Hoe contextualiseer ik?

Om het verleden te begrijpen moet je kunnen contextualiseren. Met contextualiseren wordt bedoeld: een compleet beeld van het verleden maken, ook wel beeldvorming of het begrijpen en verklaren van het verleden genoemd. Je leert naar een tijdsperiode te kijken in z’n geheel. Op die manier weet je hoe mensen in die tijd geleefd hebben en hoe ze hun eigen tijd hebben ervaren. Je geeft daardoor betekenis aan het verleden en beschrijft hoe het verleden nog steeds doorspeelt in het heden.

Contextualiseren is lastig. Je moet vanuit verschillende perspectieven naar het verleden kijken. Kennis helpt daarbij: jaartallen, historische personen, gebeurtenissen, geografie, politieke, sociale, culturele en economische ontwikkelingen. Als je wilt weten waarom een bepaalde gebeurtenis plaatsvond, moet je achterhalen welke van de bovenstaande gebeurtenissen, personen en ontwikkelingen betrokken waren bij die gebeurtenis of invloed daarop hebben gehad. Er wordt van je gevraagd om verbanden te leggen tussen al die kenmerken. Dat noemen we ook wel causaliteit, oftewel oorzaak en gevolg verbanden. Dat is een overweldigende taak, maar is makkelijker te maken door al de bovenstaande kennis kenmerken op te delen in vragen. Die vragen kan je stellen om voor jezelf structuur aan te brengen in de historische context die je gaat maken. Dezelfde methode kan je ook toepassen bij het contextualiseren van bronnen, want ook die kunnen in de tijd geplaatst worden en zijn tot stand gekomen door verschillende sociale, politieke, economische factoren.

 

Contextualiseren door vragen te stellen

De onderstaande vragen beantwoord je stapsgewijs. Je maakt eerst een tijdsafbakening. Historische contexten moeten niet te groot zijn; anders bestaat de kans dat je alsnog het overzicht verliest. Bij gewone toetsvragen gaan we uit van ± 5-10 jaar. Als je grotere werkstukken gaat maken of een onderzoek gaat doen die over een langere tijdsperiode gaat, moet je voor jezelf een tijdsafbakening maken die past bij het onderzoek of het te schrijven werkstuk.

  1. In welk gebied/land vond de gebeurtenis plaats?
  2. Welke personen waren betrokken bij de gebeurtenis?
  3. Welke gebeurtenissen waren van invloed op het ontstaan van de gebeurtenis?
  4. Wanneer vonden de gebeurtenissen uit vraag 3 plaats?
  5. Welke politieke ontwikkelingen droegen bij aan het ontstaan van de gebeurtenis?
  6. Welke economische ontwikkelingen droegen bij aan het ontstaan van de gebeurtenis?
  7. Welke sociale ontwikkelingen droegen bij aan het ontstaan van de gebeurtenis?
  8. Welke culturele ontwikkelingen droegen bij aan het ontstaan van de gebeurtenis?
null

Om te begrijpen waarom deze mannen, gewapend tot aan de tanden aan toe, staan te wachten; moet de afbeelding en daarmee de gebeurtenis gecontextualiseerd worden.

Deze bovenstaande acht vragen moet je altijd gebruiken als je wilt verklaren waarom een gebeurtenis is ontstaan, oftewel als je de historische context aan het maken bent. Dat betekent niet dat je elke vraag kan beantwoorden. Soms weet je niet welke personen betrokken waren bij een gebeurtenis. Soms zijn er geen culturele ontwikkelingen die bijdroegen aan het ontstaan van de gebeurtenis die je aan het beschrijven of verklaren bent. Dankzij de antwoorden op de vragen beschik je over historische informatie. Die informatie stelt je in staat een historische context te schrijven, aangezien je vanuit verschillende perspectieven naar een gebeurtenis hebt gekeken. Om een extra houvast te geven tijdens het contextualiseren, kan je het beste je context schrijven in de vorm van een verhaal. Een verhaal heeft immers altijd een begin, middenstuk en een einde en is dus chronologisch. Een historische context heeft dat ook en heeft dezelfde chronologische opbouw! Kijk maar eens naar je geschiedenis boek of naar een artikel op deze website. Welk historisch verhaal je ook neemt, ze hebben beiden een begin, middenstuk en einde. Door al deze vragen eerst uit te schrijven, leer je hoe je moet contextualiseren. Als je steeds vaker contextualiseert, wordt het steeds makkelijker en hoef je uiteindelijk ook niet meer alle vragen uit te werken. De contextualiseervragen stel je dan alleen nog maar in je hoofd.

 

Voorbeelden

De onderstaande voorbeelden geven aan hoe je moet contextualiseren. Er wordt gecontextualiseerd aan de hand van voorbeeldvragen uit te werken. Dat zijn dezelfde soort vragen die je ook op een toets kan verwachten. Ook bronnen moeten gecontextualiseerd worden, vandaar dat ook een bronvraag wordt uitgewerkt.

De Nederlandse Opstand

De Nederlandse Opstand brak in 1568 uit. Leg uit waarom die ontstond en Willem van Oranje als leider van de Opstand tegen Filips II vocht.

1. In welk gebied/land vond de gebeurtenis plaats?

Willem van Oranje was een edelman in de Nederlandse gewesten (onder andere huidig Nederland).

 

2. Welke personen waren betrokken bij de gebeurtenis?

Willem van Oranje en Filips II waren betrokken bij de gebeurtenis.

 

3. Welke gebeurtenissen waren van invloed op het ontstaan van de gebeurtenis?

De ingevoerde bloedplakkaten en daarmee de strenge vervolging van protestanten in de Nederlanden. De beeldenstorm in 1566.

 

4. Wanneer vonden de gebeurtenissen uit vraag 3 plaats?

De bloedplakkaten werden in 1550 uitgevaardigd. De beeldenstorm vond plaats in 1566.

 

5. Welke politieke ontwikkelingen droegen bij aan het ontstaan van de gebeurtenis?

De vader van Filips II was tijdens zijn regeerperiode begonnen met het centraliseren van de politiek. Filips II zette deze centralisatie voort. Dat betekende dat vanuit een punt geregeerd ging worden. Het gevolg was dat vanuit Spanje de Nederlandse gebieden werden bestuurd. Hierdoor verloor de Nederlandse adel veel macht.

 

6. Welke economische ontwikkelingen droegen bij aan het ontstaan van de gebeurtenis?

Filips II voerde op vele fronten oorlog. Dat kost veel geld. Om zijn oorlogen te bekostigen, verhoogde Filips II de belastingen in als zijngebieden. Ook in de Nederlandse gewesten werden deze verhoogde belastingen ingevoerd. Hierdoor verarmde de bevolking en ontstond en armoede. Ook de Nederlandse adel verarmde door de nieuwe belastingen, aangezien zij minder financiële steun konden verwachten van de bevolking. De bevolking kon immers minder geld afstaan aan de adel, te wijten aan Filips’ verhoogde belastingen.

 

7. Welke sociale ontwikkelingen droegen bij aan het ontstaan van de gebeurtenis?

De kettervervolgingen door Filips’ bloedplakkaten zorgden voor veel onrust in de Nederlanden onder de bevolking. Deze zag Filips alsbloedlustige vorst die graag niet katholieke gelovigen vervolgde. Deze onrust uitte zich uiteindelijk in de beeldenstorm van 1566.

 

8. Welke culturele ontwikkelingen droegen bij aan het ontstaan van de gebeurtenis?

In de Nederlandse gewesten waren veel aanhangers van het protestantisme, zowel lutheraans als calvinistisch. Calvijn had betoogd dat deprotestantse geloofsgemeenschappen ook zonder de goedkeuring van de vorst bijeen mochten komen om hun geloof uit te oefenen. De argumenten van Calvijn zouden gebruikt worden om de opstand tegen Filips II, de rechtmatige vorst van de Nederlanden, goed te praten.

katholieke kerken werden in 1566 geplunderd. Ze werden ontdaan van alle afbeeldingen, symbolen en beelden van heiligen. Veel van deze geplunderde kerken zouden later gebruikt worden als protestantse kerken.

 

In acht vragen heb je een compleet beeld geschetst van het ontstaan van de Nederlandse Opstand, ook wel de Tachtigjarige Oorlog genoemd. Vanuit verschillende perspectieven heb je de vraag gecontextualiseerd.

Een bron uit de Eerste Wereldoorlog

Bron 1. Frans-Ferdinand wordt op 28 juni 1914 tijdens een rondrit in Sarajevo doodgeschoten door een nationalistische moordenaar.

Bekijk bron 1 hiernaast. De gebeurtenis afgebeeld in de bron is de directe oorzaak waardoor de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Leg uit waarom de gebeurtenis uit bron 1 als de directe oorzaak wordt beschouwd.

 

1. In welk gebied/land vond de gebeurtenis plaats?

De moordaanslag vond in de stad Sarajevo plaats (Servië, Europa).

 

2. Welke personen waren betrokken bij de gebeurtenis?

De troonopvolger van Oostenrijk-Hongarije, Frans-Ferdinand. Gavrilo Prinicip, de Servische moordenaar van de nationalistische organisatie de Zwarte Hand.

 

3. Welke gebeurtenissen waren van invloed op het ontstaan van de gebeurtenis?

De rondrit van Frans-Ferdinand door Sarajevo.

 

4. Wanneer vonden de gebeurtenissen uit vraag 3 plaats?

De rondrit van Frans-Ferdinand vond plaats op 28 juni 1914.

 

5. Welke politieke ontwikkelingen droegen bij aan het ontstaan van de gebeurtenis?

In de jaren voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog was er in Europa een wapenwedloop ontstaan. De enorme hoeveelheden wapens zorgden ervoor dat Europese landen zich veilig probeerden te stellen door samen te werken met andere landen. Uit deze samenwerking ontstonden bondgenootschappen. Wanneer een land uit dat bondgenootschap aangevallen werd, moesten de overige landen het aangevallen land te hulp schieten. Hierdoor kon gemakkelijk een oorlog ontstaan tussen meerdere landen, waar voorheen de oorlog beperkt gebleven zou zijn tussen twee landen. De moord op de Oostenrijks-Hongaarse troonopvolger en daaropvolgend de oorlogsverklaring van Oostenrijk-Hongarije aan Servië veroorzaakte een kettingreactie van oorlogsverklaringen door de bondgenoten van beide landen.

 

6. Welke economische ontwikkelingen droegen bij aan het ontstaan van de gebeurtenis?

Economisch ging het goed met Europa. De sterke economie werd gebruikt om grote hoeveelheden wapens te produceren.

 

7. Welke sociale ontwikkelingen droegen bij aan het ontstaan van de gebeurtenis?

In de negentiende eeuw was in Europa het nationalisme opgekomen. Dit nationalisme zorgde in elk land voor superioriteitsgevoelens. Elk volk zag zichzelf als onoverwinnelijk, de beste en verreweg als het belangrijkste volk in Europa en de wereld. In het geval van een oorlog zou het eigen volk gemakkelijk winnen van een ander, vaak als minderwaardig beschouwd volk. Een oorlog werd dan ook niet gevreesd, maar eerder aangemoedigd.

 

8. Welke culturele ontwikkelingen droegen bij aan het ontstaan van de gebeurtenis?

Zie vraag 7. De cultuur weerspiegelde de trots die de verschillende Europese volkeren voelden voor het eigen volk.

 

In acht vragen heb je een compleet beeld geschetst van het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog door gebruik te maken van de bron. Vanuit verschillende perspectieven heb je de bron en de bijbehorende vraag gecontextualiseerd.

Literatuur

van Drie, Jannet, and Piet-Hein van de Ven. “Moving Ideas: An Exploration of Students’ Use of Dialogue for Writing in History.” Language and Education , no. 2 (2017): 1–17.

Huijgen, Tim, Carla van Boxtel, Wim van de Grift, and Paul Holthuis. “Toward Historical Perspective Taking: Students’ Reasoning When Contextualizing the Actions of People in the Past.” Theory & Research in Social Education 45, no. May (2016): 110–144.

Huijgen, Tim, Wim van de Grift, Carla van Boxtel, and Paul Holthuis. “Teaching Historical Contextualization: The Construction of a Reliable Observation Instrument.” European Journal of Psychology of Education (2016): 159–181.

Huijgen, Tim, and Paul Holthuis. “Why Am I Accused of Being a Heretic? A Pedagogical Framework for Stimulating Historical Contextualisation.” Teaching History 158 (2015): 50–55.

Keller, John M. “Strategies for Stimulating the Motivation to Learn.” Performance + Instruction 26, no. 8 (1987): 1–7.