Kenmerkende aspecten

Tijdens het examen word je getoetst op je oriëntatiekennis. Die kennis bestaat uit de 49 kenmerkende aspecten. Hieronder wordt per tijdvak de bijbehorende kenmerkende aspecten gegeven. Cursieve teksten zijn verduidelijkingen op enkele kenmerkende aspecten waar tijdens het examen naar gevraagd kunnen worden.

1. De levenswijze van jagers-verzamelaars.

2.  Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen.

3.  Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen.
Dit ontstaan ging gepaard met grote sociaaleconomische en politieke veranderingen. Er ontstonden gelaagde samenlevingen.

4. De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat.
Bij het denken over burgerschap en politiek wordt met name bedoeld en verwezen naar de democratie in Athene en dat Atheners dit als de meest logische en menselijke bestuursvorm zagen.

5. De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur.
Met vormentaal wordt bedoeld de bouwkunst en beeldhouwkunst.

6. De groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa verspreidde.
Het gaat hier om de wederzijdse beïnvloeding van de cultuur van de bevolking in de veroverde gebieden en de Grieks-Romeinse cultuur.

7. De confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van Noordwest-Europa.
In de late oudheid dringen vanuit het noorden Germaans sprekende groepen door in het Romeinse Rijk. Op termijn leidt dit tot het uiteenvallen van het westerse deel van dat rijk in een aantal Germaanse staten. Sommige van deze staten zijn heel duidelijk erfgenamen van de Grieks-Romeinse cultuur, in andere is het Germaanse element dominanter.

8. De ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de eerste monotheïstische godsdiensten.
Het christendom kwam uit het jodendom voort en werd uiteindelijk staatsgodsdienst in het Romeinse Rijk.

9. De verspreiding van het christendom in geheel Europa.
Het gaat hierbij om een geleidelijk proces waarbij  monniken en de politieke elite vaak samenwerkten en waarbij zowel sprake kon zijn van verspreiding van boven af (de elite als eerste bekeerd) als het ontstaan van fusies tussen ‘heidense’ geloven en het christelijk geloof.

10. Het ontstaan en de verspreiding van de islam.

11. De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid.
Het gaar hierbij om het causaal verband tussen de ondergang van het West-Romeinse Rijk en daarmee het verdwijnen van steden met ommelanden, naar het ontstaan van een zelfvoorzienende samenleving.

12. Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.

13. De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving.

14. De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden.
Zie historische context: Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

15. Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de geestelijke macht het primaat behoorde te hebben.
Hoorde de kerk of de wereldlijke leiders te regeren. Onder meer zichtbaar in de Investituurstrijd.

16. de expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de vorm van de kruistochten.

17. Het begin van staatsvorming en centralisatie.
Zie historische context: Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

18. Het begin van de Europese overzeese expansie.
Hierbij gaat het om oorzaken en gevolgen: kolonisatie, imperialisme en de vergroting van het wereldbeeld.

19. Het veranderde mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling.
Hierbij wordt gedacht aan Italië vanaf het begin midden van de veertiende eeuw. Bijgeloof en godsdienstige verklaringen van natuurlijke verschijnselen begonnen plaats te maken voor wetenschappelijke verklaringen.

20. De hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid.
Het teruggrijpen op de bouwkunst, beeldende kunst en de wetenschap uit de oudheid. Hieruit ontstaat onder andere het humanisme.

21. De protestantse reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had.
Zie historische context: Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

22. Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat.
Zie historische context: Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

23. Het streven van vorsten naar absolute macht.
Zie historische context: Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Ook Lodewijk XIV.

24. De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek.
Zie historische context: Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

25. Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.
Zie historische context: Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

26. De wetenschappelijke revolutie.
In de exacte wetenschappen komen theorieën en wetten voortaan tot stand op grond van redeneren en waarnemen in combinatie met experimenteren.

27. Rationeel optimisme en ‘Verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.
Zie historische context: Verlichtingsideeën en de democratische revoluties 1650-1848.

28. Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme).
Zie historische context: Verlichtingsideeën en de democratische revoluties 1650-1848.

29. Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme.
Onder invloed van de vraag naar grondstoffen ontstonden er plantagekoloniën in overzeese gebieden. In dezelfde periode ontstond onder invloed van de Verlichting discussie over de slavernij. Deze leidde in de negentiende eeuw tot afschaffing van de slavenhandel (en later tot afschaffing van de slavernij).

30. De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.
Zie historische context: Verlichtingsideeën en de democratische revoluties 1650-1848.

31. De industriële revolutie die in de westerse landen de basis legde voor een industriële samenleving.
Zie historische context: Duitsland 1871-1945.

32. Discussie over de ‘sociale kwestie’.
Zie historische context: Duitsland 1871-1945.

33. De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie.
Zie historische context: Duitsland 1871-1945.

34. De opkomst van emancipatiebewegingen.

35. Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces.

36. De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.
Zie historische context: Duitsland 1871-1945.

37. De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie.
Zie historische context: Duitsland 1871-1945.

38. Het in praktijk brengen van totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaalsocialisme.
Zie historische context: Duitsland 1871-1945.

39. De crisis van het wereldkapitalisme.
Zie historische context: Duitsland 1871-1945.

40. Het voeren van twee wereldoorlogen.
Zie historische context: Duitsland 1871-1945.

41. Racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op joden.

42. De Duitse bezetting van Nederland.

43. Verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering.
Zie historische context: Duitsland 1871-1945.

44. Vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme.
Hierbij wordt gedacht aan het opkomend nationaal bewustzijn in koloniën, dat door de wereldoorlogen werd versterkt (het succes van de Japanse oorlogsvoering tegen de Verenigde-Staten).

45. De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog.
Zie historische context: Koude Oorlog 1945-1991.

46. De dekolonisatie die een eind maakte aan de westerse hegemonie in de wereld.
Zie historische context: Koude Oorlog 1945-1991.

47. De eenwording van Europa.
Zie historische context: Koude Oorlog 1945-1991. Het gaat bij dit aspect niet om verdragen en organisaties, noch om de politieke instellingen van de EU, maar wel om de verbanden met de Tweede Wereldoorlog en de Koude oorlog (blokvorming).

48. De toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen.
Zie historische context: Koude Oorlog 1945-1991. In dit tijdvak bereikt de westerse wereld een unieke mate van welvaart, hetgeen veranderingen mogelijk maakt in allerlei gezagsverhoudingen en op het gebied van normen en waarden.

49. De ontwikkeling van pluriforme en multiculturele samenlevingen.
Samenlevingen waarin verschillende culturen en bevolkingsgroepen naast elkaar en met elkaar leven.

null

Overzicht van de tijdvakken

Naast de omschrijving van de kenmerkende aspecten, moet je ook weten welke ontwikkelingen hebben plaatsgevonden in de wereld. Daar hebben wij een overzicht van gemaakt.