Het nut van geschiedenis

Als docent geschiedenis heb je natuurlijk passie voor je vak. Hoe verkoop je dezelfde passie aan leerlingen of studenten? Vaak wordt dit afgedaan met ‘we willen graag dat je historisch denken onder de knie krijgt’. Historisch denken is een mooi begrip, een vaag begrip en tegenwoordig ook een afvalbak voor alles wat wij geschiedenisdocenten willen doorgeven aan onze leerlingen en studenten. Als we teruggaan naar de kern van ons vak, gaan we ook terug naar de kern van het begrip historisch denken en het nut van ons vak.

 

Realiteitsbewustzijn

Een geschiedverhaal is anders dan een mythe of een sprookje. Een geschiedverhaal berust op feiten en perspectieven aangedragen dankzij onderzoek verricht door historici. Dit lijkt evident, maar is deze constatering wel zo? Historici schrijven over een niet meer bestaande werkelijkheid. Een werkelijkheid waarvan het onderscheid tussen feit en fabel moeilijker wordt naarmate de afstand naar het heden groter is. Er zijn immers geen meetbare wetmatigheden zoals in de natuurkunde. Er bestaat niet zoiets als de ‘de tweede wet van het verleden’. Historici brengen echter wel ‘objectiviteit’ aan binnen het verleden. Zij scheiden het koren van het kaf: historische feiten van fabels. Een voorbeeld hiervan is de boekdrukkunst. Historici hebben Johann Gutenberg als de uitvinder van de boekdrukkunst bestempeld. Beweringen dat andere uitvinders eerder deze kunst beheersten worden als mythevorming afgedaan. Wanneer historici en docenten geen begeleiding bieden aan leerlingen – overigens aan de hele samenleving – kan fabel voor feit worden verward. Deze taak, deze wetenschappelijke onderbouwing is het creëren van een ‘objectief’ verleden. Een verleden wat al vergaan is, maar een die beschouwd wordt als aansluitend bij het heden en daarmee onze realiteit. Het is de taak van historici om dit objectieve verleden te creëren en aan geschiedenisdocenten dit bewustzijn van dit verleden over te brengen.

Zonder het verdrag van Versailles zou er wellicht nooit een Tweede Wereldoorlog zijn ontstaan. Zonder historisch besef zou die gebeurtenissen misschien afgedaan worden als 'nutteloze informatie'. Terwijl vandaag de dag nog steeds de gevolgen van dat verdrag merkbaar zijn.

Distantie van het verleden

Door gebruik te maken van tijdvakken en perioden creëren historici gesloten perioden met elk hun eigen karakter. Hierdoor neemt de afstand tussen het heden en het verleden toe en daarmee de distantie van het verleden. Toch ontkom je niet aan associatie met het verleden tijdens het lesgeven. ‘Wij Nederlanders werden onderdrukt door de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog’. Deze gebeurtenis verwijst naar een niet meer bestaande realiteit, daardoor is de associatie met het Nederland uit het verleden ook krom. Wij kunnen geen directe associatie voelen met het verleden, aangezien de huidige samenleving verschilt met die van toen.

Het gebruik van een wij-perspectief is verleidelijk. Het verkleint de afstand tussen het heden en het verleden. Menig docent denkt dat een wij-perspectief het inlevingsvermogen van de leerling bevorderd. Het tegendeel is waar. Onderzoek wijst uit dat leerlingen dankzij dit perspectief het onderscheid tussen elementen uit het verleden, nog steeds aanwezig in onze hedendaagse samenleving, moeilijk vinden te isoleren van hedendaagse elementen. Want waarom reageerden de inwoners van de Nederlanden rond 1500 anders op wetenschappelijke ontdekkingen, dan dat Nederlanders dat vandaag de dag zouden doen. Door distantie van het verleden te creëren, ‘Nazi-Duitsland en het Nederland van toen’, creëer je een vorm van objectiviteit. Je geeft sluiting aan perioden uit het verleden en schept het beeld dat zij door leerlingen binnen hun eigen context geanalyseerd moeten worden; wat dan tevens ook geldt voor gerelateerd bronmateriaal. Het gevolg is minder anachronismen. Elke tijdsperiode wordt binnen zijn eigen context gewaardeerd.

 

Tijdsgebondenheid en culturele diversiteit

Het is al even kort aangestipt. Elk tijdvak, elke periode moet gewaardeerd worden binnen zijn eigen context. Voor historici en docenten is dit evident. Voor leerlingen daarentegen niet. ‘wat waren die Romeinen dom. Dat die jagers en verzamelaars in natuurgoden geloofden terwijl er maar één God is’. Het zijn maar enkele uitspraken die je tegen kan komen tijdens de les, maar ook in de samenleving. Het is de taak van de docent de leerling te onderwijzen dat elke cultuur binnen zijn eigen tijdsperiode ontwikkelingen doormaakt. Een positieve reactie, hoe lovend ook, kan tevens anachronistisch zijn. ‘Goh wat waren die Romeinen al slim met hun centrale verwarming’. De eigen tijd wordt centraal gesteld en als norm genomen van waaruit er naar deze periode gekeken wordt. Benader het verleden dan ook vanuit haar eigen perspectief. Dit zorgt er voor dat leerlingen ook hedendaagse culturen binnen de eigen context weten te waarderen. Dat helpt anachronismen tegen te gaan. De leerling benaderd vanuit een kritisch perspectief een tijdsperiode.

 

Het doel van geschiedenis/ het nut van geschiedenis

Het vak geschiedenis heeft dan ook enkele doelen gesteld voor zichzelf en haar leerlingen. Ze moeten hedendaagse verschijnselen kunnen verklaren. Waar komen de spanningen vandaan in Zuid-Afrika? Waarom worden Afro-Amerikanen door veel zuidelijke Amerikanen met argusogen aangekeken?

Door het geschiedenisonderwijs kunnen leerlingen uiteindelijk historische verschijnselen en overeenkomsten, die betrekking hebben op het heden, verklaren en beargumenteren welk effect zij hebben op het heden. Ook kunnen ze factoren herkennen die bijvoorbeeld de zinloosheid van een oorlog bevestigen; oorlogen zoals de Eerste Wereldoorlog. Leerlingen tevens factoren voor verandering benoemen. Waarom heeft de mens zich op deze manier ontwikkeld? Welke factoren helpen een revolutie in de hand?

Leerlingen moeten kritisch kunnen redeneren en dit vanuit verschillende perspectieven kunnen doen. Dat is waar het geschiedenisonderwijs naar streeft. Leerlingen worden kritisch opgeleid en beoordelen culturen en perioden vanuit de context van de eigen omgeving of tijdsperiode. Zij kunnen dan ook inzicht geven op het handelen van de mens vanuit verschillende perspectieven. ‘Welke economische beweegreden zullen arbeiders uit de negentiende eeuw gehad hebben om te gaan staken? Diezelfde vraag zou ook vanuit een sociaal perspectief gesteld kunnen worden’.