog

Leerdoelen
  • Kan uitleggen waarom het conflict van 1914-1918 als een wereldoorlog bestempeld kan worden.
  • Kent 2 redenen waarom de Amerikanen aan de Eerste Wereldoorlog deelnamen.
  • Kan uitleggen dat in oktober-maart 1918 de Duitsers een laatste poging deden de oorlog te winnen, maar dat de Duitse legerleiding op 11 november genoodzaakt was een wapenstilstand te tekenen.
  • Kan aangeven dat Nederland niet direct bij de Eerste Wereldoorlog werd betrokken maar wel indirect (verdiepingsstof).

Bron 12. Het zinken van het schip de Lusitania werd in zowel de Engelse als de Amerikaanse propaganda vaak gebruikt om nieuwe soldaten te werven.

Na die Eerste Slag aan de Marne werd het voor de Europese landen duidelijk: ‘de oorlog zou niet snel worden gewonnen’. Daarom begonnen zij ook met het mobiliseren van de koloniale legers. Frankrijk haalde bijvoorbeeld soldaten uit Sudan, Tunesië en Algerije om te vechten in Europa (bron 13). Toch bleef de oorlog niet alleen beperkt tot Europa. Ook werden de koloniale legers gebruikt om in Afrika en Azië zelf te vechten.

 

Duitsland de bruut?

Terwijl de Duitsers zich aan het ingraven waren, werden de veroverde Belgische gebieden bezet door Duitse troepen. Onder die troepen deden uit de lucht gegrepen gruwelverhalen de ronde over Belgische scherpschutters en terroristen die de oprukkende Duitse soldaten hadden lastiggevallen tijdens hun opmars en hen zelfs in hun slaap hadden vermoord. Als wraak staken Duitse soldaten dorpen en steden in brand. Voor de ogen van hun vrouwen en kinderen werden Belgische mannen op dorpspleinen bijeengedreven en afgeschoten. De Duitse legerleiding maakte zicht niet druk over deze ‘toestanden’, want het was nog woedend over de Belgische tegenstand. Maar niet alleen Duitse soldaten maakten zich schuldig aan dit soort oorlogsmisdaden. Nadat de opmars van de Russen bij Tannenberg was tegengehouden door de Duitsers, begonnen de Russische troepen aan de terugtocht. Zij namen alles mee wat los en vast zat: ‘niets mocht overblijven voor de Duitsers’. Daarnaast werden hele groepen Polen gedeporteerd of vermoord. Tegen het einde van de oorlog hoopten de Polen dat zij werden bevrijd van de Russische overheersing.

 

Wake up America!

Op zee waren Duitsland en Oostenrijk-Hongarije – die tijdens de oorlog Centralen werden genoemd – in het nadeel: de Engelse vloot was op zee oppermachtig! Daarom ging Duitsland gebruikmaken van duikboten. Deze duikboten hadden het ook op schepen voorzien die de Engelsen, Fransen en Russen (Geallieerden) bevoorraden. Veel Amerikaanse schepen werden het doelwit van de duikbotenoorlog.

In 1917 besloten de Amerikanen in te grijpen. Daar hadden zij twee redenen voor:

  • Duitsland was te ver gegaan met het bombarderen van Amerikaanse schepen. De bevolking was verontwaardigd door de vele onschuldige Amerikaanse burgers die hierbij omkwamen. Maar dat was niet de enige reden.
  • Amerika had veel geld geleend aan de geallieerden. De Amerikaanse president Woodrow Wilson was zich ervan bewust dat als Frankrijk en Engeland de oorlog verloren, de leningen niet terug werden betaald.

Met behulp van Amerikaanse soldaten werd het Duitse leger op grote schaal teruggedrongen. In 1918 zouden de eerste Amerikaanse dienstplichtigen voor het eerst meevechten in de Europese loopgraven. Er was toen sprake van een wereldoorlog.

 

Rusland doet niet meer mee

Het Russische Keizerrijk was een van de slechtst voorbereidde landen van Europa geweest die had deelgenomen aan de oorlog. Het had een tekort aan alles: voedsel, medicijnen, wapens en munitie. Het enige wat het land wel had was een overvloed aan soldaten. Het waren deze soldaten geweest die zo ontevreden waren geworden door de vele nederlagen, dat ze riepen om verandering! In februari 1917 brak er revolutie uit. De tsaar en zijn autoritaire regering werd gedwongen om af te treden. Maar de regering die hen verving, besloot door te vechten. In oktober 1917 pleegden communisten onder leiding van Lenin een geslaagde staatsgreep. Door de revolutie en de daaropvolgende staatsgreep was er in Rusland zoveel chaos ontstaan dat de Duitsers grote delen van Rusland konden veroveren. Daarop besloot de nieuwe communistische regering onder Lenin te onderhandelen met de Duitsers. In maart werd de Vrede van Brest-Litovsk gesloten, waarbij Rusland grote gebiedsverliezen accepteerde. Hierna brachten de Duitsers gehaast hun troepen van het oost- naar het westfront.

Bron 13. Soldaten werden door de oorlogvoerende landen overal vandaan gehaald. Zo ook uit de koloniën.
Bron 14. De Fransen begonnen in snel tempo te mobiliseren na de eerste oorlogsverklaringen. De oorlog uit 1870-1871 tegen Duitsland had geleerd dat een snelle mobilisatie een mogelijke overwinning kon betekenen. Op deze foto nog in het oude legeruniform.
Van wapenstilstand tot vrede

Ondanks dat de Duitsers nu maar aan één front hoefden te vechten, zag de legerleiding dat de oorlog voor hen niet te winnen was. Het land had niet meer de grondstoffen of de soldaten om het op te nemen tegen de Fransen, Engelsen en Amerikanen. In oktober sloegen de soldaten aan het muiten. Op november zetten zij de keizer af. Op 11 november sloot de nieuwe Duitse regering – onder leiding van de socialist Ebert – een wapenstilstand met de geallieerden. De Eerste Wereldoorlog was voorbij. Na de oorlog sloten de overwinnaars verschillende vredesverdragen met de verliezers.

Nederland

Nederland raakte niet direct betrokken bij de oorlog, want het koos niet partij. Dat was volgens de Nederlandse regering te danken aan de strikte neutraliteitspolitiek die werd gevoerd. Toch is dit misschien te veel eer. Zowel Duitsland en Engeland hadden meer voordeel bij een neutraal Nederland. De Duitse generaal Von Moltke paste zelfs het aanvalsplan van Duitsland aan, zodat die neutraliteit niet in gevaar kwam. Zowel Engeland en Duitsland konden via Nederland producten laten importeren, die zij anders waren onderschept door de tegenstander.

Nederlanders werden op de hoogte gehouden van de massaslachtingen en gruwelijkheden van de oorlog door de krant. Vooral de Telegraaf deed actief verslag. Sommige Nederlanders keken als ramptoeristen vanuit het veilige Zuid-Limburg toe hoe in de verte Antwerpen in brand werd gestoken door de Duitsers. Het was dit bombardement van Antwerpen dat ervoor zorgde dat vooral de zuidelijke provincies te maken kregen met grote hoeveelheden vluchtelingen. Eén miljoen Belgen zochten hier bescherming tegen het oorlogsgeweld. Maar ook Belgische deserteurs en Engelse en Duitse militairen probeerden via het veilige Nederland weer aan het front te komen. Dit liet de Nederlandse overheid niet toe. De regering was bang dat andere landen Nederland van partijdigheid zouden kunnen beschuldigen. Die gevluchte soldaten zouden tot aan het einde van de oorlog in Nederland moeten verblijven.

6. Totale oorlog

Leerdoelen
  • Kan aangeven dat de Eerste Wereldoorlog een loopgravenoorlog en uitputtingsoorlog was, waarbij generaals oude tactieken gebruikten die niet werkten door nieuwe moderne wapens.
  • Kan uitleggen dat de Eerste Wereldoorlog een totale oorlog was.
  • Kan uitleggen wat censuur is en waarom overheden dit toepasten.
  • Kan beredeneren hoe propaganda werd ingezet en dit herkennen in geschreven en ongeschreven bronnen.
  • Kent de bepalingen uit het Vredesverdrag van Versailles.
  • Kan sociale, economische en politiek langetermijngevolgen van de Eerste Wereldoorlog noemen en beredeneren (verdiepingsstof).

Bron 17. Belgische soldaten wachtend op hun bevelen.

In de zomer van 1914 had de militaire top uit Europa nooit kunnen inschatten op wat voor schaal de oorlog zich zou afspelen. Zij hadden verwacht binnen twee weken weer thuis te zijn: ‘back before Christmas’, was een bekende uitspraak. Het tegenovergestelde was het geval. Ruim vier jaar lang probeerden soldaten elkaar vanuit hun loopgraven te verslaan. Lange slingers van loopgraven die van de Belgische kust, door Vlaanderen en Noord-Frankrijk heen, tot aan de Zwitserse grens liepen. Soms drie linies dik en door prikkeldraad beschermd, met tussenliggende verbindingsgangen, ondergrondse hospitalen, keukens, slaapvertrekken en munitieopslagplaatsen. Als militair kroop je door de blubber, wachtende totdat het signaal werd gegevens om aan te vallen; soms dagenlang. Je probeerde onderscheid te maken tussen het gebulder van de eigen kanonnen en van de vijand, die probeerden jouw loopgraaf aan gort te schieten. Keek je over de rand van de loopgraaf, dan liep je het risico beschoten te worden door sluipschutters.

In 1916 belegerden de Duitsers zes maanden lang de stad Verdun in het noorden van Frankrijk. In die zes maanden sneuvelden 162.000 Franse soldaten en 143.000 Duitse soldaten. Er was geen winnaar. Kort daarna bij de Slag om de Somme vielen nog een keer één miljoen doden. De oorlog was uitgelopen op een ware uitputtingsoorlog.

 

Een nieuwe oorlog

Deze oorlog verschilde van de oorlogen die daarvoor waren uitgevochten. Enorme hoeveelheden moderne wapens werden ingezet. Deze waren ontwikkeld door wetenschappers en ingenieurs, om vervolgens aan de lopende band gemaakt te worden. De miljoenen soldaten die de loopgraven in moesten, kregen niet alleen te maken met geweren maar ook met: mitrailleurs (bron 18), gifgas (bron 25), vliegtuigen (bron 20) en tanks (bron 26). Voordat een aanval plaatsvond, bestookte de aanvallende partij de verdedigers eerst dagenlang met kanonnen voordat overgegaan werd op een massale aanval. Zo modern de wapens waren, zo ouderwets waren de oorlogstactieken. Grote hoeveelheden soldaten kwamen uit hun loopgraven en renden zo snel mogelijk naar de vijand, om man-tegen-mangevechten aan te gaan. De generaals redeneerden dat deze tactiek altijd had gewerkt en dus nu weer kon werken. Ze hielden alleen niet rekening met de moderne wapens die het onmogelijk maakten snel bij de vijand te komen. De soldaten hadden weinig inspraak. Zij moesten de bevelen van hun officieren opvolgen. Daardoor was het risico groot dat je sneuvelde door kogels, bommen of gifgas. Maar het slagveld bracht meer verschrikkingen met zich mee, waaronder in de zomer brandende hitte en in de winter ondraaglijke kou en vocht. Daarnaast was er vaak te weinig voedsel aan het front, ongedierte als ratten en de stank van de gesneuvelden die niet uit het niemandsland verwijderd konden worden (bron 22).

Bron 18. Machine geweren waren heel dodelijk. Eén soldaat kon per minuut honderden kogels afvuren. Met dit dodelijke wapen kon één soldaat tientallen vijanden tegenhouden. Daardoor werkten de oude stormaanval tactieken niet meer. Iets waar de generaals tijdens de Eerste Wereldoorlog nauwelijks rekening mee hielden.
Bron 19. Om zich te beschermen tegen het dodelijke gevaar van rondvliegende kogels, begonnen de soldaten zich in te graven. Deze loopgraven liepen alleen steeds vol met water of storten in. Het was dan ook een dagelijks karwei om ze te herstellen.
Bron 20. Om de loopgraven te omzeilen, werd geprobeerd deze te bombarderen met artillerie of met vliegtuigbommen. Daarnaast werden vliegtuigen gebruikt om de ligging van vijandelijke loopgraven te documenteren.
Westfront, oostfront en thuisfront

De Eerste Wereldoorlog was een totale oorlog in meerdere opzichten. Niet alleen soldaten waren betrokken bij de oorlog, maar ook de thuisblijvers. Vrouwen namen het werk over van mannen in de fabrieken. Informatie over het verloop van de oorlog werd zwaar gecensureerd, zodat het thuisfront niet gedemotiveerd raakte en de oorlog bleef steunen. Daarnaast werden thuisblijvers gemotiveerd via propaganda. Posters lieten jonge mannen geloven dat ze wel deel moesten nemen aan de oorlog, anders waren ze laf. Vrouwen werden opgeroepen oorlogsobligaties te kopen. Dit waren een soort kleine leningen waarmee de oorlog gefinancierd werd. Na de oorlog zouden deze terugbetaald worden.

In november 1918 kwam het einde van de oorlog in zicht. In de vorige paragraaf heb je kunnen lezen dat de Duitse legerleiding op 11 november 1918 een wapenstilstand sloot met de geallieerden. Duitsland werd gedwongen op 28 juni 1919 het Vredesverdrag van Versailles te tekenen. Hierin werd het aangewezen als hoofdschuldige. Enkele bepalingen uit het verdrag:

  • Duitsland moest voor de aangerichte verwoestingen een schadevergoeding betalen van 132 miljard goudmark.
  • Het moest ontwapenen. Het leger mocht net groot genoeg zijn om binnenlandse opstanden neer te slaan. Moderne wapens als oorlogsschepen, tanks, vliegtuigen en gifgas werden verboden.
  • Daarnaast moest Duitsland gebied afstaan aan België (Eupen en Malmédy), Frankrijk (Elzas-Lotharingen) en aan het nieuwgevormde Polen (een deel van Oost-Pruisen en de havenplaats Gdansk. Alle Duitse koloniën werden ingenomen of kregen zelfstandigheid.
  • Duitsland moest openlijk erkennen dat het de oorlog was begonnen.
  • De Amerikaanse president Woodrow Wilson had gepleit voor een organisatie die de vrede in de wereld zou bewaken. Deze kwam er: de Volkenbond.

Dit vredesverdrag zou bepalend zijn voor het verdere verloop van de geschiedenis. Verschillende veelvolkerenstaten werden opgesplitst, waaronder Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk. Palestina, Egypte en Irak – eerder onderdeel van het Ottomaanse Rijk – kregen zelfbestuur. Maar de Volkenbond was ervan overtuigd dat deze jonge staten nog niet volwassen genoeg waren om zelfstandig te regeren. Engeland kreeg de opdracht om deze mandaatgebieden ‘op te voeden’. Maar de wereld ging een onzekere toekomst tegemoet. De oorlog had aan negen miljoen soldatenlevens een einde gemaakt en vijf miljoen burgers vonden de dood. Amerika was niet bereid mee te werken aan de nieuwe Volkenbond en Duitsland werd niet toegelaten. En een mysterieuze ziekte verspreidde zich over alle continenten bekend als de ‘Spaanse griep’, die uiteindelijk nog eens 17-50 miljoen slachtoffers zou eisen.

Langetermijngevolgen

De plaatsen waar tijdens de oorlog gevochten was, waren vaak akkers geweest. Deze bleken lang nodig te hebben om te herstellen of waren gevaarlijk om om te ploegen door verdwaalde of weggezonken bommen. Hierdoor moest vooral Frankrijk grote hoeveelheden voedsel importeren. De oorlog had al grote schade toegebracht aan de Franse economie en door de import van goederen uit het buitenland, zou het herstel nog lang op zich moeten wachten.

Veel soldaten waren geschaad uit de oorlog gekomen, niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk. Velen leden aan ‘shellshock’. Dit was een zenuwaandoening als gevolg van hun ervaringen aan het front. Door harde geluiden kon deze ziekte weer toeslaan, hierdoor de oud-soldaat in elkaar doen storten. Daardoor was het voor deze oud-soldaten moeilijk om weer deel te gaan nemen aan het dagelijks leven of hun baan weer op te pakken die ze voor de oorlog hadden gehad. Bovendien werden deze mannen die aan shellshock leden niet begrepen en door hun aandoening als ‘laf’ en ‘niet-mannelijk’ bestempeld. Velen zouden door die combinatie gek worden en soms tot daden als moord of zelfmoord worden gedreven.

Na de Eerste Wereldoorlog waren er heel wat mensen die nooit meer oorlog wilden. Deze mensen worden pacifisten genoemd. Door boeken te schrijven, pamfletten verspreidden en verhalen te vertellen; hoopten deze mensen dat toekomstige oorlogen voorkomen konden worden, want ‘wie wilde nou nog een keer zo’n massaslachting’? Ook in Duitsland werden in de naoorlogse periode anti-oorlogsmonumenten opgericht. Deze monumenten werden later door knokploegen van Hitler vernield.

Subscribe
Abonneren op
0 Reacties
Inline Feedbacks
Bekijk alle aantekeningen