Kenmerkende aspecten tijdvak 3: monniken en ridders

Kenmerkende aspecten

9. De verspreiding van het christendom in geheel Europa.

10. Het ontstaan en de verspreiding van de islam.

11. De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid.

12. Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.

Hoofdvragen
  • Hoe werd het christendom tijdens de vroege middeleeuwen over heel Europa verspreid?
  • Hoe ontstond en verspreidde de islam zich tijdens de vroege middeleeuwen?
  • Waarom werd de agrarisch urbane cultuur vervangen door een zelfvoorzienende cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid?
  • Hoe ontstonden feodale verhoudingen in het bestuur en de Europese samenleving(en)?

9. De verspreiding van het christendom in geheel Europa

Leerdoelen
  • Kan aangeven wat bedoeld wordt met missionaris en klooster.
  • Kan een voorbeeld geven van samenwerking tussen de politieke elite en monniken bij de verspreiding van het christendom over heel Europa.
  • Kent twee strategieën die missionarissen gebruikten bij de verspreiding van heet christendom en kan uitleggen wat koningen en monniken met deze strategieën hoopten te bereiken.
  • Kent het belang van middeleeuwse kloosters voor de kennis van de klassieke oudheid.

Onder de Romeinse keizer Theodosius I was het christendom uitgeroepen tot staatsgodsdienst. Met de grote volksverhuizingen en val van het West-Romeinse Rijk in 476 werd het christendom minder populair. De invallende Germaanse stammen gaven de voorkeur aan hun eigen goden. Zo werd de Romeinse staatsgodsdienst teruggedrongen tot aan de stad Rome. Hierdoor werd de bisschop van Rome het aanzicht van de christelijke wereld.

 

Verspreiding van het christendom

Vanaf de zevende eeuw probeerden missionarissen heidense volken tot het christendom te bekeren. Verschillende kloosters functioneerden als uitvalsbasis, van waaruit bekeerd werd. Allereerst werden de volken op de Britse eilanden gekerstend. Van daaruit werden missietochten ondernomen naar het Europese vasteland. In Nederland waren de monniken Willibrord en Bonifatius actief. Zo probeerde Willibrord aan het einde van de zevende eeuw de Friezen te bekeren. Hij slaagde daar niet in. Willibrord werd uiteindelijk vermoord in 739 nabij Utrecht. In de achtste eeuw zou de monnik Bonifatius hetzelfde proberen na succesvol enkele Germaanse volken bekeerd te hebben in het huidige Duitsland. Bonifatius zou ook falen in het kerstenen van alle Friezen. Hij werd in 754 vermoord bij Dokkum. Vele anderen zouden het werk van Willibrord en Bonifatius voortzetten. Rond 1100 was het christendom verspreid in geheel Europa. Naast Frankrijk, Nederland en Duitsland zouden ook de Germaanse volkeren in Polen, Bohemen, Tsjechië, Slovenië en Hongarije bekeerd worden.

Bron 1. De samenwerking tussen de wereldlijke macht (koningen en adel) en de geestelijke macht (geestelijken zoals monniken) werd in de middeleeuwen aangeduid als de tweezwaardenleer.
Bron 2. In de vroege middeleeuwen aanbaden de Ieren de zon. Om het christendom aantrekkelijker en herkenbaarder te maken werd de cirkel - die stond voor de zon - toegevoegd aan het kruis, het christelijke symbool.
Zwaarden en bijbels

Niet alleen missionarissen verspreidden het woord van God. Ook koningen droegen daaraan bij. De Frankische koning Karel de Grote voerde jarenlang oorlog tegen de Saksen in Duitsland, verwoestte daarbij hun heiligdommen en vermoordde duizenden Saksen als zij zich weigerden te bekeren tot het christendom. Daarna liet hij het bekeringswerk vooral over aan missionarissen als de Fries Liudger, die op pad ging om het christendom in het noorden van Duitsland te verspreidden.

Doordat enerzijds met de bijbel werd bekeerd en anderzijds met het zwaard, was het christendom aan het einde van de vroege middeleeuwen geleidelijk over heel Europa verspreid. Dit succes valt te verklaren door de samenwerking tussen politieke elite en monniken, maar ook door de vermenging van heidense en christelijke rituelen zodat Germaanse volken eerder bereid waren het christendom te accepteren.

Kloosters werden de centra van het christelijke geloof in de vroege middeleeuwen. Daarnaast waren het bewaarplaatsen van kennis. Niet alleen kennis over het christendom werd er opgeslagen, ook teksten uit de klassieke oudheid.

10. Het ontstaan en de verspreiding van de islam

Leerdoelen
  • Kan aangeven wat bedoeld wordt met de islam en met de Koran.
  • Kan aangeven hoe de islam is ontstaan op het Arabische schiereiland.
  • Kan verklaren waardoor moslimlegers in hoog tempo gebieden in het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Europa wisten te veroveren.

Na het jodendom en het christendom, ontstond in de zevende eeuw na christus de derde monotheïstische godsdienst: de islam. Volgens het heilige boek de Koran verscheen een engel aan de toen veertigjarige Arabische koopman Mohammed (570-632) in het huidige Saoedi-Arabië. Tijdens deze verschijning openbaarde God zich aan Mohammed. Dankzij deze goddelijke communicatie werd hij gezien als profeet. Zo’n openbaring was als een keer eerder voorgekomen, zo beschrijft de Koran de eerdere openbaring aan Jezus van Nazareth. Deze werd ook gezien als een profeet.

Na de dood van Mohammed was de islam gevestigd op het Arabische schiereiland en had het vele gelovigen (moslims). In de jaren na Mohameds dood verspreidden de opvolgers van Mohammed (kaliefen) de islam met succes over heel het Midden-Oosten, Klein-Azië, Noord-Afrika en vanaf 711 in Spanje en Portugal. De kaliefen profiteerden van de verdeeldheid onder hun tegenstanders. Deze bevochten liever elkaar dan de invallende moslims. Daarnaast maakten zij gebruik van een mobiele en wendbare ruiterij. Hun tegenstanders – waaronder de christelijke inwoners uit Spanje en Portugal – konden zich niet zo snel verplaatsen en waren daardoor in het nadeel.

De islamitische overheersers waren redelijk verdraagzaam tegenover andersdenkenden. Joden en christenen mochten hun godsdienst blijven uitoefenen. Daar moesten ze echter wel belasting voor betalen en genoegen nemen met de beperkingen die hen door het islamitische bestuur werden opgelegd.

Bron 3. De uitbreiding van het islamitische kalifaat onder Mohammed en zijn opvolgers.
Bron 4. De openbaring aan Mohammed uit een zestiende eeuwse Koran.

11. De overgang naar autarkische economieën, hofstelsel en horigheid

Leerdoelen
  • Kan aangeven wat bedoeld wordt met autarkie, hofstelsel en horige.
  • Kan uitleggen welk oorzakelijk verband er bestaat tussen de ondergang van het West-Romeinse Rijk en het ontstaan van het hofstelsel.

Het West-Romeinse Rijk had altijd de grote handelswegen beschermd. Met het wegvallen van die bescherming nam ook de handel over langere afstanden in West-Europa af. Hierdoor raakten steden in verval. Deze waren immers afhankelijk van de handel in bijvoorbeeld graan en andere grondstoffen. Daarnaast nam ook het gebruik van geld af. Romeins geld was met de val van Rome niets meer waard. Met deze aftakeling raakte de landbouw-stedelijke samenleving uit de oudheid in verval. Door dit verval kregen stedelijke inwoners het steeds moeilijker. Velen van hen zochten hun heil bij heren op hun landgoederen, voor bescherming en levensonderhoud. Er ontstond een autarkische landbouwsamenleving met een economie die was georganiseerd via het hofstelsel.

Boeren woonden en werkten in dit hofstelsel op het domein van een heer. Dat kon een edelman zijn of abt. Een gedeelte van deze boeren werkten als dorp samen in het produceren van landbouwgoederen. Een ander deel van de boerenbevolking werkte als horige op het land van de heer of het omliggende gebied van een klooster. In ruil voor bescherming en een stuk grond verrichtten horigen hand- en spandiensten (herendiensten), betaalden zij belasting in natura en moesten zij verplicht op het domein blijven wonen. Zo waren de heren verzekerd van genoeg arbeiders op hun landerijen.

Bron 5. Het kasteel, ook wel donjon, was het middelpunt van een domein. De omliggende stukken land werden bewerkt. Op de afbeelding zie je horigen aan het werk.
Bron 6. Naast het bewerken van het veld en houden van het vee, moesten horigen nog andere diensten verrichtten. Op de afbeelding zie je het autarkische karakter van de vroeg middeleeuwse economie.

12. Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur

Leerdoelen
  • Kan uitleggen welk oorzakelijk verband er bestaat tussen de ondergang van het West-Romeinse Rijk en het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.
  • Kan uitleggen waardoor het feodale stelsel leidde tot het uiteenvallen van het centraal vorstelijk gezag in de (latere) middeleeuwen.
  • Je kan aangeven wat bedoeld wordt met de middeleeuwse standensamenleving.

Bron 7. De maatschappelijke verdeling in de middeleeuwen: zij die bidden, zij die vechten en zij die werken.

Naast grote economische gevolgen, had de ondergang van het West-Romeinse Rijk ook grote politieke gevolgen. Grote centraal aangestuurde gebied die eerst bestuurd werden vanuit Rome, vervielen tot kleine vorstendommen. In ruil voor militaire hulp, economische steun en hulp bij het bestuur gaven vorsten – een leenheer/landsheer genoemd – kleine stukken land te leen aan leenmannen; die op hun beurt het bestuur en de rechtspraak regelden in de gebieden die zij te leen kregen. Dit bestuur waarbij leenmannen trouw zweren, wordt het leenstelsel, het feodale stelsel of feodalisme genoemd.

Voor de situatie die was ontstaan na de val van het West-Romeinse Rijk was deze nieuwe bestuursvorm uitermate geschikt. Zowel de infrastructuur als communicatiemiddelen waren slecht, weinig mensen konden lezen noch schrijven; er was weinig geld in omloop en er werd te weinig voedsel geproduceerd om ambtenaren te onderhouden die nodig waren voor een centraal gelegen bestuur.

Niet alle leenmannen – zoals edelen, ridders en geestelijken van hogere rang – waren even trouw aan hun leenheer. Zij begonnen zich als zelfstandige heersers te gedragen en stelden onderleenmannen aan. Vooral deze laatste groep luisterde uiteindelijk niet meer naar de koning, want ze waren trouw aan hun ‘eigen’ leenheer. Het gevolg was dat het grondgebied van de leenheer versnipperde en er vaak onderlinge oorlogen ontstonden tussen leenmannen die de koning wilden vervangen.

Bij de middeleeuwen hoort het denkbeeld dat mensen waren ingedeeld in standen: geestelijkheid, adel en de derde stand. Dit idee van een standensamenleving komt uit de late middeleeuwen. Het waren geestelijken die verklaarden dat de wereld bestond uit drie soorten mensen: ‘zij die bidden, zij die vechten en zij die werken’. Dit idee van een standensamenleving zou vooral tijdens deze late middeleeuwen tot aan de Franse Revolutie (1789) gebruikt worden om de sociale hiërarchie in stand te houden. In de vroege middeleeuwen was het wel degelijk mogelijk om op te klimmen. Er bestond nauwelijks verschil tussen geestelijken en leken. Horige boeren konden uiteindelijk als ridder toetreden tot de lage adel. De adel was nog geen afgesloten groep. Dat gebeurde pas in de late middeleeuwen. In diezelfde periode zien we ook de eerste standenvergaderingen opkomen, waarbij vaak niet gestemd werd per hoofd maar juist per stand.

Literatuur

Blois, L. de  en van der Spek, R.J. Een kennismaking met de oude wereld. Bussum: Uitgeverij Coutinho, 2017.

Geschiedenis Havo/Vwo, Syllabus Centraal examen 2017, Domein A en B van het Examenprogramma.

Riessen, Marcel van. Oriëntatie op geschiedenis: basisboek voor de vakdocent. Assen: Drukkerij Van Gorcum,  2016.

Rosenwein, Barbara H. A short History of the Middle Ages. Toronto: University of Toronto Press; 5e editie, 2018.

Tang, Frank. De middeleeuwen: een kleine geschiedenis. Amsterdam: Prometheus; 2e druk, 2017.

Wilsum, W.P. van. Tijd van monniken en ridders 500-1000 Vroege Middeleeuwen. Peize, 2016.

Subscribe
Abonneren op
0 Reacties
Inline Feedbacks
Bekijk alle aantekeningen