Koninkrijk der Nederlanden: van revolutie naar pacificatie

Hoofdvragen

Waarom ontstond in 1815 het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en waarom scheidde België zich in 1830 daarvan af?

Waarom en op welke manier breidde het Koninkrijk der Nederlanden in de (lange) negentiende eeuw zijn aanwezigheid in het Indische Archipel verder uit?

Hoe veranderde de Nederlandse economie in de negentiende eeuw op het gebied van landbouw, industrie en handel?

Welke veranderingen deden zich in de negentiende eeuw voor op het gebied van sociale verhoudingen in Nederland?

In het hoofdstuk over de Franse Revolutie heb je kunnen lezen dat heel Europa te maken kreeg met de uitbreidingsdrang van revolutionair Frankrijk. Vooral tijdens de periode van de Franse keizer Napoleon.  Dankzij hem zou de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden ophouden van bestaan, nadat Napoleon zijn jongere broer Lodewijk Napoleon van 1806-1810 aanstelde als koning van Holland. Daarmee werd Nederland onderdeel van het Franse keizerrijk.

In 1813, na de mislukte Franse veldtocht richting Rusland, werd duidelijk dat de laatste dagen van het Franse keizerrijk waren geteld. In Groot-Brittannië werd al gesproken over een Europa na Napoleon. Daardoor kwam Willem Frederik van Oranje, de zoon van de laatste stadhouder die was gevlucht naar Engeland, in beeld. Deze Oranje bleek voor Groot-Brittannië een ideale pion te zijn in hun plan om de rust en vrede te bewaken in het na-Napoleontische tijdperk. De Britten wilden machtsevenwicht in Europa. Zij dachten door Frankrijk te omringen met grote landen, dat Frankrijk niet weer zou overgaan op een veroveringsoorlog. Nederland werd zo’n bufferstaat. Maar de voormalige Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was niet groot genoeg. Het huidige België zou worden toegevoegd. Hierdoor verdubbelde Nederland in omvang, maar kreeg het ook een hele andere bestuursvorm. Van een republiek werd het een gecentraliseerde eenheidsstaat. In deze nieuwe staat was een speciale taak weggelegd voor Willem Frederik; hij werd koning Willem I van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.

Kenmerkende aspecten
  • 31.  De industriële revolutie die in de westerse landen de basis legde voor een industriële samenleving.
  • 32.  Discussies over de ‘sociale kwestie’.
  • 33.  De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie.
  • 34.  De opkomst van emancipatiebewegingen.
  • 35.  Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces.
  • 36.  De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.

Bron 1. De zoon van de laatste stadhouder Willem V komt aan in Scheveningen. Deze Willem Frederik zou uiteindelijk koning Willem I worden.

1. De opkomst van een koninkrijk

Leerdoelen
  • Kent 2 verschillen tussen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden waarmee koning Willem I aan het begin van zijn regeerperiode te maken kreeg.
  • Kan aangeven dat Willem I van de Nederlanden een eenheid probeerde te maken door zich te richten op hervormingen in de economie.
  • Kent 2 machtsmiddelen van de koning die in de grondwet van 1815 waren opgenomen.
  • Kent het ontstaan en het verloop van de Belgische Revolutie.
  • Kan aangeven dat de Belgische onafhankelijkheid internationaal werd gewaarborgd.

In 1815 besloot Groot-Brittannië, samen met de andere overwinnaars uit de Napoleontische oorlogen, het Koninkrijk der Nederlanden te vormen. Koning Willem I kreeg de zware taak dit nieuwgevormde land te regeren. Hij stond echter voor twee grote problemen:

  • Allereerst hadden de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden – het huidige Nederland en België – al twee eeuwen niet meer bij elkaar gehoord. Daardoor hadden de inwoners van deze gebieden ook een andere cultuur, taal en normen en waarden ontwikkeld.
  • Daarnaast hadden beide gebieden zich ook politiek en economisch anders ontwikkeld. Vooral op het gebied van de economie verschilden de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden enorm. Het noorden leefde nog grotendeels van handel, nijverheid en landbouw. Het zuiden daarentegen was langzaam gaan industrialiseren en zich gaan richten op de mijnbouw.

Door deze tegenstellingen, moest de koning telkens verschillende belangen behartigen. Maar Willem I begon aan deze nieuwe taak met veel ijver. Zijn aandacht was vooral gericht op de economie. De koning besloot de industrie in Gent (textiel) en Luik (mijnbouw en metaal) te ontwikkelen door zijn eigen kapitaal in de Gentse en Luikse ondernemingen te investeren.

De producten die in de Nederlanden geproduceerd werden, moesten over de hele wereld verspreid worden maar in het bijzonder in de koloniën. Daarom richtte koning Willem I de Nederlandsche Handelmaatschappij (NHM) op, waarvan hij ook de grootste aandeelhouder werd. Deze maatschappij vormde de schakel tussen de industrie in het zuiden en de handel in het noorden. Nederlandse producten werden naar Nederlands-Indië vervoert en grondstoffen werden mee teruggenomen. De havens van Antwerpen, Amsterdam en Rotterdam profiteerden van deze nieuwe handel. Zo hoopte de koning van Nederland weer de handelsgrootmacht te maken die het in de Gouden Eeuw was geweest.

Bron 2. Koning Willem I in zijn kroningsmantel. Na de nederlaag van Napoleon in de Slag bij Leipzig in 1813 werd hij ingehuldigd als 'soeverein vorst' der Verenigde Nederlanden.
Bron 3. Een koninklijk besluit van Willem I. Door dezen uit te vaardigen, kon de koning zonder goedkeuring van het parlement wetten laten uitvoeren en besluiten nemen.
Bron 4. Het monster, de Nederlandse Handel-Maatschappij (NHM), grijpt alle schepen uit het water die niets met de NHM te maken hebben. Anonieme tekenaar uit 1824.
Autoritair maar ondergeschikt

Ondanks dat koning Willem I allerlei maatregelen nam op eigen initiatief, had de koning niet onbeperkte macht. Bij zijn aantreden moest de koning beloven Dat er een grondwet zou komen, waarin de spelregels van het nieuwe koninkrijk waren vastgelegd. Zo werd Nederland een constitutionele monarchie, waarin de macht van de koning was vastgelegd in deze grondwet. Maar Willem I wilde net zo regeren als de koningen in de rest van Europa: onbeperkt en zonder tegenstand. De grondwet die de koning in zijn macht moest beperken, werd juist zijn machtsmiddel.

  • Allereerst was in de grondwet vastgelegd dat de koning het recht had om ministers te benoemen en ontslaan. Daarnaast moesten deze ministers verantwoording afleggen aan de koning en niet aan de Tweede Kamer, zoals nu het geval is.
  • Ten tweede kon de koning ook buiten het parlement en zijn ministers om regeren. In de grondwet was vastgelegd dat de koning zogenaamde Koninklijke Besluiten (KB) mocht nemen. Door deze besluiten te ondertekenen konden wetten worden uitgevoerd zonder goedkeuring van de Tweede Kamer. Zo’n KB was bedoeld in geval van nood, maar in de praktijk regeerde Willem I bijna volledig via deze besluiten. Hij ondertekende maar liefst vier per dag!

Willem regeerde het liefste zonder inspraak van de Tweede Kamer, doordat deze te divers was. In 1815 woonden in de Noordelijke Nederlanden twee miljoen mensen. Daarentegen hadden de Zuidelijke Nederlanden drie en een half miljoen inwoners. Om overheersing door het zuiden te voorkomen, eiste het noorden dat zij hetzelfde aantal vertegenwoordigers kregen in de Tweede Kamer als het zuiden. Dit verzoek werd door de koning geaccepteerd. Maar ook het zuiden had een verzoek. Omdat in de Zuidelijke Nederlanden nog veel conservatieve adel woonde, wilden zij invloed kunnen uitoefen op het landsbestuur – dat was altijd het recht geweest van de adel – via een Eerste Kamer. Ook deze eis werd geaccepteerd door Willem I, maar met de toevoeging dat de koning de leden van de Eerste Kamer mocht benoemen. Deze Eerste Kamer had het recht om wetten te verwerpen die al in de Tweede Kamer waren goedgekeurd. Beide kamers samen wordt de Staten-Generaal of parlement genoemd. De geringe macht van de Tweede Kamer en de groeiende macht van de koning leidde tot onvrede onder de liberalen. Zij wilden dan ook de macht van de koning terugdringen.

 

De Belgische Revolutie

Bron 5. De Belgische Revolutie.

In de politiek van Willem I was er een sterke voorkeur voor de Nederlandse taal, aangezien dit de taal was van de Noordelijke Nederlanden. Maar deze taal was in het zuiden lang niet zo sterk vertegenwoordigd. Voor velen die in de Zuidelijke Nederlanden woonden, was Frans de moedertaal. Naarmate de macht van koning Willem I toenam, steeg ook de zuidelijke onvrede. Vooral vooraanstaande liberalen en katholieken waren klaar met de manier waarop het noorden zijn politiek, taal, protestantse godsdienst en manier van leven oplegde aan het zuiden. Zo bemoeide koning Willem I zich onder andere met de opleiding tot katholieke priester in de Zuidelijke Nederlanden. Door al deze koninklijke bemoeienissen groeide de onrust in het zuiden.

In de winter van 1829-1830 zou de bom tot uitbarsten. Het zat tegen in de economie en de winter was koud. Door die koude winter was de landbouwopbrengst aanmerkelijk minder dan in eerdere jaren. Dit sloeg over naar de economie. Mensen werden ontslagen en de voedselprijzen stegen schrikbarend. De armere bevolking wees naar Willem I en zijn noordelijke handlangers. In diezelfde winter werd een nieuwe opera-uitvoering gespeeld in Brussel: De Stomme van Portici. In dit stuk werden flinke kritieken geuit richting Willems regering. Veel burgers in de Zuidelijke Nederlanden namen deze kritieken op als een letterlijke boodschap om in opstand te komen. Zij die voor een afscheiding van België waren, organiseerden rellen. Deze rellen zouden groeien in omvang. In augustus zouden massa’s door de straten trekken, terwijl ze riepen om een zelfstandig België.

De Belgische Revolutie was een feit. Koning Willem I stuurde de kroonprins met een legermacht om de opstand te onderdrukken. Maar in plaats van de Brussel – de brandhaard – te belegeren, besloot de prins in gesprek te gaan met de opstandelingen. Hij beloofde plannen voor een bestuurlijke scheiding voor te leggen aan zijn vader. Maar Willem I wilde niks weten van een mogelijk scheiding tussen Noord en Zuid. Waar de kroonprins had gefaald, daar gaf Willem I dezelfde opdracht aan zijn tweede zoon, prins Frederik. Ook die trok met een legermacht op naar Brussel. Enige tijd later vloeide er bloed door de straten van Brussel. Deze hardhandige actie zou het einde betekenen van een mogelijk vreedzame oplossing tussen Noord en Zuid-Nederland.

In 1839 werd in Brussel, door een Voorlopige Regering, de onafhankelijkheid uitgeroepen. Koning Willem I had in 1831 nog een laatste poging gewaagd de opstandige Belgen te onderdrukken: de Tiendaagse veldtocht. Deze veldtocht eindigde in een gigantische nederlaag. Toch wilde Willem I de Zuidelijke-Nederlanden heroveren, maar de grote mogendheden uit Europa hadden andere plannen. Deze eisten dat Willem I ophield met de vijandelijkheden richting de Belgische bevolking. Zo niet, dan zouden Engeland en Pruisen ingrijpen met een eigen legermacht. In 1839 werd de opsplitsing van het Koninkrijk der Nederlanden officieel; koninkrijk België en het koninkrijk der Nederlanden waren geboren. Engeland beloofde België te hulp te schieten als een buitenlandse macht probeerde het nieuwe koninkrijk aan te vallen; om te voorkomen dat Nederland ooit weer een poging zou wagen België te heroveren.

Wij willen Willem weg,
wilde Willem wijzer worden,
willen wij Willem weer.

Bron 6. Tijdens de revolutie werden vaak drie W's op de muren in Brussel gekalkt. De betekenis stond voor het bovenstaande rijmpje.

Bron 7. Een kaart met daarop het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.
Bron 8. Spotprent op de pogingen van de Belgen om een koning te vinden, januari 1831. Bovenaan de lege Belgische troon zonder vorst, aan weerszijden Belgen zonder hoofd. Op de troonhemel een wafel geflankeerd door twee bierpullen Lambiek en Faro. Op de voorgrond zoeken anderen op straat naar een koning.

2. Nederlands-Indië

Leerdoelen
  • Kent 3 oorzaken voor het verval van de VOC.
  • Kan aangeven waarom koning Willem I pas in 1830 van Nederlands-Indië een winstgevend wingewest wist te maken.
  • Kent de werking van het cultuurstelsel met daarin de positie van Nederlanders, Javaanse boeren en edelen; en hoe dit systeem door de Javaanse edelen werd misbruikt.
  • Kent de negatieve milieu en sociale gevolgen en de positieve economische en sociale gevolgen van de invoering van het cultuurstelsel.
  • Kent 3 maatregelen die met de afschaffing van het cultuurstelsel en met de invoering van de Agrarische Wet de Nederlands-Indische economie grootschalig hervormden.
  • Kent de manier waarop de koloniale macht over heel Indonesië werd verspreid met de toepassing van de Atjeh-methode.
  • Kan aangeven hoe in Nederland de Ethische Politiek ontstond; waar dat de politiek zich op richtte en dat Indonesiërs nog steeds politiek werden buitengesloten.

Bron 9. Een kaart van het Indische Archipel. In het rood zijn de huidige gebieden van de Republiek Indonesië aangegeven. Het rode langwerpige eiland onderaan is Java.

De eilanden in het Indische Archipel – het huidige Indonesië – waren tijdens de periode van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in handen geweest van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). In de loop van de achttiende eeuw raakte de VOC in verval. Hier zijn enkele redenen voor te geven.

  • Allereerst kreeg de VOC steeds meer last van Britse en Franse concurrentie. De Britten organiseerden hun koffie- en theehandel veel efficiënter.
  • Ten tweede werden de Engelsen en de Nederlanders steeds vijandiger tegen elkaar. Toen de invloed van Frankrijk op Nederland steeds groter werd, besloten de Engelsen in een reeks van oorlogen de Nederlandse bezittingen in Indonesië zelfs in te nemen. Hierdoor kon er niet meer gehandeld worden.
  • Ten derde kwam daarbij dat de VOC werd bestolen door haar eigen personeel. Velen gebruikten VOC-producten om hun privéhandel te financieren.

In 1780 kwam de VOC in de rode cijfers. Dat betekende een neerwaartse spiraal voor de VOC. De schulden van de compagnie liepen steeds verder op, totdat de Nederlandse overheid zich gedwongen zag de VOC-bezittingen over te nemen.

 

Naar een wingewest

De Verenigde Oost-Indische Compagnie werd opgeheven, doordat het failliet was gegaan. De Nederlandse overheid nam de bezittingen van de compagnie over, maar wat moest Nederland doen met alle VOC-bezittingen? Die zomaar opgeven was geen optie. De Nederlandse staat wilde voor elkaar krijgen waarin de VOC had gefaald: een winstgevend wingewest. In 1814 kwam Indonesië onder het gezag van koning Willem I van het Koninkrijk der Nederlanden te staan. De koning was optimistisch: Nederland zou welvarend worden met behulp van de Indonesische kolonie. Om de kolonie welvarend te maken werden stappen ondernomen. In Willems visie van Nederlands-Indië zouden Indonesiërs en Nederlanders samenwerken.

Van de mooie plannen van koning Willem I kwam niets terecht. De kolonie maakte geen winst, ze kostte elk jaar meer geld. De Nederlandse ondernemers voeren naar Indonesië toe met verouderde schepen, soms nog uit de VOC-periode. Deze schepen waren langzaam en hadden weinig laadruimte. Daardoor konden zij niet concurreren met de Britse en Amerikaanse ondernemers die met het verdwijnen van de VOC ook naar Nederlands-Indië waren gekomen om te handelen. Bovendien wilden veel Javaanse boeren niet werken voor Nederland. Daarom werd de Nederlandse wil vaak met geweld opgelegd. Dit leidde tot opstanden. De Javaanse prins Diponegoro leidde zo’n gewelddadige opstand in 1825 (bron 10). Hij kreeg massale aanhang en wist het Nederlands leger grote nederlagen toe te brengen. Pas na vijf jaar werd Diponegoro gedwongen zich over te geven. Deze Java-Oorlog had aan tweehonderdduizend mensen het leven gekost, zowel aan Indonesische als aan de Nederlandse kant.

Door het groeiende verzet en de oplopende kosten, besloot Koning Willem I het roer om te gooien. De koning benoemde Johannes van den Bosch tot gouverneur-generaal. Van den Bosch behoorde tot de oude VOC-elite. Bovendien geloofde Van den Bosch niet in de vrijheid en gelijkheid, de idealen van de Franse Revolutie. ‘In de tropen waren de mensen nou eenmaal sloom, lui en dom’ aldus Van den Bosch. Daarom voerde hij in 1830 het cultuurstelsel in. Met dit stelsel kon de ‘inheemse inlander’ gedwongen worden om hard te werken. Johannes van den Bosch vond dat heel Indonesië van Nederland was. Als eigenaar van de grond mocht de Nederlandse overheid een vergoeding eisen van de boeren voor het gebruik van die grond, een soort huur. Met het cultuurstelsel werd de Javaanse bevolking gedwongen door de Nederlandse overheid deze huur te betalen. De vergoeding moest in exportgewassen worden betaald zoals koffie, thee, suiker, tabak of indigo. Per dorp bepaalde het gouvernement wat er moest worden geleverd door de Javaanse boeren. Elke boer moest één vijfde van zijn land inrichten voor die exportgewassen, die verwerkt zouden worden tot exportproducten. Wanneer de boeren naar verwachting hadden geproduceerd, kregen zij een kleine vergoeding voor die gewassen: plantloon.

Bron 10. Diponegoro, de zoon van een sultan, was een diepgelovige moslim. Hij geloofde dat het zijn heilige taak was om heel Java te bevrijden van de 'heidenen' om zodoende heerser van heel Java te worden. Hij kreeg zowel de steun van de inlandse (inheemse) edelen, gewone bevolking als de islamitische geestelijken.
Bron 11. Een Javaan aan het werk op een tabaksveld. Ondanks dat rond 1860 het cultuurstelsel zou worden afgeschaft, betekende dit nog niet dat ook de werk- en leefomstandigheden van de Javanen ook zou verbeteren.
Bron 12. Om de plaatselijke elite tevreden te houden, introduceerde de Nederlandse Handel-Maatschappij de drug opium. Door de verdovende en gelukmakende werking van opium was het een geliefde vrijetijdsbesteding van de Javaanse adel. Opium was heel verslavend. De NHM was de enige die in Opium mocht handelen, waardoor de verslaafden volledig afhankelijk waren van de handelsmaatschappij.

De Nederlandse overheid werd de grootste ondernemer op het eiland. Het vervoer van de cultuurproducten werd gedaan door de in 1824 door Willem I opgerichte Nederlandse Handelsmaatschappij, die het alleenrecht kreeg op het vervoer van die koloniale producten. Met dit systeem was er geen plaats meer voor Nederlandse, Franse of Engelse ondernemers.

Om het cultuurstelsel op rolletjes te laten verlopen werden de inheemse bestuurders betrokken bij het stelsel. Nederlandse ambtenaren gaven bestellingen door aan inheemse bestuurders, vaak plaatselijke adel. In ruil voor de samenwerking met de Nederlandse overheid kregen de inheemse bestuurders een percentage van de opbrengst uit dit cultuurstelsel: de cultuurprocenten. Maar dit leidde vaak tot misbruik. De adel had baat bij een zo groot mogelijke opbrengst van cultuurproducten. Hoe groter de opbrengst in producten, hoe groter ook de opbrengst in cultuurprocenten. Daarom dwongen veel Javaanse edelen hun boeren tot het verbouwen van extra cultuurproducten. Dat ging ten koste van het produceren van rijst; het hoofdvoedsel van de Javanen.

Het cultuurstelsel had grote gevolgen voor Java. Rond 1850 was bijna de helft van de Javaanse bevolking betrokken bij dit stelsel; in zowel het verbouwen als het vervoeren van de exportgewassen. Bovendien was een derde van de Nederlandse staatsinkomsten afkomstig uit Indonesië. De Nederlandse schatkist werd statig gevuld door de inkomsten uit het cultuurstelsel.

 

Negatieve gevolgen

Het succes van het cultuurstelsel wekte in het buitenland jaloezie op. Frankrijk en Engeland overwogen het Nederlandse bestuursstelsel in te voeren in hun eigen koloniën, omdat het zo effectief was gebleken. Maar er was ook kritiek. Met zijn roman Max Havelaar uitte Multatuli kritiek op de Nederlandse ambtenaren. De ambtenaren deden alsof ze de plaatselijke bevolking hielpen door de corruptie van de Javaanse adel te bestrijden, maar in werkelijkheid hielpen ze gewoon mee bij het uitbuiten van de Javaanse bevolking.

Bron 13. Portret van de schrijver Multatuli (pseudoniem) oftewel Eduard Douwes Dekker. Douwes Dekker zette zich als een van de eerste Nederlanders in voor het lot van de Indonesiër.

Onder het cultuurstelsel was de werkdruk drie keer zo hoog als tijdens de VOC-periode: drie op de vijf Javanen moest exportgoederen verbouwen om aan de belastingen van de Nederlanders te kunnen voldoen. Vooral de koffieplantages leverden zwaar werk op. Koffie groeide in hoge, afgelegen streken, die soms alleen bereikbaar waren langs smalle bergpaadjes. Koffie was in de 19e eeuw steeds winstgevender geworden, omdat in steeds meer Europese steden koffie werd gedronken. Als gevolg hiervan werden steeds meer plantages aangelegd. Om ruimte te maken voor deze nieuwe plantages werden hele stukken oerwoud weggekapt. Om aan genoeg arbeiders te komen, dwongen de Nederlanders de Javanen hele dorpen te verplaatsen naar die toekomstige plantages.

Suiker werd verbouwd op bestaande landbouwgronden. Ook dit had nadelen. Suikerriet had veel water nodig om te groeien, rijst daarentegen ook. De ondergelopen sawa’s kregen door het suikerriet te weinig water, waardoor vele rijstoogsten mislukten. Daarbovenop werden de boeren door het gouvernement en de Javaanse adel ingezet bij de aanleg van wegen en gebouwen. De boeren waren door dat soort projecten soms weken niet te vinden op hun eigen landbouwgrond. Die afwezigheid had misoogsten van rijst en exportproducten tot gevolg.

 

Positieve gevolgen?

Het cultuurstelsel bracht niet alleen ellende met zich mee. De aanwezigheid van Nederland had een einde gemaakt aan de voortdurende oorlogen tussen de verschillende Javaanse heersers. Daarnaast werden havens en infrastructuur aangelegd door de Javaanse bevolking, om de export producten zo snel mogelijk naar Nederland te krijgen. De verplichte bouwprojecten en  van het Nederlandse gouvernement waren dan wel niet vrijwillig, de Javaanse boeren kregen er wel voor betaald. Zo werd veel geld gepompt in de tot dan toe bijna geldloze Javaanse economie. Met dat geld werden producten als Twents textiel uit Nederland gekocht. Het gevolg was dat de algehele welvaart iets was toegenomen.

In de periode 1845-1850 werden grote delen van Java getroffen door hongersnoden en aardverschuivingen. In de zwaarst getroffen gebieden was een op de vijf Javanen om het leven gekomen. Het gouvernement besefte dat de druk op de bevolking en de natuur te groot was geworden. Minister van Koloniën De Waal besloot in 1870 de Agrarische Wet in te voeren. Daarmee werden enkele maatregelen genomen.

  • Allereerst werd de verplichte suikerrietcultuur werd afschaft en de aanleg van nieuwe koffie-  indigo- en suikerrietplantages werd aan banden gelegd. De productie van dat soort winstgevende producten mocht voortaan alleen worden verhoogd door verbetering van de landbouwmethoden. Zo hoopte de Nederlandse overheid uitputting en erosie van het gebied te voorkomen, aangezien rijstvelden niet meer uitgeput werden en oerwoud niet meer omgekapt zou worden.
  • Ten tweede mochten particuliere ondernemers naar Nederlands-Indië komen om te investeren. Voortaan was het niet alleen de Nederlandse overheid die bepaalde wat er geproduceerd en verbouwd werd. Dit bleek zeer effectief. In de periode van 1870-1914 verviervoudigde de export van tabak. In diezelfde periode kwamen ondernemers er ook achter dat de grond rijk was aan aardolie, zilver, koper en tin. Met de komst van de eerst auto’s, nam de vraag naar rubber voor banden ook toe. Men ontdekte dat rubberbomen uitstekend groeiden op de eilanden Sumatra en Borneo.
  • Tevens probeerde het gouvernement hongersnoden in de toekomst  te voorkomen. Het ging zich bemoeien met de productie van rijst. Het gouvernement ging het aantal sawa’s verdubbelen. De nieuwe rijstvelden zou de Javaanse bevolking van genoeg eten voorzien. Vanwege die rijstproductie kon de Javaanse bevolkingsomvang tussen 1850-1870 groeien van negen tot zestien miljoen.
Bron 14. Ook vandaag de dag wordt rijst verbouwd op de Indonesische sawa's.
De Atjeh-methode

Voor 1870 hoorden alleen op papier alle Indonesische eilanden bij Nederland. In de praktijk waren alleen Nederlanders te vinden op het eiland Java. Na 1870 veranderde dat. Met de inzet van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) werd het Nederlandse gezag na dat jaar aanzienlijk uitgebreid. Vooral in Atjeh en op Lombok was het verzet tegen het Nederlandse modern imperialisme groot. Om trouw af te dwingen zou het KNIL de tegenpartij breken door hele dorpen in brand te steken en rijstvelden in as te leggen. Dit bleek zo effectief dat diezelfde Atjeh-methode ook op andere plekken zou worden toegepast. Na de oorlog tegen Atjeh was er nog weinig verzet. De inheemse bevolking kon weinig beginnen tegen de moderne wapens van het KNIL. ‘Indië was gepacificeerd’.

 

Moderne idealen

Rond de eeuwwisseling drong het tot steeds meer Nederlanders door dat een groot deel van de Indische bevolking onder slechte omstandigheden leefde. Maar de Nederlandse regering – nog steeds voor het grootste gedeelte liberaal – wilde zich zo min mogelijk bemoeien met de economische, politieke en sociale positie van de Indonesiër. Daarentegen vonden de oppositiepartijen het schandalig dat hun land niets terugdeed voor de kolonie waaraan het zoveel had verdiend. Vooral de religieuze politici in de oppositie vonden dat Nederland ‘tijdelijk de macht had over Indonesië’, het had de voogdij over een bevolking die moest worden opgevoed om uiteindelijk zelfstandig te worden.

Bron 14. Generaal van Heutsz zou het sultanaat Atjeh met veel geweld bedwingen. Ook de latere minister-president Hendrik Colijn kreeg militaire ervaring door mee te vechten in de Atjeh-Oorlog.

In 1899 werd door de liberaal Van Deventer – die advocaat was geweest op Java – een fel pleidooi voor de Tweede Kamer gehouden, waarin hij beargumenteerde dat Nederland verantwoordelijk was voor alle ellende in Nederlands-Indië. De Nederlandse overheid had daarom een ‘ereschuld’ in te lossen. Het pleidooi maakte diepe indruk, want het was tenslotte ‘één van hen’, een liberaal, die afstapte van de gebruikelijke liberale houding. De reactie hierop was dat in de volgende jaren een nieuw koloniaal beleid werd opgezet. Tegelijkertijd werd in Nederland steeds meer nagedacht over de vraag, hoe men de Indische bevolking ‘meer beschaving kon bijbrengen’. Vooral christelijke politici hielden zich met dit vraagstuk bezig. Deze politici vonden dat beschaving gebracht moest worden; niet alleen in de vorm van christelijke waarden, maar ook door de kwaliteit van het onderwijs, de gezondheidszorg, welvaart en welzijn van Indonesiërs in Indië te verbeteren. Die nieuwe houding zou de officiële politieke koers worden van de Nederlandse regering: de Ethische Politiek. Maar van respect voor de Indische cultuur of invloed van Indonesiërs op het bestuur was geen sprake. ‘Pas als Indonesiërs een ontwikkeling hadden doorgemaakt, dan mochten ze meebesturen’ was de leidende gedachte.

Opdracht 2.5 Video: het ontstaan van Nederlands-Indië

Met behulp van de onderstaande vragen en de video ga je de overgang van de VOC-bezittingen naar Nederlands-Indië onderzoeken. Hierbij richt jij je vooral op de economische en sociale kant van die overgang. Beantwoord de vragen tijdens het kijken van de video.

Bekijk de bovenstaande video. Deze kan je elk moment stoppen als je een antwoord in wil vullen.

3. Van landbouw tot industrie

Leerdoelen
  • Kan aangeven hoe de Nederlandse economie in de negentiende eeuw veranderde op het gebied van landbouw, industrie en handel.
  • Kent 2 oorzaken waardoor de eerste Nederlandse ondernemingen die binnen hun productieproces overstapten op het gebruik van stoommachines mislukten.
  • Kent het verschil tussen een stapelmarkt en transitohandel.

Aan het eind van de achttiende eeuw was in Engeland de Industriële Revolutie begonnen. In dit land was de economie snel aan het veranderen. Vanaf 1800 zouden België, Noord-Frankrijk en Duitsland volgen. Maar in Nederland was nog maar nauwelijks sprake van industrialisatie. In de vruchtbare Nederlandse kustprovincies werd aan gespecialiseerde landbouw gedaan. Hier richtten welvarende boeren zich op de teelt van handelsgewassen en tuinbouwproducten, die in de Nederlandse nijverheid werden verwerkt. In de drassige lagergelegen gebieden richtte men zich op de veeteelt. Maar veel vaker was er sprake van gemengde landbouw. Armere boeren in het midden en zuiden van Nederland deden aan akkerbouw en veeteelt en produceerden vooral om in de eigen levensbehoefte te voldoen. Door deze vormen van landbouw waren de meeste Nederlandse bedrijven gericht op het produceren voor de binnenlandse markt en maar deels op die voor de buitenlandse markt. Vooral producenten die gericht waren op het maken van ambachtelijke producten hielden vast aan de eeuwenoude productiemethoden en waren niet bereid gebruik te maken van machines binnen het productieproces. Zo werd in Delft nog met de hand aardewerk gevormd en beschilderd. Pas in de late negentiende eeuw zou de land- en tuinbouw zich meer gaan richten op het buitenland als gevolg van stijgende vlees, zuivel, suiker, groente en fruit prijzen; en de dalende prijzen van graan en aardappelen. De ‘gewone man’ hield nu geld over voor speciale producten, die eerder onbetaalbaar waren.

 

Waterkracht en handel

In Engeland werd het gebruik van de stoommachine binnen het productieproces – om goedkoop en snel te produceren – steeds populairder. Maar in Nederland was dat minder het geval. De eerste ondernemingen die overstapten op het gebruik van de stoommachines om zo tot massaproductie over te gaan mislukten. Daar zijn twee oorzaken voor te geven:

  • Ten eerste beschikte Nederland niet over grote hoeveelheden steenkool. Dit moest vanuit het buitenland worden aangevoerd. Dat was een kostbare onderneming. Wat dus bespaard werd op het productieproces, was men weer kwijt aan aanvoerkosten van steenkool.
  • Ten tweede duurde het lang voordat de stoommachines zodanig geperfectioneerd en energiezuinig waren dat ze betrouwbaar waren en een goedkoper alternatief voor wind- en watermolens. Die laatste twee aandrijfmethoden zouden dus nog lang worden gebruikt

Pas rond 1850 zouden de eerste industrieën worden opgezet in het oosten en zuiden van Nederland. Daar lagen van oudsher de lonen al lager dan in de grote steden als Amsterdam en Den Haag. Voorbeelden daarvan zijn de katoenindustrie in Twente en de wolindustrie in Tilburg. In deze industrieën waren veel arbeidskrachten nodig. Vandaar dat arbeidsintensieve industrieën zich daar concentreerden, omdat daar de kosten het laagst waren. In de tweede helft van de negentiende eeuw zouden juist kapitaal- en grondstofintensieve industrieën in Holland worden opgezet, als gevolg van de gemakkelijke aanvoer van staal en andere grondstoffen via de havens.

Bron 15. In de zestiende en zeventiende eeuw werd nog veel met de hand geproduceerd, vaak voor de eigen markt. Wat zou dat doen met de prijs van de producten?
Bron 16. Tijdens de industrialisatie van Nederland werd het productieproces massaler en minder arbeidsintensief. De machine produceerde het product. De arbeider hoefde alleen de machine lopende te houden.
Van stapelmarkt naar transitohandel

In de Gouden Eeuw, de zeventiende eeuw, hadden Nederlandse kooplieden hun kapitaal verdient door producten in te kopen en voor meer geld te verkopen. Zij ‘stapelden’ producten op en wachtten net zo lang tot de prijs was toegenomen, om dan hun koopwaar weer te verkopen in het buitenland. Maar dit was moeilijker geworden in de achttiende eeuw, doordat steeds meer landen hun eigen handel hadden beschermd door het voor buitenlandse handelaren moeilijker te maken. Zo ook de Franse vorst Lodewijk XIV. Hollandse handelaren moesten flinke belastingen betalen om producten in Frankrijk te mogen verkopen. Daardoor werd het voor Fransen niet meer aantrekkelijk om ‘Nederlandse producten’ te kopen.

In de negentiende eeuw werden veel van die beschermende maatregelen afgeschaft. Hier profiteerden de Nederlandse handelaren van. Mede door de verbeterde transportmogelijkheden, kon Nederland in de tweede helft van de eeuw opnieuw gaan profiteren van de gunstige ligging aan de Noordzee en de grote rivieren. Maar de handel was ondertussen wel veranderd. Niet langer konden producten worden opgeslagen, om later verkocht te worden. Snellere communicatie met de telegraaf en de snelheid van vervoer met stoomschepen had de rol van de koopman overbodig gemaakt. Producten waren bijna het hele jaar door te verkrijgen. Stapelen werd overbodig. Voorkeur werd gegeven aan het vervoer van grote hoeveelheden grondstoffen en producten. Nederlandse havens deden dienst als doorgeefluik voor de snelgroeiende industrieën in Duitsland en Engeland. Deze industrieën betaalden de Nederlandse transporteurs voor hun snelheid en de hoeveelheden die er verscheept werden. Deze wijze van handeldrijven staat bekend als transitohandel. In de negentiende en twintigste eeuw zou veel geld verdiend worden met deze vorm van handelen. Maar de afhankelijkheid van het buitenland maakte de Nederlandse economie ook kwetsbaar. In tijden van oorlog – vooral de Eerste en Tweede Wereldoorlog – zou dit voor grote problemen zorgen.

4. De sociale kwestie

Leerdoelen
  • Kan uitleggen waardoor de industrialisatie bijdroeg aan het ontstaan van de sociale kwestie.
  • Kunt voorbeelden noemen van de slechte woon- en werkomstandigheden van fabrieksarbeiders en kan manieren noemen waarop deze omstandigheden konden worden verbeterd.
  • Kan aangeven wanneer, waarom, door wie en waarmee de eerste stappen werden genomen om een einde te maken aan de sociale kwestie.

De situatie tijdens de industrialisatie in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden was vergelijkbaar met de situatie in andere opkomende industriële landen. Doordat in zowel de landbouw als de nijverheid nog lange tijd met de hand werd geproduceerd, was er nauwelijks plaats voor machines. In plaatsen waar deze machines wel werden gebruikt, waren de werkomstandigheden slecht. Arbeiders moesten lange dagen maken, werken voor lage lonen, in vaak onveilige werkomstandigheden. Zo kwam het voor dat Twentse textielarbeiders twaalf uren achterelkaar moesten werken in giftige ammoniak dampen. Daarnaast was er niet altijd genoeg werk om de arbeiders het hele jaar door in dienst te houden. Was er te weinig werk, dan zaten zij een deel van het jaar thuis zonder inkomen. Dit was vooral zwaar voor alleenstaande vrouwen met kinderen, want zij krijgen de helft minder uitbetaald dan mannen. Maar ook de leefomstandigheden van deze arbeiders waren slecht. Ze woonden in tochtige kleine huisjes, zonder riolering om de gezinnen van schoon water te voorzien; vaak precies op de plek waar de giftige dampen uit de fabriek naartoe dreven. Velen zouden dan ook ziek worden. In de eerste helft van de negentiende eeuw trokken de fabriekseigenaren zich weinig aan van deze sociale misstanden. Hun houding: ‘winst was belangrijker dan werk- en leefgeluk’!

Bron 17. De bovenstaande afbeeldingen geven de 'sociale kwestie' goed weer. Arbeiders hadden vaak niet het inkomen of de kennis om hun leefomstandigheden te verbeteren - Publiek Domein.

Bron 18. In 1874 verscheen deze prent, naar aanleiding van het aannemen van het Kinderwetje.
Een sociale kwestie?

Die houding sloeg in de tweede helft van de negentiende eeuw om. Mensen uit hogere klassen – zoals dominees, pastoors, schrijvers en artsen – vonden dat het zo niet langer kon. Zij zagen de samenleving verslechteren. Sommigen van hen vonden dat de ellende van deze arme arbeiders verlicht moest worden met liefdadigheid. Andere besloten pamfletten te publiceren en rapporten op te stellen, waarmee zij de overheid probeerden te overtuigen iets te doen aan deze ‘sociale kwestie’. Zo ook de arts J. Penn die werkte op de Veluwe. Hij publiceerde een rapport over alcoholmisbruik onder de arbeidersklasse. Hij zag hele gezinnen in erbarmelijke omstandigheden wonen; niet in staat om te ontsnappen aan die omstandigheden. In plaats van de leefomstandigheden van het gezin te verbeteren, grepen vaders naar de fles; om zo te proberen de dagelijkse ellende te vergeten.

De oplossing van die sociale kwestie werd in diezelfde tweede helft van de negentiende eeuw een van de meest belangrijke politieke thema’s. Maar alleen de meest duidelijk zichtbare problemen werden aangepakt – en vaak nog halfslachtig. Een belangrijke stap werd gezet toen de liberaal Samuel van Houten kinderarbeid tot aan twaalf jaar verbood. Dit was bijzonder, aangezien liberalen zich zo min mogelijk wilden bemoeien met de economie. Maar Samuel vond het verkeerd dat veel kinderen nooit hadden leren lezen, schrijven en rekenen omdat ze al op 7-jarige leeftijd in de fabriek waren te vinden. Met dit Kinderwetje werden de eerste stappen gezet naar een meer sociale wetgeving. Een wetgeving waarbij kansenverschillen tussen arm en rijk kleiner werden. Toch bleven tot aan 1900 nog veel kinderen in de fabriek werken, want er was weinig controle en veel ouders konden de inkomsten van hun kinderen niet missen. Pas met de invoering van de leerplicht in 1900 had de overheid een instrument om kinderarbeid aan te pakken.

Opdracht 4.5 Video: Amsterdam en Sarphati, een arts zonder grenzen

Met behulp van de onderstaande vragen en de video ga je onderzoeken wat Nederlandse artsen, schrijvers en andere filantropen deden om de ‘sociale kwestie’ aan te pakken. De opdracht bestaat uit een aantal secties, met elk 2 vragen. Beantwoord de vragen tijdens het kijken van de video. De negende vraag beantwoord je pas als je de video helemaal hebt afgekeken. Gaat de video te snel? Zet hem dan op pauze en denk rustig na over de vraag.

Literatuur

Baardewijk, Frans van. Geschiedenis van Indonesië. Den Haag: Walburg Pers, 2006.

Blom, Hans. Geschiedenis van de Nederlanden. Amersfoort: ThiemeMeulenhoff, 2005.

Palmer, R. R., Colton, J., en Kramer, Loyd. A History of the Modern World. Boston: Mc Graw Hill, 2007.

Riessen, Marcel van. Oriëntatie op geschiedenis: basisboek voor de vakdocent. Assen: Drukkerij Van Gorcum,  2016.

Riessen, M.G. Nederland en Indonesië: Vier eeuwen contact en beïnvloeding. Groningen: Wolters-Noordhoff, 2000.

Subscribe
Abonneren op
0 Reacties
Inline Feedbacks
Bekijk alle antwoorden