Bijbels, zwaarden en sikkels

Hoofdvragen

In welke mate veranderde de Europese samenleving door de toenemende Germaanse invloeden?

Hoe veranderde de Europese samenleving onder de Karolingische vorsten?

Wat waren de politieke, economische en sociale oorzaken voor de afnemen van de koninklijke macht en wat voor gevolgen had dit voor de middeleeuwse samenleving?

476
754
De stad Rome werd geplunderd, de Romeinse keizer afgezet en daarmee viel het West-Romeinse Rijk.
Bonifatius werd bij Dokkum vermoord.

In 476 n.C. werd Rome geplunderd. Grote delen van de eens zo machtige stad zouden verwoest worden. Met die gebeurtenis hield het West-Romeinse Rijk op van bestaan. Toch kon niemand rond het jaar 500 vermoeden dat de nieuwe periode die was aangebroken een bijzondere naam zou krijgen in de Europese geschiedenis: de vroege middeleeuwen. Deze periode zou duizend jaar duren. Zoals de naam suggereert werd de periode gezien als een tussenfase – een periode in het midden – maar niet door de middeleeuwers zelf! Deze negatieve term is veel later in Italië uitgevonden, omdat daar in de veertiende eeuw weer interesse was ontstaan voor de Griekse en Romeinse oudheid. Omdat de middeleeuwers geen interesse meer hadden gehad in die klassieke cultuur, zou het volgens deze oudheidgeïnteresseerden een periode zijn geweest van duisternis. Het leven was immers beter geweest onder de Romeinen aldus dat denkbeeld. De naam middeleeuwen zegt dus eigenlijk meer over de wetenschappers uit de veertiende eeuw dan over de periode zelf. Het negatieve beeld van deze periode na de val van het West-Romeinse Rijk is tegenwoordig niet meer gebruikelijk, want de beginselen van het moderne Europa schrijven sommige historici toe aan Karel de Grote. Toch blijven we spreken van de middeleeuwen. Door de eeuwen heen is deze term zo vaak gebuikt binnen de westerse geschiedenis, dat hij niet meer weg te denken is.

Kenmerkende aspecten
  • 9. De verspreiding van het christendom in geheel Europa.
  • 10. Het ontstaan en de verspreiding van de islam.
  • 11. De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid.
  • 12. Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.

Bron 1. Clovis I was de eerste Frankische heerser die zich tot het christendom liet dopen. Zijn nakomelingen zouden heel Frankrijk verenigen, omdat ze zowel de steun van Franken als de oude Romeinse elite genoten.

1. Regeren met de scherven van een imperium

Leerdoelen
  • kent de sociale, politieke en economische gevolgen van het verdwijnen van het West-Romeinse Rijk.
  • Kan aangeven dat de vroeg middeleeuwse economie grotendeels autarkisch was.
  • Kan aangeven dat lokale edelen – zoals de Frankische koning Clovis – gebruik maakten van het verdwijnen van het West-Romeinse Rijk.
  • Kan het verschil aangeven tussen Romeins recht en het Frankisch gewoonterecht.

In het hoofdstuk Van Etruskisch dorp naar Imperium Romanum heb je kunnen lezen dat het West-Romeinse Rijk door verschillende oorzaken uiteen was gevallen, waaronder de volksverhuizingen. Roversbendes hadden gebruik gemaakt van de chaos veroorzaakt door de volksverhuizingen door moordend en plunderend rijkdommen te vergaren. Het Romeinse centrale gezag kon niet ingrijpen. Er waren nauwelijks nog soldaten buiten Italië die deze criminelen konden aanpakken. Er konden ook geen soldaten vanuit Italië gestuurd worden. Het Romeinse gezag had immers al moeite met de hoofdstad Rome te beschermen tegen de invallende volkeren. Laat staan dat het andere problemen kon oplossen. Vooral de buitengebieden – zoals het hedendaagse Frankrijk, Nederland, Duitsland en Engeland – zouden niet meer vanuit Rome aangestuurd en beschermd worden.

 

Autarkie

Lokale edelen maakten vervolgens gebruik van deze nieuwe situatie. Door het ontbreken van Romeinse soldaten verklaarden deze edelen elkaar de oorlog. Zij hoopten dat beetje wat de Romeinen achter hadden gelaten in handen te krijgen, maar ook met geweld hun grondgebied uit te breiden. Als gevolg van deze onveilige situatie durfde niemand meer te reizen. Het werd tevens bemoeilijkt doordat de kans groot was dat je in een veldslag terecht kwam of de dood zou vinden aan de hand van een roversmes. De handel die in de oudheid zo levendig was geweest in en buiten het West-Romeinse Rijk zou bijna volledig verdwijnen. Een enkele handelsroute bleef bestaan, maar ook die werden niet meer intensief gebruikt. De grote handelssteden uit het noorden van het West-Romeinse Rijk zouden inkrimpen tot regionale marktplaatsen. Daarnaast nam ook de nijverheid af. Het maken van ingewikkelde producten als sieraden kostte veel tijd, arbeid en kapitaal. Handwerklieden waren niet meer bereid deze te investeren, want er was niemand meer die de gemaakte producten kon beschermen; er waren immers geen Romeinse soldaten meer die de veiligheid konden garandeerden. Men vond het veel verstandiger datgene te produceren wat je direct nodig had om te overleven zoals voedsel en kleding. De vroege middeleeuwers streefden naar autarkie.

Met het verdwijnen van de handel en nijverheid nam ook het gebruik van geld als ruilmiddel af. Gouden en zilveren munten – en daarmee ook sieraden – werden omgesmolten tot gebruiksvoorwerpen. Hoewel er nog wel ruilhandel plaatsvond, werd geld niet meer gebruikt. Vanwege de nieuwe zelfvoorziening was het overbodig geworden: ‘waarom investeren in luxeproducten zoals sieraden, als deze toch gestolen kunnen worden’? Toch was er niet sprake van volledige autarkie. Binnen een middeleeuws dorp was de een handiger in het maken van schoenen, de ander in het bewerken van metaal. Binnen een dorp was dus sprake van beperkte specialisatie. De gespecialiseerde economie uit de oudheid – bijvoorbeeld dat het ene gebied zich richtte op de productie van olijven en de ander op graan – verdween. En het zou nog honderden jaren duren voordat gebieden weer gingen specialiseren.

Bron 2. Een negentiende eeuws schilderij met als onderwerp de opvoeding en scholing van Clovis zijn kinderen.
Bron 3. De uitbreiding van het Frankische Rijk onder Clovis, van het Merovingische koningshuis.
Het Merovingische Rijk

Van alle Germaanse koninkrijken die na de val van het West-Romeinse Rijk werden gesticht, werd het Frankische Rijk in Gallië – het huidige Frankrijk – het belangrijkst. Daarom besteden we vooral aandacht aan de Franken. Na het wegvallen van het Romeins gezag in 476 trad een succesvol veroveraar op de voorgrond: Clovis, die regeerde van 481 tot 511. Tijdens zijn regeerperiode deed hij er alles aan om zijn rivalen uit de weg te ruimen en zijn rijk uit te breiden, waaronder de Visigoten terugdrijven richting Spanje. In het jaar 497 zou het rijk van de Frankische koning bijna geheel Frankrijk beslaan. Dit rijk zou bekend komen te staan als het Merovingische Rijk, vernoemd naar Merovech de mythische voorvader waar Clovis dacht van af te stammen.

Nu Clovis zo’n enorm gebied bestuurde, leek het hem verstandig om ook het geloof van zijn onderdanen aan te nemen: het christendom. In 498 liet hij zich dopen in de kerk van Reims, tegelijkertijd met de Frankische elite. Met deze bekering zou de Frankische koning de steun krijgen van de bisschoppen uit de voormalige Romeinse steden en gebieden, die met het vertrek van de Romeinen het bestuur hadden overgenomen. Clovis bekeerde zich tot de officiële vorm van het christendom, zoals deze werd verkondigd vanuit Rome door de paus. Daardoor zou ook de paus gaan samenwerken met de Franken.

Na de dood van Clovis in 511 werd zijn rijk in gelijke delen verdeeld onder zijn vier zonen. Dat klinkt misschien gek, maar het laat zien dat de Merovingische heersers hun rijk niet beschouwden als een staat of land dat door professionele politici bestuurd moest worden; waarin alle inwoners gelijk waren voor de geschreven wet – zoals het geval was geweest in het Romeinse Rijk. De Frankische koningen beschouwden de gebieden als hun bezit, oftewel als een ‘allodium‘ het latijn voor bezit. Het was heel gewoon om bezittingen te vererven. Dat waren de ongeschreven regels van het Frankische gewoonterecht. De Frankische koningen beschouwden de verdeling van hun rijk door erfopvolging niet als verzwakking, maar eerder als versterking. Door de familieband zouden de familieleden wel samen moeten werken. Daarnaast werd aan een koninklijke familie koningsheil toegeschreven. Dit was een soort magische kracht die groter werd naarmate een koninklijke familie meer leden had. In theorie zou deze samenwerking dus goed moeten werken. Maar in de praktijk kwam vaak voor dat zonen van een koning naar de wapens grepen nadat hun vader overleed, elkaar bevechtend om hun vaders grondgebied. Deze erfopvolging leidde dus vaak in de praktijk tot verzwakking.

2. Karels feodaliteit

Leerdoelen
  • Kan aangeven hoe de Karolingische vorsten de macht overnamen van de Merovingische vorsten.
  • Kent de manier waarop Karel de Grote naar religieuze, politieke en religieuze eenheid streefde.
  • Kan het feodalisme onder Karel de Grote uitleggen.
  • Kan aangeven dat het Europese eenheidsideaal uiteindelijk niet gehaald werd door de Karolingische vorsten.
  • Kan aangeven dat het beleid van Karel de Grote voor een heropleving van de klassieke oudheid zorgde (verdiepingsstof).

Bron 4. De uitbreidingen van het Frankische Rijk onder de Merovingische heersers, gevolgd door Karel Martel en zijn opvolgers.

Na de dood van Clovis ging het bergafwaarts met de macht van de Merovingische koningen. De hofmeiers zouden daar gebruik van maken. Zij waren belangrijke ambtenaren aan het Merovingische hof. De hofmeiers beheerden de schatkist en bestuurden vaak in plaats van de koning. Eén van deze hofmeiers, Karel Martel, wist in korte tijd het grootste gedeelte van het Merovingische bestuur naar zich toe te trekken. Daarop stuurde hij in 751 een delegatie naar de paus om te vragen of het juist was dat de officiële Frankische koningen van die tijd niet echt koninklijke macht hadden.

De paus ontving Karel Martels delegatie met open armen, aangezien de paus werd bedreigd door de Longobarden. In tegenstelling tot de Longobarden die het arianisme uitoefenden, geloofden de Franken in het ware christendom: het christelijk geloof zoals deze werd verkondigd door de paus. De paus beloofde Karel Martel om een eventuele machtsovername te steunen als de Franken Rome zouden beschermen tegen de invallende Longobarden. Drie jaar later zou de zoon van Karel Martel naar Italië trekken als koning van de Franken om de Longobarden uit Italië te verdrijven. Deze machtsovername van de hofmeiers was zonder de pauselijke steun niet gelukt, aangezien de Franken christelijk waren en de plaatsvervanger van God op aarde – de paus – op zijn woord geloofden.

 

Feodalisme

In 771 zou de titel van Frankische koning in handen komen van Karel, die later werd aangeduid als Karel de Grote. De grenzen van Karels rijk zouden tot halverwege Europa reiken (bron 4). Dankzij Karels heerschappij was het idee ontstaan van een verenigd Europa met één geloof en één vorst, waarin sprake was van economische, politieke en religieuze eenheid.

Dit bovengenoemde idee van Europese eenheid kon alleen ontstaan door de onderwerping van Europa in een lange reeks van oorlogen. Bovendien zorgde Karel de Grote ervoor dat geen enkel ander geloof voet kreeg in Europa. Met de laatste Longobardische restantjes werd in Italië afgerekend en in de Pyreneeën vocht Karel met de moslims die via Spanje een weg naar het Europese binnenland zochten. Ook de Saksen – die nog in de Germaanse goden geloofden – werden op afstand gehouden of met harde hand bekeerd. Monniken zouden de heidense gebieden intrekken met enerzijds als doel de bevolking met de bijbel in de hand te bekeren of anderzijds met het zwaard. Het christelijke geloof moest voor eenheid zorgen in het immense Frankische Rijk. Zo zouden de inwoners van Karels rijk ook geen reden hebben om te vechten over verschillende geloofsovertuigingen.

Naast godsdienstige eenheid moest er ook politieke eenheid komen. Karel wist dat hij nooit Europa in zijn eentje kon besturen. Daarom liet hij zijn rijk in districten opdelen, die gouwen werden genoemd. Deze gouwen werden bestuurd door een graaf of een hertog (adel) die trouw zwoeren aan Karel. Zij beloofden uit Karels naam te besturen en hem te hulp te schieten bij gewapende conflicten. In ruil daarvoor mochten zij een gedeelte van de belastingen uit zo’n gebied houden. Bij de dood van zo’n edelman zou het gebied weer uitgeleend worden aan iemand anders. Zodoende werden zij leenmannen genoemd. Dit nieuwe systeem wordt feodalisme genoemd, naar het woord ‘feudum’ dat Latijn is voor leen. Toch vertrouwde Karel zijn leenmannen niet altijd. Om te controleren of zij zich wel aan hun eed van trouw hielden, Karels bevolking bestuurden volgens zijn wetten en de bevolking belasting liet betalen naar Karels wetten; stuurde hij ambtenaren – zendgraven genoemd – om de leenmannen te controleren. De ambtenaren moesten nagaan of er wel bestuurd werd volgens de capitularia. Niet alleen zendgraven hadden deze taak; ook Karel de Grote zelf trok door het rijk ‘van palts tot palts’ – hier komt ons latere woord paleis vandaan – zodat hij persoonlijk zijn leenmannen in de gaten kon houden.

Naast religieuze en politieke eenheid, streefde Karel de Grote ook naar economische. In het gehele rijk werden plaatselijke munten niet meer geaccepteerd. Karel introduceerde een uniform muntstelsel, bestaande uit ponden, schellingen en penningen. Zo’n muntstelsel maakte het makkelijk om over lange afstanden handel te drijven. Zo herleefde voor een korte periode de handel over lange afstanden.

Na de dood van Karel de Grote in 814 zou zijn zoon Lodewijk het rijk erven. Deze verspeelde het vertrouwen van de graven en hertogen, waardoor zij zich tegen hem keerden en hun steun verkochten aan de zonen van Lodewijk. In 843 kwamen Lodewijks zonen bij elkaar in Verdun en verdeelden Frankisch Europa (bron 6), nadat hun vader als een gebroken man stierf. Het eens zo machtige rijk lag in scherven.

Bron 5. Een standbeeld van Karel de Grote gemaakt van goud, zilver en edelstenen. Men vermoedt dat een stuk van zijn schedel in het standbeeld verwerkt zit.
Bron 6. Met het sluiten van het Verdrag van Verdun werd het eens zo grote Frankische Rijk van de Karolingische vorsten verdeeld onder de kleinzonen van Karel de Grote.
Karolingische renaissance

Het feodalistische stelsel van Karel de Grote was grotendeels afhankelijk van trouw. Daarom was persoonlijk contact ook belangrijk. Historici vermoeden dan ook dat dit feodalisme grotendeels was vormgegeven uit de Germaanse ideeën over heersers die over onderdanen dienen te heersen, maar tegelijkertijd ook verantwoordelijk voor hen zijn. Toch merkte Karel dat persoonlijk contact ook voortbracht. Hij kon maar op één plek tegelijk zijn om zijn bevelen over te brengen. Daarom was het handig dat net als in het Romeinse Rijk bevelen op schrift gegeven konden worden.

Karels inwoners waren veelal ongeletterd. Dat bemoeilijkte zijn wens tot geletterdheid. Karel de Grote probeerde dan ook het intellectuele peil te verhogen door in zijn hoofdstad Aken een school op te richten waarover de begaafde monnik Alcuïnus (735-804) de leiding kreeg. Op Karels bevel werden uiteindelijk door het hele rijk scholen gesticht. Karel vond dat niet alleen mensen die in een klooster leefden (monniken) en andere geestelijken het schrift moesten kunnen leren. Ook zijn ambtenaren zouden het schrift meester moeten worden. Alcuïnus legde de nadruk op het bestuderen van klassieke auteurs uit de Griekse en Romeinse oudheid en liet deze overschrijven. Daardoor konden ze over heel Europa verspreid worden. Voor het overschrijven van deze teksten werd een nieuw, gemakkelijker, lettertype ontwikkeld. Naast literatuur, investeerde Karel ook in de bouwkunst en schilderkunst. Dankzij deze investeringen was er sprake van een culturele bloei. Historici zeggen dat er sprake was van een Karolingische renaissance – een heropleving van de Oud Griekse en Romeinse cultuur.

Was het Romeinse Rijk werkelijk herleefd onder Karel de Grote? Er waren natuurlijk grote verschillen. Maar ook in de Romeinse tijd zelf waren grote verschillen. Het keizerschap van Augustus was een heel ander soort dan die van Constantijn. Voor tijdgenoten van Karel was het in elk geval duidelijk dat Karel inderdaad een Romeins keizer was. Hij was een van de zoveelste keizers die een eigen variant hadden toegevoegd aan een lange lijn van Romeinse keizers.

3. Van domein tot hofstelsel

Leerdoelen
  • Kan aangeven dat het feodalisme door de erfopvolging niet werkte.
  • kent 3 motieven voor het verlenen van veiligheid aan boeren door een edelman.
  • Kan de werking van het hofstelsel uitleggen.
  • Kent de werking van het drieslagstelsel.
  • Kent het verschil tussen horigen en vrije boeren.
  • Kent de drie standen uit de middeleeuwen.
  • Kan aangeven dat handel en nijverheid niet volkomen verdween (verdiepingsstof).
  • Kan aangeven dat Vikingen zowel bijdroegen aan de internationale handel als deze in gevaar brengen (verdiepingsstof).

Door erfopvolging van het Frankische Rijk was er geen sprake meer van een sterk centraal gezag, met één koning aan het hoofd. Lokale edelen zouden daar gebruik van maken. Zij begonnen in hun gebied – een domein genoemd – eigen ‘rijken’ op te bouwen. Hoe kan het dat zo’n groot machtsgebied als dat van Karel de Grote in kleinere gebieden uit elkaar kon vallen? De middeleeuwer dacht toch dat de koning de macht om te heersen van God had gekregen? In theorie was dat ook het geval, maar in de praktijk moest elke koning zijn heersen met machtsmiddelen afdwingen. Een heerser moest regelmatig opstandige edelen straffen – soms zelfs doden – om te laten zien dat hij als koning de machtigste was. Zonder deze daden die koninklijke macht uitstraalden, bestond die macht ook niet. Mensen zijn immers van nature geneigd de sterkste leider te volgen. Vanaf de dood van Karel de Grote zouden de Frankische koningen steeds meer moeite krijgen met het afdwingen van trouw. En deze loyaliteit was juist belangrijk binnen het feodalisme. Trouw vormde immers de basis van de middeleeuwse koninklijke macht. De koning was afhankelijk van leenmannen voor militaire en economische steun. Als deze trouw wegviel had een koning niet meer de middelen om trouw af te dwingen, aangezien hij ook geen geld meer had om eventueel soldaten in te huren. Want hij kreeg zijn belastingen van diezelfde edelen.

Hoe valt die wegvallende trouw bij de leenmannen te verklaren? Officieel werd een gebied te leen gegeven totdat een edelman stierf. Daarna kon zo’n gebied vergeven worden aan iemand anders. In de praktijk zou het gebied overgaan naar de zoon van de net gestorven edelman. Zo werd het langzaam gewoonterecht om een leengebied over te erven. Hierdoor werd de koning buitenspel gezet. De edelman had zijn koning niet meer nodig om aan een gebied te komen. Daarnaast begonnen leenmannen met grote gebieden hun domein onder te verdelen in kleinere gebieden, die zij ook weer te leen gaven. Zo ontstond er een systeem van leenheer, leenmannen en achterleenmannen. Dit had als gevolg dat een leenman weer leenheer werd van zijn eigen (achter)leenmannen. Daarom waren de achterleenmannen vaak trouwer aan de leenman dan aan de koning. De afname van de koninklijke macht is te wijten aan die verschuivende loyaliteiten. Het domein werd een vorstendom op zichzelf.

Bron 7. De maatschappelijke verdeling in de middeleeuwen: zij die bidden, zij die vechten en zij die werken.
Dorp met donjon
Bron 8. Een middeleeuws dorp als middelpunt van een domein. Kan je de donjon vinden?
Domein, donjon en hofstel

In het centrum van zo’n domein lag een donjon, vaak een houten of stenen toren versterkt met een omwalling van houten palissaden. De lokale bevolking – veelal boeren – raakte afhankelijk van de edelman in zo’n gebied. Hij was de enige met een veilig toevluchtsoord in tijden van gevaar waar zij naartoe konden vluchten.

In tijden van nood had zo’n edelman drie redenen om mensen toe te laten tot zijn donjon. Allereerst zag de edelman zijn gebied als bezit, ook al leende hij deze van de koning. Volgens het middeleeuws gewoonterecht was alles in zo’n gebied onderdeel van dat bezit. Zo ook de inwoners. Het was belangrijk dat de edelman zijn ‘bezit’ beschermde, aangezien hij afhankelijk was van deze boeren om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien: in de vorm van belastingen of herendiensten. Ten tweede kon hij deze vluchtende mensen gebruiken als soldaten om zijn andere bezittingen te beschermen. Het was gebruikelijk dat de vluchtende inwoners bewapend met een zeis of een mestvork zich melden bij de heer, waarna zij ter verdediging van het domein konden worden ingezet. Het christelijk geloof kan als derde reden worden gezien. In de bijbel werd verkondigd dat men de zwakkeren moest beschermen. Vandaar dat hij de boeren wel moest toelaten tot zijn donjon. Vanuit dit gebruik en het ideaal van ‘de beschermer van de zwakkeren’ ontstonden ook de normen en waarden die met het ridderschap geassocieerd werden. Welke reden het belangrijkst was voor de edelen weten historici niet.

Three Fiels System - Middle Ages

Bron 9. Het drieslagstelsel verwerkt in een getijdenboek.

Wat historici wel weten is dat in grote delen van het Frankische Rijk er duidelijk sprake was van machtsverschil tussen boeren en edelen. Boeren hadden weinig of geen zeggenschap over de invulling van hun leven. Zij woonden op het domein van een leenman, waar zij voldoende inkomsten produceerden voor de eigenaar in ruil voor bescherming. Dit economische stelsel, het hofstelsel genoemd, was dus direct verbonden met het overleven en hierdoor moest het zelfvoorzienend zijn. De grond van een domein was verdeeld in twee delen. Het ene deel werd beheerd door de heer of zijn plaatsvervanger. Zo’n stuk grond werd gebruikt als landbouwgrond om de heer en zijn familie te onderhouden, maar ook als bouwgrond voor gemeenschappelijke nutsgebouwen zoals een windmolen. Het andere deel was bedoeld als grond voor de boeren in zijn domein.

De grond werd volgens het drieslagstelsel verbouwd (bron 9). De landbouwgrond werd in drie gelijke stukken verdeeld. Een stuk met een zomergewas, een stuk met een wintergewest en een braakliggend stuk land. Elk jaar roteerde de functie van zo’n stuk landbouwgrond. Zo probeerde men uitputting van de grond te voorkomen.

In de praktijk was de afhankelijkheid van een heer zo groot dat de boeren gebonden werden aan de grond. Deze boeren waren verplicht de grond te bewerken, producten en diensten te leveren aan de heer, maar mochten zonder de toestemming van de heer zijn gebied onder geen enkele voorwaarde verlaten. Dergelijke aan de grond gebonden onvrije boeren worden horigen genoemd. Niet alleen de boer werd horig, maar ook zijn hele familie. Door de horigheid werden hele generaties gebonden aan het land.

 

De middeleeuwse belevingswereld

Niet alle middeleeuwse boeren leefden op een domein. Sommigen leefden ook in kleine boerengemeenschappen. Deze vrije boeren verdeelden het land in individuele landbouwgrond en een gemeenschappelijke graasgrond. De stukken landbouwgrond werden volgens het drieslagstelsel verbouwd. Er werden wel duidelijke onderlinge afspraken gemaakt over het tijdstip van zaaien. De gemeenschappelijke graasgrond werd van het voorjaar tot aan de herfst gebruikt om het vee te laten grazen. Daarna werd het vee in een schuur gestald. De mest werd opgevangen en gedroogd. Een gedeelte werd als brandstof gebruikt en een ander gedeelte werd in het voorjaar vermengd met de bovenste laag aarde van de landbouwgronden om zo de vruchtbaarheid te vergroten.

Toch weten historici niet zoveel over de leef- en denkwereld van de horigen noch van de vrije boeren. De informatie die we hebben, is afkomstig van monniken of edelen. Daar is een verklaring voor te geven. Schrijven en lezen was weggelegd voor geestelijken, edelen en ambtenaren. In 1027 schreef Bisschop Adalbero over de middeleeuwse samenleving. Volgens de bisschop had God de mensheid in drie standen verdeeld: oratores, de bellatores en de laboratores (zij die bidden, zij die strijden en zij die werken).  De meeste bronnen die wij hebben over de middeleeuwen gaan over de eerste twee standen. Hierin wordt de derde stand negatief beschreven. Boeren worden afgeschilderd als stinkende, gevaarlijke lomperiken die in toom moesten worden gehouden. Of de derde stand zichzelf ook als aparte stand zag en boeren daadwerkelijk zo wild waren als dat zij afgeschilderd zijn, weten historici niet.

Handel, nijverheid en Vikingen

De vroegmiddeleeuwse economie bestond niet alleen maar uit vrije en onvrije boeren. Handel en nijverheid waren dan geringer van betekenis, zij waren door de val van het West-Romeinse Rijk niet volledig verdwenen. Ondanks dat Karel de Grote begonnen was met het herintroduceren van een muntstelsel, bleef de geldcirculatie daarentegen beperkt. De gebieden waarin nog het meeste handel werd gedreven waren: Midden- en Zuid-Frankrijk, de Balkan, Byzantium en Italië. Die handel bleef beperkt tot grenzen van zo’n gebied. Tussen de gebieden werd nauwelijks handelgedreven.

De nederzettingen die het meeste profiteerden van de handel hadden een gunstige ligging. Zij lagen op punten waar handelaren bijeenkwamen. Dat waren bijvoorbeeld knooppunten waar wegen bij elkaar kwamen; riviermondingen die makkelijk per schip en over land te bereiken waren en nederzettingen die al sinds de Romeinse tijd als haven hadden gediend.

De middeleeuwse schepen die bij deze handel werden gebruikt, waren maar klein en breekbaar. Vandaar dat er geen lange afstanden met deze schepen konden worden afgelegd. Een uitzondering daarop waren de Vikingen uit Scandinavië. Deze vervaardigden grote zeewaardige schepen. Enige handel over lange afstand van betekenis was in handen van die Vikingen. In tegenstelling tot wat veel christelijke bronnen beweren, waren Vikingen voornamelijk handelaren. De reizen die Vikingen aflegden – met ruimen volgeladen met handelswaar – begonnen als handelstochten. Bij onenigheid over de koop gingen zij wel eens over tot afpersing en plundering, waarbij wel eens wat in vlammen opging. Maar archeologen hebben tot op heden geen bewijs gevonden voor structurele plundertochten of hele steden die in as zijn gelegd door de Vikingen, zoals beschreven in christelijke bronnen.

Twee eeuwen springen er wel tussenuit. In de negende en tiende eeuw maakten invallende Vikingen steeds vaker de kusten van Europa onveilig. Historici en archeologen weten niet goed waarom die omslag van handelaar naar plunderaar plaatsvond. Zij vermoeden dat Scandinavië te maken had met tegenvallende oogsten. Maar ook een centraal gezag, dat aanstuurde op meer plundertochten en het innemen van gebieden in Frankrijk en Engeland, behoort tot de verklaringen. Wat wel duidelijk werd door deze plunderingen, was het gebrek aan mogelijkheden van koninkrijken om vanuit één punt te reageren. Hiervoor was de macht te verdeeld. Veel leenmannen weigerden op verzoek van de koning andere leenmannen te hulp te schieten. Voor de lokale kustbevolking was het duidelijk: ‘van de koning hoefde je niets te verwachten, iedereen moest maar zijn eigen boontjes doppen’.

Bron 10. Een Vikingschip dat zeewaardig was. Let op de vele details die aan het schip zijn toegevoegd.

Bron 11. Een runesteen met daarop een Vikingritueel. Om de afbeelding heen een lint met daarop een spreuk. Archeologen kunnen maar een klein deel van het runeschrift lezen. De rest zal voor altijd een raadsel blijven.
Login om aantekeningen te kunnen maken
  Subscribe  
Abonneren op