
Bron 7. De maatschappelijke verdeling in de middeleeuwen: zij die bidden, zij die vechten en zij die werken.
Naast grote economische gevolgen had de ondergang van het West-Romeinse Rijk ook grote politieke gevolgen. Grote centraal aangestuurde gebieden die eerst vanuit Rome werden bestuurd, vielen uiteen in kleine vorstendommen. In ruil voor militaire hulp, economische steun en hulp bij het bestuur gaven vorsten – een leenheer of landsheer genoemd – stukken land in leen aan leenmannen. Deze regelden vervolgens het bestuur en de rechtspraak in de gebieden die zij kregen. Dit bestuur, waarbij leenmannen trouw zwoeren, wordt het leenstelsel, het feodale stelsel of feodalismeHet leenstelsel dat van de val van het West-Romeinse Rijk (476) tot de Franse Revolutie (1789) in Europa bestond. De leenheer gaf gebieden in leen aan zijn leenmannen en kreeg in ruil hiervoor trouw, militaire steun en belastinginkomsten. Feodale verhoudingen geven aan hoe de leenheer, leenmannen en ondergeschikten met elkaar omgingen. genoemd.
Na de val van het West-Romeinse Rijk was deze nieuwe bestuursvorm zeer geschikt. De infrastructuur en communicatiemiddelen waren slecht, weinig mensen konden lezen of schrijven, er was weinig geld in omloop en er werd te weinig voedsel geproduceerd om ambtenaren te onderhouden die nodig waren voor een centraal bestuur.
Niet alle leenmannen – zoals edelen, riddersEen gewapende ruiter uit de middeleeuwen. en geestelijken van hogere rang – waren even trouw aan hun leenheer. Sommigen gingen zich gedragen als zelfstandige heersers en stelden onderleenmannen aan. Vooral deze laatste groep luisterde uiteindelijk niet meer naar de koning, want zij waren trouw aan hun ‘eigen’ leenheer. Het gevolg was dat het grondgebied van de leenheer versnipperde en er vaak oorlogen ontstonden tussen leenmannen die de koning wilden vervangen.
Bij de middeleeuwen hoort het denkbeeld dat mensen waren ingedeeld in standenEen samenleving waarin de bevolking in verschillende groepen of standen is opgedeeld, met elk hun eigen rechten en plichten. De groep hoort door afkomst of geboorte bij elkaar.: geestelijkheidDe stand van de hoge en lage geestelijkheid., adelEen groep mensen met een bevoorrechte positie in de samenleving, die alleen verkregen kon worden door het erven van adellijke voorrechten. en de derde standDe stand van boeren, burgers en (later) arbeiders.. Dit idee van een standensamenleving komt uit de late middeleeuwen. Geestelijken verklaarden dat de wereld bestond uit drie soorten mensen: ‘zij die bidden, zij die vechten en zij die werken’. Dit idee zou vooral tijdens de late middeleeuwen tot aan de Franse Revolutie (1789) gebruikt worden om de sociale hiërarchie in stand te houden. In de vroege middeleeuwen was het echter nog mogelijk om op te klimmen. Er bestond nauwelijks verschil tussen geestelijken en lekenIedereen in de Katholieke Kerk die geen wijding tot bisschop, priester, kloosterling(e) of diaken heeft ontvangen.. Horige boeren konden uiteindelijk als ridder toetreden tot de lage adel. De adel was nog geen afgesloten groep. Dat gebeurde pas in de late middeleeuwen. In diezelfde periode ontstonden ook de eerste standenvergaderingen, waarbij vaak niet per hoofd maar per stand werd gestemd.