De Franse Revolutie: vrijheid, gelijkheid en broederschap

Hoofdvragen

Hoe heeft de wetenschappelijke revolutie het mens- en wereldbeeld veranderd?

Hoe heeft de Verlichting het denken over de religie, samenleving, politiek en economie veranderd?

Welke problemen zouden de indirecte oorzaken vormen voor de Franse Revolutie?

Hoe verliep de Franse Revolutie tijdens republikeinse fase?

Wat veranderde er voor Frankrijk en de rest van Europa op politiek, militair, economisch en sociaal gebied onder het bewind van Napoleon Bonaparte?

1543
1609-1619
1632
1689
1748
1762
1776
1751-1772
1787-1788
8 augustus 1788
Januari 1789
5 mei 1789
17 juni 1789
14 juli 1789
26 augustus 1789
14 juni 1791
20 juni 1791
3 september 1791
21 januari 1793
26 mei 1793
28 juli 1794
9 november 1799
1804
1805
1806
1810
1812
1814
1814-1815
1815
Nicolaas Copernicus publiceerde zijn boek over de werking van de hemellichamen.
Johannes Kepler publiceerde in een aantal reeksen de natuurkundige wetten waaraan de hemellichamen zich moesten houden. Dit was een bevestiging van Copernicus zijn werk.
Galileo Galilei publiceerde zijn levenswerk waarin hij stelde dat de planeten in een ellipsvormige baan om de zon draaiden. Dit achtte hij bewezen omdat hij met de telescoop dit had waargenomen.
John Locke publiceerde 'Second Treatise of Government' waarin hij pleitte voor natuurrechten/vrijheden van de mens.
Montesquieu publiceerde het werk waarin hij de Trias Politica beschreef (drie machtenleer of de scheiding der machten).
Jean-Jacques Rousseau publiceerde zijn 'Du contrat social ou principes du droit politque' oftewel het sociaal contract, waarin hij stelde dat de volk en de vorst een overeenkomst/verdrag hadden.
Adam Smith beargumenteerde in zijn 'The Wealth of Nations' dat de beste economie tot stand komt als er geen overheidsbemoeienis was en dat iedereen zo egoïstisch mogelijk handelde.
In deze periode gaf Denis Diderot zijn Encyclopédie uit.
De oogsten in Frankrijk mislukten.
Minister Étienne Charles de Loménie de Brienne riep de Staten-Generaal bij elkaar.
De cahiers de doléances werden verzameld.
De Staten-Generaal kwamen onder leiding van Lodewijk XVI bij elkaar te Versailles
De Nationale Vergadering werd uitgeroepen door de Derde Stand.
De bestorming van de Bastille.
De Nationale Vergadering nam de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger aan.
Wet Le Chapelier werd aangenomen. Dankzij deze wet mochten gilden en beroepsverenigingen niet meer gevormd worden. Tevens betekende deze wet dat niemand die een beroep wilde uitoefenen geweigerd mocht worden om dit uit te voeren.
Lodewijk XVI probeerde met zijn gezin Frankrijk te ontvluchten.
De eerste Franse grondwet waarin de idealen van de Verlichting waren verwerkt, werd aangenomen.
Onthoofding van Lodewijk XVI.
Robespierre nam de macht over. Hij vestigde een terreurbewind.
Robespierre werd onthoofd. De weg werd vrijgemaakt voor het Directoire om de macht te grijpen.
Napoleon Bonaparte nam de macht over met een staatsgreep.
Napoleon Bonaparte kroonde zichzelf tot keizer.
Het Franse leger versloeg een coalitie van Oostenrijkse en Russische troepen in de Slag bij Austerlitz.
De Nederlanden kwamen onder Frans bewind te staan. Napoleons broer Lodewijk-Napoleon werd koning van het nieuwe koninkrijk Holland.
Napoleon Bonaparte voegt het koninkrijk Holland toe aan het Franse grondgebied. Hij dwong zijn broer af te treden.
Hoogtepunt van de Franse macht in Europa. Napoleon begon aan een veldtocht tegen Rusland, maar verloor een groot gedeelte van zijn leger aan de winter in Rusland.
Door een coalitie van verschillende Europese landen waaronder Engeland, Rusland en Pruisen werd het keizerrijk Frankrijk van Napoleon Bonaparte verslagen. Napoleon werd verbannen naar Elba.
Congres van Wenen werd georganiseerd om de toekomst van Europa na de Franse nederlaag te bespreken.
Napoleon wist te ontsnappen van Elba. Hij keerde voor 100 dagen terug. Veel van de Franse legers liepen naar hem over. Toch werd hij verslagen bij Waterloo. Voor een tweede maal werd Napoleon verbannen. Ditmaal naar Sint-Helena.

In het vroegst van de ochtend op 21 januari 1793 reed een glazenkoets over de hobbelige straatjes van Parijs, met daarin de voormalige Franse koning Lodewijk naar de Place de la Révolution. Lodewijk XVI was de vernedering van de beulskar bespaard gebleven; een laatste restje eerbetoon. De koets beschermde de voormalige koning echter niet tegen het gelach, gescheld en de doodswensen van de joelende menigte. De inwoners van Parijs roken bloed; en bloed zouden ze krijgen. Lodewijk wist wat hem te wachten stond: de dood. Eenmaal aangekomen bij het schavot, werd hij de gammele houten treden op geduwd door enkele norse wachters. Er waren 50.000 militairen op de been gebracht om de voormalige koning te begeleiden naar zijn dood. Aanhangers van Lodewijk mochten de koning niet kunnen bevrijden. Deze executie mocht niet misgaan. De Franse koning was immers het symbool van de oude macht, een macht die gebroken diende te worden aldus de leiders van de Franse Revolutie.

Met een gebroken stem vroeg Lodewijk of hij de menigte nog mocht toespreken, een allerlaatste keer. De beul schudde nors zijn hoofd en schopte de voormalige koning tegen zijn knieën. Lodewijk viel voorover. De beul greep hem bij zijn haren en sleurde de voormalige koning richting de wachtende guillotine. Dit instrument van de dood – dat bekend zou komen te staan als het wapen van de Franse Revolutie – zou de voormalige Franse koning met één snelle haal doden. Lodewijk werd vastgezet onder de guillotine. De beul voelde de gespannen sfeer die over de menigte was gekropen. Hij besloot dan ook de executie niet langer uit te stellen. Met een snelle ruk aan het koord gleed het schuine mes van de guillotine naar beneden. De magere nek van de koning bood geen weerstand. Lodewijks hoofd, nu bevrijd van zijn nek, stuiterde over de planken om vervolgens te worden opgepakt door de beul. Triomfantelijk hield hij het levenloze hoofd in de lucht. De Parijzenaren gingen door het lint. Hier hadden ze al die jaren op gewacht! Hun leven zou vanaf nu nooit meer hetzelfde zijn. Velen beloofden zichzelf die ochtend dat er nooit weer een tiran op de troon zou komen te zitten. Enkele maanden na de executie van Lodewijk onderging de voormalige Franse koningin Marie Antoinette hetzelfde lot.

Bron 1. Lodewijk werd in de vroege ochtend naar de guillotine begeleid.
Kenmerkende aspecten
  • 26. De wetenschappelijke revolutie.
  • 27. Rationeel optimisme en ‘Verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.
  • 28. Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme).
  • 29. Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme.
  • 30. De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.

1. De wetenschappelijke revolutie

Leerdoelen
  • Kan de 4 verschillen uitleggen tussen wetenschappelijk onderzoek doen tijdens de wetenschappelijke revolutie ten opzichte van de renaissance.
  • Kan uitleggen met welke reden overheden wetenschappelijk onderzoek steunden.
  • Kan uitleggen dat Galilei en Newton het wereldbeeld hebben veranderd.
  • Kan uitleggen dat wetenschappelijk onderzoek heeft geleid tot de dominante positie van West-Europa in de wereld.
  • Kan uitleggen hoe Copernicus, Kepler en Galilei het wereldbeeld hebben veranderd (verdiepingsstof).

Bron 2. Op het schilderij uit 1768 van Joseph Wright wordt een huiskamer experiment getoond. Dit soort experimenten waren populair, omdat ze zowel entertainment waren voor de mensen met geld. Daarnaast werden dit soort experimenten gebruikt om wetenschappelijke theorieën aan een breder publiek te onderwijzen. Op het schilderij legt de vader aan de twee bange meisjes uit dat dit soort experimenten nodig zijn in het belang van de wetenschap.

In de 17e eeuw nam het aantal wetenschappelijke ontdekkingen toe. Deze trend van ontdekkingen was al begonnen tijdens de renaissance, rond het jaar 1500. In die periode was men zich steeds meer gaan richten op de ideeën uit de Griekse oudheid en de theorieën van filosofen en wetenschappers als Hippocrates en Socrates (zie De wereld van de oude Grieken). Er waren echter vier grote verschillen tussen de onderzoeken uit de renaissance in vergelijking met die uit de wetenschappelijke revolutie. Allereerst nam het aantal onderzoeken en onderzoekers toe. Ten tweede werd er nadruk gelegd op experimenteren. Wetenschappers moesten proeven doen en zelf hun theorieën bevestigen door te observeren, maar ook door zelf over de resultaten van het experiment na te denken en te redeneren waarom de wetenschappers juist die resultaten hadden verkregen. Ten derde werden deze onderzoeken gedeeld met collega-wetenschappers. Speciale verenigingen werden door wetenschappers opgericht om onderzoeken met elkaar te kunnen delen. Deze wetenschappelijke genootschappen hielpen verarmde wetenschappers ook met het betalen van experimenten. In Frankrijk werden deze wetenschappelijke genootschappen salons genoemd. Tot slot waren niet alleen wetenschappers geïnteresseerd in wetenschappelijk onderzoek. Ook Europese vorsten, zoals de absolute Franse vorst Lodewijk XIV, toonden interesse in experimenten en onderzoek. Overheden financierden dan ook wetenschappelijke verenigingen, in de hoop dat nieuwe onderzoeken zouden leiden tot economische of militaire voorsprongen op andere landen. Toch werd niet al het onderzoek gesteund door de overheid.

De eerste onderzoekers begonnen zelf met het experimenteren, observeren en redeneren zonder financiële steun van de overheid. Vorsten zagen niet altijd het nut in van onderzoeken. Een voorbeeld hiervan is de Italiaanse wetenschapper Galileo Galilei. Hij deed onderzoek naar de werking van het heelal. Galilei bevestigde dat niet de aarde maar de zon het middelpunt van het heelal was. Veel vorsten zagen het ‘wereldlijke’ nut niet in van zo’n onderzoek: ‘zouden ze met dit onderzoek een oorlog kunnen winnen’? Veel van de Italiaanse prinsen vonden Galilei’s ideeën zelfs gevaarlijk, aangezien de theorieën ingingen tegen het gangbare kerkelijke beeld: de aarde – immers Gods creatie – als middelpunt van het heelal. Vaak hadden deze Italiaanse vorsten de steun van de Kerk nodig om te regeren. Als Italianen zouden twijfelen aan de Katholieke Kerk, dan zouden ze ook kunnen twijfelen aan hun vorst. En dat wilden deze prinsen natuurlijk niet. In 1633 werd Galilei bedreigd met martelingen, als hij zijn onderzoek niet terugtrok en zou zeggen dat hij leugens verkondigde. Waar Galileo Galilei met de dood werd bedreigd, daar werd de Engelse wetenschapper Isaac Newton door de Engelse koning in de adelstand verheven.

Waarin zat het verschil tussen Galilei en Newton? De Engelse wetenschapper Newton bestudeerde de zwaartekracht en bewees dat deze krachten berekend konden worden. Zijn onderzoeken werden gepubliceerd als de wetten van de zwaartekracht. Met behulp van deze wetten van de zwaartekracht kon de baan van een kanonskogel worden berekend als deze werd afgevuurd. Dankzij deze praktische inzetbaarheid werden Newtons wetten als ‘nuttig’ beschouwd door de Engelse vorst. Een goede generaal kon voortaan zijn kanonnen veel nauwkeuriger inzetten tijdens een veldslag of belegering.

Door die praktische kijk op de wetenschap werd er veel onderzoek gedaan naar de verbetering van wapens, die het ene land een militaire voorsprong kon geven op een ander land. Dit had twee mondiale gevolgen. Dankzij de wetenschappelijke revolutie konden de West-Europeanen eeuwenlang over de wereld heersen. Zonder allerlei uitvinden als kanonnen, stoomschepen en spoorwegen was dit hen nooit gelukt. Een ander gevolg was dat de westerse wetenschap en technologie diepe indruk maakte op verschillende volken. Zij wilden deze technologie overnemen om zelf een belangrijkere positie in de wereld te krijgen en niet gekoloniseerd te worden door Europa. Dat moest zo snel mogelijk gebeuren. Daardoor waren die volken bereid wel de westerse wapentechnologie over te nemen, maar niet westerse waarden als vrijheid, gelijkheid en democratie; met alle gevolgen van dien.

Veranderend wereldbeeld

Vooral aan het begin van de wetenschappelijke revolutie werden wetenschappers niet gesteund door verenigingen of overheden. Zo bekostigde de Poolse wetenschapper Copernicus grotendeels zijn eigen onderzoek naar het heelal. Hij vermoedde dat het geocentrische heelalbeeld (aarde als middelpunt van het heelal) niet klopte. Copernicus stelde dat de zon het middelpunt was van het heelal, oftewel een heliocentrisch heelalbeeld. Dit ging in tegen de leer van de kerk. De aarde was immers de perfecte creatie van God. Alles draaide om Hem. Volgens de Kerk was het dan ook volstrekt logisch dat alle planeten om Gods creatie draaiden. 

Bron 3. Het verschil tussen het heliocentrisme en het geocentrisme.

De Duitse astronoom Johannes Kepler onderzocht Copernicus zijn theorie en berekende dat de Poolse wetenschapper op de goede weg was, maar dat er nog wat ontbrak aan de Copernicus zijn theorie. Copernicus beweerde dat de zowel de aarde als de andere planeten in een perfect cirkelvormige baan om de zon draaiden. Kepler berekende de theorie van Copernicus door en kwam tot de conclusie dat een perfect cirkelvormige baan zoals Copernicus deze beschreef in zijn theorie, wiskundig gezien niet kon. Kepler stelde de theorie van de Poolse wetenschapper bij. De planeten draaiden nu niet in een cirkelvormige baan om de zon, maar in een ovaalvormige (ellips) baan.Ondanks dat de Kerk niet blij was met deze nieuwe ontdekking, werden er geen grote stappen ondernomen tegen Kepler. Het bleef immers een theorie; een wiskundige berekening zonder bewijs. De Italiaan Galileo Galilei bracht daar verandering in. Hij gebruikte een telescoop om de baan van de planeten te observeren. Door deze waarnemingen werd Keplers theorie bevestigd. De kerk ondernam stappen. Galilei tastte met zijn waarnemingen de geloofwaardigheid van de bijbel en de kerk aan, aangezien Galilei zijn onderzoek met iedereen deelde die het maar wilde horen. Ondanks de genomen maatregelen tegen Kepler, was het kwaad al geschied. De Katholieke Kerk begon steeds meer aanhangers te verliezen.

Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


2. Van duisternis naar het licht

Leerdoelen
  • Kan uitleggen dat de Verlichting een vervolg was op de wetenschappelijke revolutie.
  • Kan uitleggen dat op religieus, sociaal, politiek en economisch gebied verlichte denkers nadachten over de samenleving.
  • Kan uitleggen hoe vorsten reageerden op de ideeën uit de Verlichting (verdiepingsstof).

Bron 4. De encyclopedie van Diderot werd het symbool van de Verlichting. In dit boek werd alle tot dan toe bekende kennis gebundeld, zodat het uitgegeven kon worden.

Dankzij de ontdekkingen uit de periode van de wetenschappelijke revolutie, nam de hoeveelheid kennis toe. Onderzoekers deden die kennis op door te experimenteren, maar ook door logisch na te denken. In de 18e eeuw gingen zij zich niet alleen richten op de natuur en het heelal. De onderzoekers wilden ook weten hoe en waarom een samenleving functioneerde. Dit was nog een bijgelovige samenleving; een samenleving met weinig kennis. Daarom leefde de mens nog in de duisternis aldus de onderzoekers. Mensen gebruikten nog te weinig het verstand, oftewel de rede. Deze nieuwe denkers wilden mensen onderwijzen door boeken te schrijven en te verspreiden, zodat men zelf ging nadenken en niet blindelings de kerk, een vorst of een beroemd iemand gingen volgen. Naast boeken waren scholing en opvoeding belangrijke middelen om de samenleving te verbeteren en bijgeloof de wereld uit te helpen. De eeuw waarin de onderzoekers deze rationalistische visie op de wereld loslieten wordt de Eeuw van de Rede genoemd, ook wel de Verlichting.

Dankzij deze nieuwgevonden rede begon men na te denken over de rechten en de plichten van een mens. De verlichte denkers wilden het middeleeuwse idee van het leven als een tussenfase om een plekje in de hemel te verkrijgen, voorgoed achter zich neerleggen. Mensen hoorden gelukkig te zijn tijdens het leven op aarde. Geluk was alleen mogelijk als er op drie punten verbeteringen kwamen: allereerst hoorden alle mensen in de wereld gelijk te zijn ongeacht etnische afkomst, sekse, geboorte of godsdienst. Als tweede uitgangspunt benadrukten de verlichte denkers dat alle mensen recht hebben op vrijheid van onder andere meningsuiting, drukpers, godsdienst en handel. Censuur door de overheid zou dan ook verboden moeten worden. Ten derde vonden de verlichtingsdenkers dat iedereen recht had op een menswaardig bestaan. Niemand had het recht om een ander op zijn huidskleur, geloof of afkomst te martelen, doden of te bezitten. Het was dan ook deze denkwijze die een begin maakte aan het abolitionisme. Hoewel verandering centraal stond bij de verlichte denkers, waren zij het niet altijd eens over de manier waarop dit bereikt diende te worden. Het was dan ook een eeuw van debat en onderzoek.

Op het gebied van religie hadden de verlichte denkers een afkeer van godsdienstig fanatisme en intolerantie. De bekendste denker op dit gebied was de Fransman Voltaire. Hij was een voorstander van godsdienstige vrijheid, daarom keek hij neer op het gewone volk dat andersgelovigen vervolgden en de praatjes van hun priesters blindelings volgden. Voltaire was dan ook geen voorstander van een democratie. Hij vond een democratie zelfs gevaarlijk. Bij zo’n bestuursvorm konden namelijk fanatisme en intolerantie de bovenhand krijgen, aangezien onnadenkendheid bij de bevolking altijd om de hoek loerde. Deze onnadenkendheid mocht niet het bestuur van een land bepalen aldus Voltaire. Hij was dan ook een voorstander van een absolute vorst die de juiste beslissingen kon nemen uit naam van het volk.

Op sociaal gebied zagen de Engelsman John Locke en de Fransman Jean-Jacques Rousseau een probleem in Voltaires visie op de samenleving. Zij gruwden juist van absolutisme. Absolute macht kon alleen maar leiden tot corruptie. Locke stelde dat ieder mens van nature vrij was, het recht had om te leven en bovendien dat tijdens dit leven zijn bezit veilig was. Het was aan de regering om deze natuurlijke rechten te beschermen. Als de regering hier niet in slaagde of juist het tegenovergestelde deed, dan mochten burgers tegen hen in opstand komen. Jean-Jacques Rousseau deed hier een schepje bovenop. Volgens Rousseau bestond er een ongeschreven ‘sociaal contract’ tussen de vorst en zijn volk. Dit contract zou in werking gaan op het moment dat de vorst begon met heersen. Zou de vorst de natuurlijke rechten van zijn onderdanen niet nakomen, dan schond hij dat contract en hadden zijn onderdanen het recht om in opstand te komen. De soevereiniteit van het land kwam zo bij het volk te liggen (volkssoevereiniteit).

De Fransman Montesquieu liet politiek aansluiten op sociaal gebied. Hij had een hekel aan het Franse ‘despotisme’, zoals Montesquieu het Franse absolutisme noemde. De Fransman stelde een alternatief voor: de driemachtenleer (trias politica). Volgens zijn leer moest het parlement wetten vaststellen (wetgevende macht), moest de regering de wetten uitvoeren (uitvoerende macht) en moesten onafhankelijke rechters de naleving van de wetten controleren (rechtsprekende macht).

Ook werd het rationalisme toegepast op de economie. De Schot Adam Smith stelde dat iedereen egoïstisch moest zijn. Als iedereen zijn eigen belang kon nastreven dan zou de economie groeien, aangezien iedereen andere behoeften had. Dit egoïsme kon verstoord worden als de overheid zich bemoeide met de economie. Smith vond dat overheden de economie met rust moesten laten.

Bron 5. Galerij met verschillende verlichte absolute vorsten. Klik op de afbeeldingen om erachter te komen wie elke vorst is en uit welk land ze komen.

Verlichters en vorsten

Het ontstaan van het absolutisme viel samen met de wetenschappelijke revolutie en de Verlichting. Omdat veel van de ideeën uit de wetenschappelijke revolutie en de Verlichting in strijd waren met de ideeën over het absolutisme en het beleid van absolute vorsten, ontstonden er vaak conflicten tussen verlichte denkers en vorsten. Toch werd niet elke denker vervolgd. Als vorsten de waarde inzagen van een idee, waren zij best bereid om deze ideeën uit te voeren. Deze vorsten werden verlichte despoten genoemd en hun bestuursvorm verlicht absolutisme. Desondanks namen ze niet afstand van hun macht. De verlichte vorsten vonden dat ze deze macht nodig hadden om de staat goed te kunnen besturen. Ze begonnen wel meer rekening te houden met de belangen van hun onderdanen. Enkele verlichte despoten waren: Karel III van Spanje, Catherine II van Rusland, Gustav III van Zweden, Josef I van Portugal, Josef II van Oostenrijk en Lodewijk XVI van Frankrijk.

Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


3. Het ancien régime: een tikkende tijdbom?

Leerdoelen
  • Kan uitleggen welke economische, sociale en politieke problemen in het Franse ancien régime aanwezig waren.
  • Kan uitleggen dat Lodewijk XVI nauwelijks wilde/kon hervormen.
  • Kent de oorzaak voor het bijeenroepen van de Staten-Generaal en de gevolgen hiervan.

Bron 6. De drie standen tijdens het ancien régime.

Na de Franse Revolutie zijn historici het bestuur van de Franse koningen in de 18e eeuw het ancien régime (oude stelsel of oud systeem) gaan noemen. Koning Lodewijk XVI probeerde als een verlicht vorst te regeren. Toch was hij het maar eens met een paar verlichte ideeën. Vooral de verlichte ideeën die Lodewijks macht zouden inperken, was hij niet bereid over te nemen. Daarnaast was Lodewijk XVI ook niet bekwaam in het besturen van het land. Dat was een groot probleem, aangezien de Franse koning de enige was die het voor het zeggen had. Onder Lodewijks bestuur konden belangrijke posities bij de overheid worden gekocht, in plaats van dat ze naar de personen gingen die het meest geschikt waren voor die functies. Lodewijk XVI probeerde dan ook te regeren zoals zijn overgrootvader Lodewijk XIV had gedaan: als een absoluut vorst. Maar zoals later zou blijken, lang niet zo succesvol. Onder het ancien régime werd Frankrijk geregeerd als een autocratie; was er ongelijkheid op economisch, sociaal en politiek gebied en in het verlengde hiervan was diezelfde Franse samenleving verdeeld als een standensamenleving: de Eerste Stand was de geestelijkheid, de Tweede Stand de adel en de Derde Stand de burgers in de steden en de boeren op het platteland.  Die ongelijkheid zou er uiteindelijk toe lijden dat Frankrijk voor grote problemen kwam te staan op economisch, sociaal en politiek gebied.

 

Privileges, ongelijkheid en verschil

Macht, aanzien en sociale status was ongelijkheid verdeeld ten tijde van het ancien régime. Ook was de grond niet eerlijk verdeeld (bron 7). Het grootste gedeelte van de bevolking behoorde tot de Derde Stand, dat in verhouding maar een klein gedeelte van de grond in bezit had. Die kromme verdeling was van oudsher altijd al zo geweest. Dat had een belangrijke oorzaak. De geestelijkheid en de adel hadden in de eeuwen daarvoor privileges afgedwongen van de Franse koningen, waaronder dat zij recht hadden op grote stukken grond. Daarnaast mocht de Kerk Fransen belasting laten betalen, maar hoefden dit zelf niet te betalen aan de staat. Ook de adel hoefde nauwelijks belasting te betalen. Bovendien mocht de adel herendiensten afdwingen. Boeren waren verplicht deze diensten uit te voeren, zoals het onderhouden van wegen en bruggen op het landgoed van hun heer; koren malen voor hun heer; hun brood bakken in de heer zijn ovens tegen betaling, maar ook een gedeelte van hun oogst afstaan. Zelfs al had een boer een misoogst gehad, dan moest hij toch een gedeelte afstaan aan zijn heer. De rest mocht de boer zelf houden. Vaak was dat te weinig.

In 1787-1788 was de oogst in Frankrijk heel slecht. Door de misoogsten kregen niet alleen de boeren het moeilijk, maar ook de burgers in de steden die afhankelijk waren van het platteland voor hun voedsel. Daarnaast klaagden de mensen in de stad over hun werksituatie. De meeste van hen werkten in de nijverheid. Deze handwerklieden moesten lang en hard werken, vaak onder onveilige en ongezonde omstandigheden. Daarbovenop kwam dat zij te weinig loon kregen voor hun werk. Sommigen van hen moesten dag en nacht werken om rond te komen. Ze smeekten Lodewijk om hun positie te verbeteren.

  • Eerste Stand: geestelijkheid
  • Tweede Stand: adel
  • Derde Stand: rijke burgerij
  • Derde Stand: boeren en arme stadsbewoners

Bron 7. Bevolkingsomvang en grondverdeling in percentages in 1750.

Bron 8. De Cahiers (de doléances) waren klaagbrieven gericht aan de koning. Voor inwoners uit de verschillende Franse gemeentes was zo'n klaagbrief een manier om de koning op de hoogte te stellen van problemen in hun woongebied.
De weg naar verbetering?

Lodewijk XVI zag in dat er een gevaarlijke situatie aan het ontstaan was en wilde de economische problemen oplossen. Maar dit was voor de staat onmogelijk, want het had grote schulden. Door de vele oorlogen – waar Lodewijk XIV aan had bijgedragen – kon de regering de schulden niet meer betalen. De schatkist was leeg. Om die twee economische problemen op te lossen besloot Lodewijk XVI op voorstel van Étienne Charles de Loménie de Brienne de minister van Financiën de edelen belasting te laten betalen. De rijke burgers in de steden (bourgeoisie) wilden wel akkoord gaan met Lodewijks belastinghervormingen, als zij meer inspraak zouden krijgen in de politiek en de staat de vrijheid van meningsuiting en drukpers zou waarborgen. Daarentegen wilden de edelen niks van deze belastinghervormingen weten. Zij eisten dat Lodewijk dit eerst aan het volk zou voorleggen in de Staten-Generaal, alleen dan zou zo’n hervorming legaal zijn. In deze vergadering van het volk waren alle drie standen vertegenwoordigd, onder leiding van de koning. Via deze weg zou er eerst gestemd worden over de belastinghervormingen. Zoals gebruikelijk was zou er niet per vertegenwoordiger gestemd worden, maar per stand. Zo had elke stand maar één stem. De edelen hadden alle vertrouwen in de Staten-Generaal. Bij een stemming zou de geestelijkheid de kant van de adel kiezen. De Franse adel rekende erop dat een belastinghervorming nooit de meerderheid zou halen.

De Franse koning Lodewijk gaf toe en besloot de Staten-Generaal bijeen te roepen. Dit was uniek, aangezien deze vergadering sinds 1614 niet meer bijeen was gekomen; daar had Lodewijk XIV wel voor gezorgd. Als voorbereiding op de bijeenkomst zouden vertegenwoordigers uit de drie standen gekozen worden vanuit heel Frankrijk. Daarnaast werden volgens oud gebruik de klachten (Cahiers) van de Franse inwoners in elke gemeente opgeschreven en door een afgevaardigde meegenomen naar de vergadering van de Staten-Generaal. Het idee was dat de Franse koning dankzij deze Cahiers wist wat hij in de vergadering moest bespreken. Deze klachtenbrieven legden de problemen van het ancien régime in Frankrijk bloot. Ook kwam naar voren dat vooral de bourgeoisie verandering wilde op basis van de ideeën van de Verlichting. Deze rijke burgers onderhielden vaak contacten met het buitenland. Vanwege deze contacten wisten zij dat een verlicht alternatief mogelijk was: absolutisme hoefde niet onderdrukking te betekenen.

Bron 9. Rechts koning Lodewijk XVI die aan zijn minister van Financiën vraagt: 'waar is het geld gebleven'? De minister antwoord: 'ik weet het niet majesteit'. Links lopen een edelman en geestelijke met de inhoud van de schatkist de deur uit. Sportprent uit 1788.

Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


4. Vrijheid, gelijkheid en broederschap

  • Kent de oorzaak voor het ontstaan van de Nationale Vergadering en het doel dat deze vergadering zichzelf stelde.
  • Kent de directe oorzaak voor het uitbreken van de Franse Revolutie.
  • Kent drie republikeinse fasen van de revolutie:bestorming van de Bastille, Nationale Vergadering regeert en de Terreur.
  • Kent de de sociale, politieke en economische gevolgen van de revolutie voor de drie standen.
  • Kan uitleggen dat Europese vorsten de revolutie in Frankrijk vreesden.

Aangezien de laatste Staten-Generaal in 1614 bijeen waren gekomen, wist niemand wat men kon verwachten toen ze opnieuw bijeenkwamen op 5 mei 1789. De koning besloot de vergaderprocedure zoals die in 1614 had bestaan te hanteren. Er zou per stand gestemd worden. Die procedure zorgde voor onrust bij de Derde Stand. Het verleden had uitgewezen dat een stemming per stand bijna altijd nadelig zou uitpakken voor deze Derde Stand. Tijdens de eerste van noch vele samenkomsten, werd die zorg ook naar de koning geuit. Om de Derde Stand tegemoet te komen, besloot de koning het aantal vertegenwoordigers van de Derde Stand naar 600 te verhogen, in plaats van de gebruikelijke 300. Nu zouden er evenveel vertegenwoordigers zijn uit de Derde Stand als die van de eerste en tweede bij elkaar opgeteld. Dit vond de Derde Stand niet genoeg want het wilde praten over de stemprocedure, maar Lodewijk XVI weigerde over andere zaken te praten dan de lege staatsschatkist. De vertegenwoordigers van de Derde Stand stormden woedend de vergadering uit. Ze besloten een eigen vergadering te organiseren, die ze de Nationale Vergadering noemden. De vergadering zwoer niet uiteen te gaan tot het een grondwet had opgesteld waarin de macht van de koning werd beperkt en de rechten en plichten van alle Fransen werden vastgelegd. De Derde Stand kreeg spoedig steun van enkele edelen en geestelijken.

Ondanks dat Lodewijk XVI kwaad was op de Nationale Vergadering, omdat zij zulke grote veranderingen voorstelden voor Frankrijk; realiseerde hij zich ook dat de Derde Stand niet naar hem luisterde. De enige mogelijkheid om hen uit elkaar te drijven was met geweld. Zover wilde Lodewijk het niet laten komen. De Franse koning gaf het bevel aan de geestelijkheid en de adel om deel te gaan nemen aan de Nationale Vergadering. Daarnaast liet hij op advies van de adel en uit voorzorg soldaten naar Parijs komen, mocht het misgaan. In het verleden had de koning altijd gevochten met de adel om de macht. Nu was het een strijd geworden van de koning en de adel enerzijds, tegen de Derde Stand anderzijds.

 

De Bastille

De arme Parijzenaren die achter de Nationale Vergadering stonden, voelden zich bedreigd door de soldaten. Deze inwoners van Parijs trokken naar wapenopslag de Bastille toe om zichzelf te bewapenen tegen de oprukkende soldaten. De opslag functioneerde ook als gevangenis. Volgens de geruchten liet Lodewijk XVI hier zijn politieke gevangenen en tegenstanders martelen. De geruchten bleken een leugen, de wapens daarentegen niet. De Bastille en zijn directeur zouden ten val worden gebracht (bron 11).

Bron 10. Vrouwen speelden tijdens de revolutie een belangrijke rol. Ook zij pakten de wapens op. Zo trok een groep woedende vrouwen op naar Versailles en begeleidden de koning naar Parijs toe, waar hij beter in de gaten kon worden gehouden.

Bron 11. Een digitale kijk op de bestorming van de Bastille. Video games laten ons in het verloren 'fictieve' verleden kijken, zodat we een idee hebben van hoe de burgers van Parijs dit oude fort bestormden.

Om verdere geweldsescalaties te voorkomen stuurde de koning de soldaten weg. De adel reageerde verontrust: ‘waren zij hun leven nog wel veilig’? Velen besloten dan ook te vluchten naar hun landgoed buiten Parijs of zelfs naar het buitenland. Na de val van de Bastille, werd het verhaal rondverteld dat de gevluchte edelen bezig waren soldaten aan het verzamelen om Franse boeren buiten de stad te vermoorden. Doordat de haat tegen de adel groot was, gingen de boeren over tot actie: ze plunderden landgoederen. Deze razernij op het platteland had de Nationale Vergadering laten zien dat de adel niet sterk genoeg was om hen tegen te houden. Ze besloten in de nacht van 4 op 5 mei dat de adel afstand moest doen van zijn privileges. Eerst stemde de koning niet in met dit besluit. Toen hij door een woedende menigte gedwongen werd naar Parijs te verhuizen, stemde de koning toch in. De situatie was uit de hand gelopen. De koning had er geen grip meer op.

Op 26 augustus 1789 nam de Nationale Vergadering de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger aan. Daarin werden ideeën van enkele verlichte denkers over vrijheid en gelijkheid vastgelegd. Deze ideeën zouden later worden omgezet en worden uitgewerkt in de Franse grondwet van 1791. Gelijkheid zou bereikt worden door alle voorrechten van de adel en de geestelijkheid af te schaffen. Ook deze twee standen zouden dan gelijk zijn voor de grondwet. Zo zouden de boeren op het platteland vrij zijn van de onderdrukking. Daarnaast deed afkomst er niet meer toe als je een baan of ambt wilde. Kwaliteiten en vaardigheden waren nu leidend. Toch wilden de revolutionairen niet volledige vrijheid. Er mocht best verschil zijn zolang iedereen maar gelijke kansen kreeg. De macht van de koning werd bijna volledig ingeperkt. Die macht verschoof van de vorst naar de bourgeoisie; en alleen de rijksten van hen kregen kiesrecht. De revolutionaire regering was geboren.

 

Frankrijk als Europees buitenbeentje

Koning Lodewijk XVI kreeg een nieuwe taak binnen het Frankrijk van de Nationale Vergadering. Desondanks probeerde hij in 1791 te vluchten naar het buitenland, waar een leger van Franse edelen op hem wachtte. Hij werd echter bij de grens herkend. De revolutionaire vreesden dat het land omringd dreigde te worden door legers van vijandelijke landen. Om de vijand voor te zijn, verklaarde de regering die landen zelf de oorlog. Bovendien hoopte de revolutionaire regering dat een gemeenschappelijke vijand, een einde zou maken aan de onderlinge Franse verdeeldheid die was ontstaan doordat de revolutie steeds gewelddadiger werd. Daarnaast hoopte de regering dat zo de revolutionaire ideeën naar het buitenland verspreid konden worden. Dan zouden ook de onderdrukte volken uit het buitenland bevrijd worden. Deze houding was precies de reden dat de Franse revolutionairen werden gevreesd door (verlichte) absolute vorsten. Een vorst kon immers ook zo zijn macht verliezen, net als Lodewijk XVI had gedaan. In april 1792 verklaarde Frankrijk de oorlog aan Oostenrijk, het geboorteland van koningin Marie Antoinette). Pruisen hielp zijn bondgenoot Oostenrijk en samen wisten zij de Franse soldaten in de pan te hakken. Toen dat nieuws Parijs bereikte, bestormden woedende burgers de Tuilerieën waar Lodewijk met zijn gezin gevangen was gezet. Kort daarop werd de koning afgezet en werd Frankrijk een republiek.

Bron 12. Spotprent over Lodewijk XVI en Marie Antoinette uit de Engelse krant. De revolutionairen houden de koning en de koningin in de gaten. Hier worden ze betrapt op dat ze de grens probeerden over te steken.
Bron 13. Robespierre werd door een gendarme beschoten tijdens zijn arrestatie.

Lodewijk XVI moest wel geheime informatie hebben gelekt aan de Oostenrijkers, zo redeneerden de Parijzenaren. Anders had Oostenrijk nooit het machtige Frankrijk kunnen verslaan. Lodewijk werd beschuldigd van landverraad en ter dood veroordeeld. Op 21 januari 1793 werd de Franse vorst onthoofd onder de guillotine. Als nog niet elke Europese vorst was geschrokken, dan waren zij dat nu wel. De Europese vorsten vonden dat Frankrijk een halt moest worden toegeroepen.

Het revolutionaire Frankrijk werd in datzelfde jaar van alle kanten aangevallen; gesteund door edelen, geestelijken en burgers (reactionairen) die vonden dat de revolutie te ver was gegaan en liever een gematigde route wilden afleggen om Frankrijk te hervormen. Daarentegen vonden sommige Fransen dat er nog niet genoeg was veranderd. Zij wilden nog meer hervormingen. Deze radicalen wilden nog meer gelijkheid. De radicalen kregen vooral steun van minder rijke burgers uit Parijs.

 

De Terreur

Na een korte en hevige strijd wisten de radicalen de macht te grijpen in Parijs. De radicalen, onder leiding van Maximilien de Robespierre vonden dat iedereen die tegen hervorming was bestempeld mocht worden als vijand van de revolutie. En vijanden verdienden de doodstraf. De voormalige Franse koningin Marie Antoinette zou het eerste slachtoffer worden van Robespierre’s bloedlust. Velen zouden daarna volgen. Naar schatting werden 35.000 mensen ter dood veroordeeld, waarvan een groot gedeelte onder de guillotine terecht kwam. Deze periode van massaexecuties wordt de Terreur genoemd. Na deze eerste koninklijke veroordeling, namen de executies in aantal toe. Je kon ter dood veroordeeld worden, als je ook maar één verkeerd woord zij over de revolutie. Toen Robespierre begon met het executeren van zijn eigen radicalen, gaf de Nationale Vergadering – dat toen officieel het Franse parlement was – het bevel Robbespierre en zijn handlangers te arresteren. De volgende dag (juli 1794) kwam Robespierre zelf onder de guillotine terecht.

Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


5. Napoleon Bonaparte

Leerdoelen
  • Kent de politieke en militaire veranderingen die door werden gevoerd onder het bewind van Robespierre.
  • Kent de 2 belangrijkste punten uit de Code Napoléon.
  • Kan uitleggen dat andere Europese volken Napoleon eerst wilden ontvangen, maar later kwijt wilden.
  • Kent de 4 gevolgen van de Franse Revolutie die niet meer teruggedraaid konden worden.

Bron 14. Napoleon Bonaparte wist op te klimmen van artillerieofficier naar generaal. Napoleon kreeg de bijnaam de veroveraar. Hij wist door slim gebruik te maken van kanonnen, hele legers en steden binnen een kort tijdbestek te veroveren.

De revolutie mocht dan geradicaliseerd zijn onder Robespierre, het bestuur van Frankrijk was wel verbeterd. Hetzelfde gold voor de organisatie van het Franse leger. Drie veranderingen waren het opvallendst. Allereerst nam de Franse overheid ambtenaren in dienst die moesten controleren of de bevelen van de Nationale Vergadering goed werden uitgevoerd. Op corruptie stond een zware straf. Ten tweede voerde Frankrijk de algemene dienstplicht in. Voorheen was soldaat zijn een beroep geweest. Nationale legers bestonden uit dat soort beroepsmilitairen aangevuld met huursoldaten. Met de invoering van de dienstplicht werd het kleine beroepsleger aangevuld. Daardoor werd het leger groter dan de legers die de tegenstanders van Frankrijk op de been konden brengen. Het gevolg was dat de Franse soldaten – ondanks dat ze slechter getraind waren dan hun tegenstanders – de vijand met gemak konden overrompelen. Daarnaast werd ook het leger beter georganiseerd. Officier kon je alleen worden als je daar bekwaam genoeg was; niet meer als je genoeg geld had om de functie te kopen. Dankzij deze maatregel kon de jonge artillerieofficier Napoleon Bonaparte opklimmen tot generaal.

 

Het Directoire en Napoleon

Na de onthoofding van Robespierre, wist de Nationale Vergadering de macht weer in handen te krijgen. Ze besloten de regeringsvorm iets te veranderen. Om te voorkomen dat radicalen als Robespierre weer de macht konden grijpen, kwam het bestuur van Frankrijk in handen van vijf overheidsfunctionarissen: het Directoire (1795-1799). Zij werden directeuren genoemd. Jaarlijks werd één van hen vervangen om corruptie te voorkomen. In theorie werkte dit systeem, maar in de praktijk waren de directeuren meer bezig met wat goed voor hen zelf was dan wat goed voor Frankrijk was. Het Directoire wist dan ook geen einde te maken aan de grote hongersnood als gevolg van de oorlogen tegen de vijanden van Frankrijk; de constante aanvallen van buitenlandse vijanden die de Franse Revolutie een halt probeerden toe te roepen en de Franse adel die met geweld de regering omver probeerde te werpen.

De jonge officier Napoleon Bonaparte wist de opstand van de adel neer te slaan en de buitenlandse vijanden van Frankijk tegen te houden. Dat maakte hem populair onder het Franse volk. Gesteund door het leger en het volk, greep Napoleon in 1799 de macht. Het bestuur was weer in handen van één man. Dit maakte het volk niets uit want hij was immers hun leider, een man die zich had op weten te werken en niet geboren was als vorst! Zijn populariteit was zo groot, dat hij zichzelf kon kronen tot keizer in 1804.

Napoleon wist grote delen van Europa te veroveren. In de veroverde landen liet hij de ideeën van de Franse Revolutie en daarmee de Verlichting invoeren. Hij liet de bestaande Franse grondwet vervangen voor zijn eigen wetgeving: de Code Napoléon. Enkele belangrijke punten uit deze wetgeving waren: iedereen was gelijk voor de wet en had daarom gelijke kansen om een baan of ambt te bemachtigen; daarnaast mochten mensen niet meer gevangengenomen worden zonder dat er een rechtszaak op zou volgen. In zo’n strafzaak kreeg de beschuldigde hulp van een advocaat en kon hij getuigen meebrengen om zijn onschuld te bewijzen. Het vonnis werd uitgesproken door een jury van burgers. Dit was een verbetering omdat vroeger je niet altijd de kans kreeg op een eerlijk proces of zelfs de kans kreeg om jezelf te verdedigen.

De twee bovengenoemde punten waren een verbetering, maar andere idealen uit de Franse revolutie werden door Napoleon geschrapt. Vrijheid van meningsuiting, algemeen kiesrecht en een parlement werden verboden onder de Franse keizer. Zij konden immers Napoleons positie in gevaar brengen.

Bron 15. Napoleon wist niet alleen roem te vergaren in Europa. Ook in Afrika wist hij gebieden voor Frankrijk te veroveren. Landen zoals Engeland waren niet blij met deze veroveringen.
Bron 16. In de door Napoleon veroverde landen werd de Code Napoléon ingevoerd. Waar komt deze versie vandaan?
Bron 17. Niet alleen Fransen zaten in het keizerlijke leger van Napoleon. Ook Nederlanders en andere veroverde volken kregen de kans om in dienst te gaan. Sommigen namen dienst uit economische overwegingen en anderen omdat ze heilig in de idealen van de Franse Revolutie geloofden.
Gevolgen van de Franse Revolutie

Zoals in de vorige paragraaf is beschreven, moesten de meeste Europese vorsten niks van de Franse Revolutie hebben. Ze waren bang dat ze hun hoofd en macht zouden kwijtraken met de verspreiding van de revolutie, net als Lodewijk XVI was overkomen. Desondanks ontkwamen deze vorsten niet aan de Franse Revolutie en zijn ideeën. Veel Europese burgers hadden bewondering voor de ideeën van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Zij zouden openlijk steun betuigen aan Napoleon, omdat ze hoopten dat hij hen meer macht zouden geven. Napoleon benoemde echter niet de plaatselijke bourgeoisie om de veroverde landen te besturen, maar familieleden en vrienden tot heersers en bestuurders.  Bovendien liet hij de onderworpen volken veel belasting betalen. Men was blij met de nieuwe wetgeving van Napoleon, maar niet met zijn andere maatregelen. Bewondering maakte plaats voor afkeer. Al snel zouden de onderworpen volken in verzet komen en zich aansluiten bij een coalitie van landen die zich volledig had gericht op het verslaan van Napoleon. De Franse keizer zou na een grote nederlaag in Rusland verslagen worden (1814). Napoleon Bonaparte werd vastgezet op het Franse eiland Elba. Daar wist hij te ontsnappen, om terug te keren naar Frankrijk en de mantel van heerser voor nog eens honderd dagen op te nemen. Maar bij het Belgische Waterloo werd hij in 1815 voorgoed verslagen.

De Europese vorsten wilden graag de gevolgen van de Franse Revolutie terugdraaien op het vredescongres dat volgde. In 1815 werd het Congres van Wenen gehouden, waarbij ook Frankrijk – als verliezer van de oorlog – was uitgenodigd. Samen moesten zij een vredelievend en stabiel Europa ontwerpen waarin koningen weer de baas zouden worden. Dit noemen we restauratie. In de praktijk bleek dat ideaal niet haalbaar. De ideeën uit de revolutie waren diepgeworteld in Europa; en vooral in de landen die overheerst waren geweest door Napoleon. Het gevolg was dat veel hervormingen niet meer teruggedraaid werden. Allereerst bleef de Code Napoléon bestaan en kwamen in de meest Europese landen grondwetten waaraan iedereen zich moest houden. Ten tweede werden parlementen opgericht – bestaande uit vertegenwoordigers uit de bourgeoisie en de adel – die samen met de koningen zouden regeren. Daardoor werd de macht van de koning kleiner. Ten derde werd de Verklaring van de rechten van de Mens en de Burger het uitgangspunt voor veel van die Europese grondwetten. Dezelfde rechten zouden later ook de basis vormen voor de Verenigde Naties en de Europese Unie in onze tijd. Als vierde uitgangspunt werd er besloten dat de scheiding van Kerk en staat werd opgenomen in de grondwet. Deze scheiding was het gevolg geweest van eeuwenlange kerkelijke onderdrukking. Met het opnemen van de scheiding tussen Kerk en staat, zouden burgers vrij zijn om hun eigen geloof te kiezen zonder dat zij vervolgd zouden worden door de Kerk.

Bron 18. De landen in Europa na het congres van Wenen. Frankrijk werd hersteld naar de omvang van voor 1789. Andere landen moesten land inleveren, nieuwe landen kwamen erbij en sommige landen kregen gebiedsuitbreiding.

Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Literatuur

Blom, Hans. Geschiedenis van de Nederlanden. Amersfoort: ThiemeMeulenhoff, 2005.

Doyle, William. The French Revolution: A Very Short Introduction. Oxford: Oxford University Press, 2001.

Hanson, Paul R. Historical Dictionary of the French Revolution. Oxford: Scarecrow Press Inc., 2004.

Palmer, R. R., Colton, J., en Kramer, Loyd. A History of the Modern World. Boston: Mc Graw Hill, 2007.

Riessen, Marcel van. Oriëntatie op geschiedenis: basisboek voor de vakdocent. Assen: Drukkerij Van Gorcum,  2016.

Scurr, Ruth. Fatale Zuiverheid: Robespierre en de Franse Revolutie. Antwerpen: De Bezige Bij. 2006.

Login om aantekeningen te kunnen maken
  Subscribe  
Abonneren op