Historisch denken en redeneren

De eindexamensyllabus van Havo/Vwo stelt dat leerlingen naast historische kennis ook historisch moeten kunnen redeneren. Geschiedenis is meer dan alleen leren over de gebeurtenissen uit het verleden. Leerlingen moeten ook de vaardigheden eigen maken om het verleden te kunnen interpreteren, om een weloverwogen oordeel hierover te kunnen vellen. Het is de taak van de docent om de relevantie van het historisch denken over te brengen aan zijn leerlingen, aangezien het een opzichzelfstaand leerdoel is binnen het geschiedkundig curriculum. De verzamelnaam van al deze vaardigheden, die gepaard gaan met de interpretatie van het verleden is ‘historisch redeneren’. Dit redeneren is nog steeds een alomvattend en tevens nietszeggend begrip. Daarom verstaan wij onder historisch redeneren:

 

  1. Het stellen van historische vragen
  2. Het gebruik van bronnen
  3. Contextualiseren
  4. Argumenteren
  5. Het gebruik van historische begrippen
  6. Het gebruik van structuurbegrippen

 

Alle zes vaardigheden worden gebruikt om het verleden te structureren, want zonder duidelijke structuur is het onmogelijk historische verschijnselen te beschrijven, vergelijken of te verklaren.

 

Vragenstellen/vraagstellingen

Stuk voor stuk hebben de zes vaardigheden een eigen functie binnen het historisch denken. Het stellen van vragen zou beschouwd kunnen worden als de katalysator van het historisch onderzoek. Historici zullen benadrukken dat een goed historisch betoog staat of valt met de juiste vraagstelling. De vraag geeft immers structuur aan datgene wat behandeld wordt. Om het specifieker te maken zou ook gesteld kunnen worden dat elke vraagsoort bij de leerling, weer een andere redenering ontlokt. Vragen die evaluatief of oordelend van aard zijn, vragen om een analytische redenatie. ‘Wat is de belangrijkste oorzaak voor de val van het Romeinse rijk’? Leerlingen moeten meerder oorzaken afwegen en een oordeel over elke oorzaak vellen. Dit vraagt meer van hun analytisch vermogen dan reproduceer vragen, waar ze simpelweg moeten beschrijven.  In het verlengde hiervan ligt ook het vermogen deze vragen te kunnen stellen. Wat gaat er onderzocht worden? Met welke vraag kom ik tot de gewenst conclusie? Door goede vragen te stellen zullen de leerlingen de aard van het formuleren en argumenteren ook beter onder de knie krijgen.

Herodotus, vader van de geschiedenis

Brongebruik

Het lijkt misschien evident, maar beweringen over het verleden worden gedaan op basis van overblijfselen uit het verleden. Voor leerlingen is het lastig beweringen te doen over het verleden met behulp van een bron. Vaak gaan leerlingen ervan uit dat een bron uit het verleden per definitie betrouwbaar is, omdat de bron uit het verleden komt. Docenten weten wel beter. Bronnen zijn pas betrouwbaar als ze getoetst kunnen worden. Bronkritiek helpt de betrouwbaarheid te meten. Wie heeft de bron gemaakt? Waarom is de bron gemaakt? Met welk doel? Deze vragen helpen feit van fictie te scheiden. Een vaardigheid die leerlingen vakoverschrijdend toe kunnen passen.

 

Context creëren

‘Meneer, wat stom dat de mensen uit de middeleeuwen alles toeschreven aan god’. Anachronismen door leerlingen komen niet voort uit onwelwillendheid, maar uit een gebrek van contextueel besef. Een historisch verschijnsel kan alleen begrepen worden als het binnen een specifieke tijd, samenleving en in relatie met andere verschijnselen wordt begrepen. ‘Inlevingsopdrachten’ in alle belangrijke methodes zijn dan ook niet bedoeld de leerling een sublieme historische ervaring, alla Ankersmit te geven, maar om de leerlingen vanuit een historisch perspectief te laten redeneren. De leerling wordt gedwongen de historische gebeurtenis te contextualiseren. Het doel van het geschiedkundig onderwijs op de middelbare school is dan ook niet historische feitenkennis te vergaren, maar een historisch kader te creëren. Dit historisch kader, ook wel de kenmerkende aspecten genoemd, dienen als kader van waaruit leerlingen individuele gebeurtenissen kunnen contextualiseren.

 

Argumenteren

Het kunnen beargumenteren van een standpunt is het meest voordehand liggende onderdeel van het historisch redeneren, maar ook gelijk het moeilijkste onderdeel. Leerlingen kunnen vaak hun eigen standpunt geven, maar niet ontkrachten. Juist het kunnen argumenteren vanuit verschillende perspectieven is belangrijk. Wij willen tenslotte onze leerlingen meegeven dat de geschiedenis, de samenleving niet zwart en wit is maar grijs. De manier waarop je ernaar kijkt bepaalt wat voor ‘objectiviteit’ doorgaat.

 

Het gebruik van historische begrippen

Een historisch begrip is het vakjargon van waaruit er over het verleden wordt gesproken. Het gaat hierom begrippen zoals: farao, feodalisme, absolute vorst en klassieke vormentaal. Deze begrippen zijn lastig, aangezien ze niet naar concrete gebeurtenissen verwijzen maar naar abstracties. Tevens zijn deze begrippen lastig omdat ze verwijzen naar abstracties uit het verleden. Handel hedendaags heeft een andere betekenis dan handel in de middeleeuwen. In de geschiedenislessen wordt er vaak aandacht gegeven aan de betekenis van deze begrippen. Een begrip wordt uitgelegd, maar weinig aandacht gaat uit naar het correct toepassen van het begrip. Je moet van leerlingen kunnen verwachten dat ze historische begrippen gebruiken in hun argumentatie of de beantwoording van een historische vraag.

 

Het gebruik van structuurbegrippen

Structuurbegrippen hangen samen met de vaardigheid historische vragen te stellen. Structuurbegrippen gaan over oorzaak en gevolg, verandering en continuïteit. Structuur begrippen worden gebruikt bij het onderzoeken van historische gebeurtenissen. Leerlingen moeten een scherp beeld hebben bij de betekenis van zo’n dergelijk begrip. Wat wordt precies gevraagd bij een oorzaak? Wat betekent een verklaring geven? Deze structuurbegrippen vereisen een handeling van de leerling en moeten dan ook zo behandeld worden in de lessen. Leerlingen moeten de daad bij het woord kunnen identificeren.

 

Toepassing in de les

Geschiedenisonderwijs is meer dan alleen het onderwijzen van feiten. Deze feiten moeten binnen hun context geanalyseerd, beargumenteerd en bekritiseerd kunnen worden. Vaak ligt de focus in het klaslokaal op het overbrengen dan historische gebeurtenissen en wordt weleens vergeten ook aandacht te besteden aan de verwerking en toepassing van deze kennis. Sta in het klaslokaal eens stil bij deze vaardigheden, benoem ze. Maak duidelijk aan je leerlingen wat ze aan het doen zijn en waarom de vaardigheden van belang zijn.

 

 

 

 

Literatuur

Boxtel, Carla en Drie, Jannet van, ‘Het vermogen tot historisch redeneren: onderliggende kennis, vaardigheden en inzichten’, in Hermes 12 nr. 43 (maart 2008), 45-58.

Wilschut, Arie, Geschiedenisdidactiek: handboek voor de vakdocent. Bussum: Uitgeverij Cotinho, 2016.