Kenmerkende aspecten tijdvak 8: burgers en stoommachines

Kenmerkende aspecten

31. De industriële revolutie die in de westerse landen de basis legde voor een industriële samenleving.

32. Discussie over de ‘sociale kwestie’.

33. De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie.

34. De opkomst van emancipatiebewegingen.

35. Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces.

36. De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.

Hoofdvragen
  • Op welke manier veranderde de industriële revolutie de samenleving?

  • Wat was de sociale kwestie en welke discussies ontstonden erdoor?
  • Waardoor ontstond het modern imperialisme en welk effect had dit imperialisme op de industrialisatie in Europa?
  • Welke emancipatiebewegingen onderstonden er in de (lange) negentiende eeuw en wat wilden zij bereiken?
  • Hoe werd het kiesrecht steeds verder uitgebreid en wie speelden daarbij een belangrijke rol?
  • Welke politiek-maatschappelijke stromingen hebben de politiek en de samenstelling van Europa beïnvloed? 

31. De industriële revolutie die in de westerse landen de basis legde voor een industriële samenleving

  • Kan uitleggen dat de industriële revolutie de basis legde voor een industriële samenleving.
  • Kan aangeven hoe het productieproces door de industriële revolutie veranderde.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
Leerdoelen
  • Kan uitleggen dat de industriële revolutie de basis legde voor een industriële samenleving.
  • Kan aangeven hoe het productieproces door de industriële revolutie veranderde.
Extra uitleg
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.

De productie van goederen was aanvankelijk nog simpel. De zelfstandige handwerksman vervaardigde thuis, op bestelling, wapens, schoenen of textielproducten. In Groot-Brittannië veranderde dit patroon sinds de Industriële Revolutie er rond 1770 op gang kwam. Steeds meer mensen verhuisden van het platteland naar de stad om daar in een fabriek als loonarbeider aan een machine te gaan werken. Deze machines werden eerst aangedreven door water of wind en later door stoom. Een groot sociaal gevolg was een verandering in de samenstelling van de samenleving. Deze werd niet langer ingedeeld naar afkomst (standensamenleving), maar nu naar economische positie. Hierdoor ontstond een klassensamenleving.

Groot-Brittannië veranderde van een agrarisch-stedelijke samenleving in een industriële samenleving. Deze Industriële Revolutie vond in de negentiende eeuw ook plaats op het Europese vasteland en in de Verenigde Staten.

Bron 1. Dankzij de uitvinding van de stoommachine konden productieprocessen versneld worden. Niet langer was één handwerker bezig met het maken van een product. Maar het had ook andere gevolgen. Een arbeiders was de hele dag bezig met dezelfde handeling, aangezien hij verantwoordelijk was voor maar een deel van het productieproces.

32. Discussie over de ‘sociale kwestie’

  • Kan aangeven dat de woon- en werkomstandigheden van fabrieksarbeiders waren verslechterd door de industrialisatie van Europa en kan hierbij voorbeelden noemen.
  • Kan manieren noemen waarop de slechte woon- en werkomstandigheden verbeterd konden worden.
  • Kan uitleggen waardoor de industrialisatie bijdroeg aan het ontstaan van de sociale kwestie.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
Leerdoelen
  • Kan aangeven dat de woon- en werkomstandigheden van fabrieksarbeiders waren verslechterd door de industrialisatie van Europa en kan hierbij voorbeelden noemen.
  • Kan manieren noemen waarop de slechte woon- en werkomstandigheden verbeterd konden worden.
  • Kan uitleggen waardoor de industrialisatie bijdroeg aan het ontstaan van de sociale kwestie.
Extra uitleg
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.

Door de industrialisatie kregen landen te maken met nieuwe maatschappelijke problemen. De trek van steeds meer mensen naar de steden zorgde voor woningnood. In arbeiderswijken was de huisvesting vaak gebrekkig. Door het ontbreken van riolering en waterleiding bestond er een verhoogd risico op uitbraak van besmettelijke ziekten.

Arbeiders maakten lange dagen in de fabrieken. Dagen van twaalf uur of langer waren geen uitzondering. Het meeste werk was eentonig, vaak ongezond en onveilig. Veel werk werd gedaan door kinderen en vrouwen. Dat ging ten koste van het gezinsleven en de opvoeding van kinderen.

 

Een maatschappelijk probleem

Bron 2. Meisjes die werken in een fabriek. Kinderarbeid was heel normaal in de negentiende eeuw – © 2015, History in Color.

Het probleem van de slechte leefomstandigheden van de fabrieksarbeiders in de negentiende eeuw wordt de sociale kwestie genoemd. Door de concentratie van arbeiders in de arbeiderswijken van grote steden, vielen de problemen meer op. Ze werden ook een grotere bedreiging voor volksgezondheid – want besmettelijke ziekten beperkten zich niet tot een arbeiderswijk – en veiligheid, want de criminaliteit steeg. Maar over de manier waarop dit probleem opgelost diende te worden, waren de meningen verdeeld:

  • Steeds meer rijke burgers vonden dat de ellende van de armen verlicht moest worden met liefdadigheid.
  • Anderen vonden dat ook regeringen hun verantwoordelijkheid moesten nemen. Dat kon door de aanleg van waterleidingen en rioleringen. Het kon ook door het beperken van kinderarbeid, van arbeidstijden en het beboeten van fabrikanten die zich niet aan deze nieuwe regels hielden.

Sommigen vonden zulke staatsbemoeienis te ver gaan, anderen vonden dat de staat juist meer in het maatschappelijke leven moest ingrijpen.

33. De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie

  • Kent drie oorzaken van het moderne imperialisme.
  • Kan een verschil benoemen tussen de ‘oude’ en de moderne vorm van imperialisme.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
Leerdoelen
  • Kent drie oorzaken van het moderne imperialisme.
  • Kan een verschil benoemen tussen de ‘oude’ en de moderne vorm van imperialisme.
Extra uitleg
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.

Door de industriële revolutie in de 19e eeuw kreeg de Europese expansie in Afrika en Azië een nieuwe impuls. Nu bleven Europeanen niet meer in kleine vestigingen in kustgebieden, zoals men had gedaan in de 18e eeuw. Zij veroverden ook de binnenlanden. Met deze nieuwe expansie wilde men drie zaken bereiken:

  • Er werd gezocht naar grondstoffen en afzetgebieden voor de Europese industrie.
  • Stoomschepen maakten overzeese handelscontacten en het vervoeren van soldaten gemakkelijker. Door de aanleg van wegen, spoorlijnen en telegraaflijnen konden Europeanen grotere gebieden effectiever beheersen. Doordat het gemak van overheersing toenam, was men ook eerder bereid een gebied te veroveren.
  • Het nationalisme en de gedachte dat blanke westerlingen een opvoedende taak te vervullen hadden in de niet-westerse wereld speelden bij dit alles een versterkende rol. Niet-westerse gebruiken werden door westerse culturele normen en waarden vervangen.

Rond 1880 ontstond zo een koloniale wedloop tussen Europese landen, waardoor geheel Afrika werd verdeeld en de Europese invloed in grote delen van Azië werd uitgebouwd (= modern imperialisme).

Bron 3. Franse spotprent uit 1898. Waarin de grote Europese mogendheden kibbelen om de verdeling van de wereld. Waar houden zij geen rekening mee?
Bron 4. Het modern imperialisme op het hoogtepunt in 1914.

34. De opkomst van emancipatiebewegingen

  • Kent 3 emancipatiebewegingen uit de negentiende eeuw.
  • Kan met een voorbeeld van een emancipatiebeweging aangeven voor welke rechten die beweging streed.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
Leerdoelen
  • Kent 3 emancipatiebewegingen uit de negentiende eeuw.
  • Kan met een voorbeeld van een emancipatiebeweging aangeven voor welke rechten die beweging streed.
Extra uitleg
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.

In de negentiende eeuw streden groepen die achtergesteld waren voor gelijke rechten (= emancipatiebewegingen). Drie bewegingen waren in Nederland het meest vertegenwoordigd:

  • Zo probeerden arbeiders hun slechte leefomstandigheden te verbeteren door zich te verenigen in vakbonden en politieke partijen, zoals de sociaaldemocratische NVV en SDAP.
  • Nederlandse katholieken en orthodoxe protestanten wilden dat hun scholen ook door de overheid gefinancierd werden. Dat werd de Schoolstrijd genoemd. De orthodoxe protestanten richtten daartoe de ARP op, de eerste politieke partij in Nederland (1879).
  • Feministes, zoals de Nederlandse Aletta Jacobs, wilden de achterstelling van vrouwen ongedaan maken en eisten dezelfde rechten (bijvoorbeeld kiesrecht) en kansen als mannen.
Bron 5. Als leider van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), streed Pieter Jelles Troelstra voor algemeen mannenkiesrecht.
Bron 6. De ARP kreeg commentaar op hun 'Schoolstrijd'. Sommige liberalen beschuldigden de katholieken en protestanten van zelfverrijking.
Bron 7. Niet alleen Aletta Jacobs zette zich in voor kiesrecht voor man en vrouw. Ook 'gewone' vrouwen konden lid worden van de vrouwenkiesrechtvereniging om zo de strijd te steunen.

35. Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces

  • Kan aangeven wanneer in Nederland het algemeen kiesrecht werd ingevoerd.
  • Kan aangeven welke twee emancipatiebewegingen/politiek-maatschappelijke stromingen een belangrijke rol speelden in het verkrijgen van algemeen kiesrecht.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
Leerdoelen
  • Kan aangeven wanneer in Nederland het algemeen kiesrecht werd ingevoerd.
  • Kan aangeven welke twee emancipatiebewegingen/politiek-maatschappelijke stromingen een belangrijke rol speelden in het verkrijgen van algemeen kiesrecht.
Extra uitleg
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.

In de tweede helft van de negentiende eeuw werd in een aantal Europese landen, waaronder Nederland, het kiesrecht steeds verder uitgebreid. In eerste instantie werd het aantal kiesgerechtigden bepaald op basis van belasting. Betaalde je een bepaald bedrag aan belasting, dan mocht je kiezen en verkiesbaar zijn (= censuskiesrecht). Die belastingdrempel werd in verschillende wetsvoorstellen steeds verder verlaagd. Het werd daardoor steeds moeilijker voor kiezers om uit te maken op wie zij moesten stemmen, aangezien stemmer en politicus soms vele kilometers van elkaar verwijderd waren. En je kende de kandidaten namelijk niet persoonlijk. Vandaar dat er politieke partijen ontstonden. Zo kon je op een partij stemmen, en daarmee zeker weten welke kant je stem op ging, ook al kende je de kandidaat niet persoonlijk.

Socialisten wilden algemeen kiesrecht, wat gezien hun doelgroep van arbeiders voor de hand lag. In een aantal landen, waaronder Nederland, werd dat in 1917 ingevoerd.

Feministes wilden onder andere kiesrecht voor vrouwen. Dat kwam er in Nederland in twee stappen: in 1917 mochten vrouwen gekozen worden (= passief kiesrecht) en in 1919 mochten zij ook zelf stemmen (= actief kiesrecht).

Bron 8. Grafiek met daarin de ontwikkeling van het aantal kiesgerechtigde mannen.

Bron 9. Ook na het behalen van algemeen mannenkiesrecht bleef de SDAP actief.

36. De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen

  • kan de standpunten van behoudende liberalen en van vooruitstrevende liberalen in de sociale kwestie herkennen.
  • Kent voorbeelden waaruit blijkt dat het nationalisme bijdroeg aan grensverschuivingen in Europa aan het eind van de 19e eeuw.
  • Kent de standpunten van confessionelen en van liberalen in de Schoolstrijd.
  • Kent de standpunten van sociaal-democraten in de sociale kwestie.
  • Kent 3 kwesties die de Nederlandse politiek na 1875 beheersten en aangeven wanneer en hoe deze kwesties werden opgelost.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
Leerdoelen
  • kan de standpunten van behoudende liberalen en van vooruitstrevende liberalen in de sociale kwestie herkennen.
  • Kent voorbeelden waaruit blijkt dat het nationalisme bijdroeg aan grensverschuivingen in Europa aan het eind van de 19e eeuw.
  • Kent de standpunten van confessionelen en van liberalen in de Schoolstrijd.
  • Kent de standpunten van sociaal-democraten in de sociale kwestie.
  • Kent 3 kwesties die de Nederlandse politiek na 1875 beheersten en aangeven wanneer en hoe deze kwesties werden opgelost.
Extra uitleg
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.

Door de democratische revoluties in de 18e eeuw was er meer dan ooit aandacht voor ´het volk´ als kiezer en kandidaat in de politiek. Tijdens het ancien regime ging alle aandacht nog uit naar de adel of de koning, of, zoals in Nederland, naar rijke burgers (regenten). De vraag was in de negentiende eeuw wat er precies bedoeld werd met ‘het volk’, wat mensen met elkaar verbond en hoe de invloed van het volk vorm moest worden gegeven. Daarop werden verschillende antwoorden gegeven:

Bron 10. Tijdens de grondwetswijziging van 1917, met als bijnaam de Pacificatie, werden een tweetal zaken geregeld. Aletta Jacobs, met het briefje Niks, is nog niet tevreden. Vrouwen kregen alleen maar passief kiesrecht.

  • Liberalen legden de nadruk op het volk als een verzameling vrije individuen. De vrijheid van ieder individu moest zoveel mogelijk beschermd worden. Verder moest de staat zich zo min mogelijk bemoeien met het leven van burgers. Overigens verschilden liberalen onderling van mening over de vraag wie er in aanmerking kwam voor kiesrecht en welke rol de overheid moest spelen in de sociale kwestie.
  • Nationalisten legden de nadruk op het volk als natie, een stamverwante groep mensen die dezelfde taal en cultuur deelden en gevoelsmatig bij elkaar hoorden. De eenheid van het volk was voor nationalisten belangrijker dan de vrijheid van het individu. Zij beschouwden het volk dan ook als eenzelfde groep mensen die extreme voorliefde heeft voor het land waarin zij wonen.
  • Socialisten wezen erop dat tot het volk ook de grote arme massa van arbeiders, bedelaars en andere bezitlozen gerekend moest worden. Zij gingen uit van een tegenstelling tussen deze arme massa en de bezittende klasse. Alleen door een revolutie kon het bezit opnieuw onder de mensen worden verdeeld. Als tussenoplossing koos een deel van de socialisten voor hervormingen langs democratische weg. Zij werden sociaal-democraten.
  • Confessionelen – die die vooral in Nederland actief op de voorgrond traden – zagen het volk het liefst georganiseerd in geloofsgemeenschappen. Alle geloofsgemeenschappen moesten dezelfde rechten hebben en binnen de eigen kring zaken zoveel mogelijk zelf kunnen regelen. Daarom wilden de confessionelen bijvoorbeeld dat ook hun lagere scholen werden gefinancierd door de overheid (= de Schoolstrijd).
  • Feministes wezen erop dat het volk niet alleen bestond uit mannen. Vrouwen moesten volgens hen dezelfde rechten en mogelijkheden krijgen als mannen, bijvoorbeeld het recht om volksvertegenwoordigers te kiezen en aan een universiteit te studeren.

 

Revolutionaire tijden

In 1848 slaagden liberalen in een aantal landen erin hun politieke idealen voor een deel te verwezenlijken. In Nederland lukte dat met de grondwet van Thorbecke. Nederlandse liberalen kwamen na 1850 tegenover andere stromingen te staan, vooral tegenover confessionelen (in de Schoolstrijd) en tegenover sociaal-democraten (in verband met het algemeen kiesrecht en de sociale kwestie).

Twee van deze drie ‘kwesties’ werden in 1917 opgelost:

  • Allereerst kwam er in dat jaar een einde aan de Schoolstrijd. Bijzondere scholen (= alle scholen die buiten het openbaar onderwijs vallen) konden voortaan net als openbare scholen rekenen op subsidie van de overheid.
  • Ten tweede werd met het algemeen kiesrecht in ditzelfde jaar een overwinning geboekt. Door de sociaal-democraten werd algemeen mannenkiesrecht afgedwongen.
  • In 1919 was ook het actieve vrouwenkiesrecht een feit.

 

Europa in de greep van het nationalisme

In 1870 vierden de Italiaanse nationalisten de eenwording van Italië, een jaar later kreeg de koning van Pruisen de Duitse keizerstitel aangeboden tijdens een oorlog tegen Frankrijk.  Maar het nationalisme zorgde na 1900 ook voor verdeeldheid binnen en spanningen tussen staten. Zo wilden Slavische nationalisten zich afscheiden van Oostenrijk-Hongarije en wilden Franse nationalisten revanche op Duitsland voor de nederlaag van 1871.

Bron 11. De Frans-Duitse Oorlog was een van de conflicten die uit een groeiend nationalisme voortkwam. De Fransen verloren de oorlog. Daardoor wilden zijn na deze nederlaag het liefst wraak (revanche) nemen op Duitsland.
Lid worden
Abonneren op
0 Aantekeningen
Inline Feedbacks
Bekijk alle aantekeningen