Kenmerkende aspecten tijdvak 2: Grieken en Romeinen

Kenmerkende aspecten

4. De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat.

5. De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur.

6. De groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa verspreidde.

7. De confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van Noordwest-Europa.

8. De ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de eerste monotheïstische godsdiensten.

Hoofdvragen
  • Welke historische ontwikkelingen in het Oude Griekenland hebben bijgedragen aan het denken over politiek – in het bijzonder de democratie – en wetenschap?
  • Wat wordt onder klassieke vormentaal verstaan en hoe is deze verspreid?
  • Hoe groeide de stadstaat Rome uit tot een Romeins Imperium en op welke manier heeft dat bijgedragen aan de verspreiding van de Grieks-Romeinse cultuur in Europa?
  • Wat waren de oorzaken en de gevolgen van de botsing tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur in West-Europa?
  • Hoe groeide het christendom uit van een joodse sekte tot de Romeinse staatsgodsdienst?

4. Wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat

Leerdoelen
  • Kan aangeven wat bedoeld wordt met stadstaat en burger.
  • Kan met het voorbeeld van de Atheense democratie aangeven welke ontwikkeling het denken over burgerschap en politiek doormaakte in de vijfde eeuw voor Christus.
  • Kan aangeven wat bedoeld wordt met wetenschappelijk denken.
  • Kan aangeven wat er veranderde aan het denken in de Griekse stadstaten (5e eeuw v.C.) met het voorbeeld van Hippocrates en zijn methode om zieken te behandelen.
  • Kan aangeven wat bedoeld wordt met de historisch wetenschappelijke benadering van de Griekse historicus Herodotus.
Burgerschap en politiek

In het oude Griekenland – dat grote delen van het huidige Griekenland, Turkije en Noord-Afrika omvatte – ontstonden rond 750 v.C. onafhankelijke stadstaten. Niet elke stadstaat werd in de jaren daarna op dezelfde manier bestuurd. Sommige van die stadstaten hadden een alleenheerser: een tirannie of monarchie. In andere mochten alleen de adellijke inwoners deelnemen aan het bestuur, dat noemen we een aristocratie. Daarentegen ontwikkelde een andere bestuursvorm zich in de stad Athene. Vanaf 509 v.C. mochten alle vrije, volwassen mannen afkomstig uit de stad deelnemen aan het bestuur. Deze bestuursvorm noemen we een democratie.

In de stadstaat Attica – met daarin de stad Athene – maakten burgers zelf de wetten en controleerden hun bestuurders op corruptie (zie schema bron 1). Veel Atheners vonden dat zij niet slaafs gehoorzaam moesten zijn, maar actief moesten deelnemen aan het bestuur. Dat hoorde volgens hen bij je plicht als burger.

Bron 1. Het Atheense bestuursstelsel uit de 4e eeuw v.C. (deze hoef je niet te kennen voor het CE).
Bron 2. Een afbeelding geschilderd door de beroemde renaissance kunstenaar Raffael, met daarop alle belangrijke filosofen en wetenschappers uit het oude Athene.
Wetenschappelijk denken

In alle tijden hebben mensen zaken die ze niet begrepen, uitgelegd als het werk van een god of meerdere goden – dat mythisch denken is vandaag de dag niet anders. Ook in de Griekse stadstaten uit de oudheid was dat het geval.

Vanaf de zesde eeuw voor Christus vond er een verandering in denken plaats. Griekse wetenschappers zoals Hippocrates en filosofen zoals Socrates, Plato en Aristoteles zochten steeds vaker logische verklaringen voor natuurlijke zaken door deze te bestuderen en te beredeneren, in plaats van deze toe te schrijven aan een god. Dit logisch denken was ook terug te vinden in de geschiedeniswetenschap. Onderzoekers zoals Herodotus onderzochten gebruikte bronnen op betrouwbaarheid om zo tot historische feiten te komen.

5. De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur

Leerdoelen
  • Kan de Grieks-Romeinse vormentaal herkennen in ongeschreven bronnen.

Bron 3. Het pantheon in Rome was de plak waar de Romeinse goden werden aanbeden. Later zou het de functie van een katholieke kerk krijgen.

Iets is klassiek als je er een voorbeeld aan kunt nemen. De Griekse en Romeinse cultuur is eeuwlang nagevolgd. Vandaar dat de Grieks-Romeinse cultuur de klassieke cultuur wordt genoemd. De manier waarop deze cultuur uiting geeft noemen we vormentaal. De Griekse vormentaal werd in de bouwkunst bepaald door Griekse tempels met hun zuilen en timpanen.

De Romeinen zouden deze vormen overnemen op het moment dat zij Griekse stadstaten in het zuiden van Italië veroverden. De Romeinen zouden bogen en koepels toevoegen aan de bestaande Griekse vormentaal. Het Pantheon in Rome (bron 3) is een goed voorbeeld van de combinatie van de Griekse en Romeinse stijl. Het gebouw is rond, overdekt met een koepel terwijl de ingang eruitziet als een Griekse tempel; geheel versierd met (Korintische) zuilen.

6. De groei van het Romeinse Imperium en de verspreiding van de klassieke vormentaal

Leerdoelen
  • Kan aangeven wat bedoeld wordt met imperium en romanisering.
  • Kan een verband leggen tussen de groei van het Romeinse imperium en romanisering.

Rond 750 v.C. werd de stad Rome gesticht. Vanaf 500 v.C. veroverden de Romeinen het gehele schiereiland waarop zij woonden. In het midden van de derde eeuw voor Christus breidden zij hun imperium buiten Italië uit. Rond 100 n.C. bereikte het imperium zijn grootste omvang. Door verschillende redenen zou het rijk langzaam uiteenvallen. Het westelijke gedeelte van het rijk bleef bestaan tot het einde van de vijfde eeuw en het oostelijk gedeelte – bekend als het Byzantijnse Rijk – tot halverwege de vijftiende eeuw.

Veel Romeinen hadden bewondering voor de Griekse cultuur. In 146 v.C. veroverden zij Griekenland. Daardoor nam de Griekse invloed op de Romeinse cultuur toe. Het gevolg was dat er een mengcultuur ontstond: de Grieks-Romeinse cultuur.

Door de omvang van het Romeinse Rijk – en de macht en aanzien dat met deze expansie gepaard ging – namen veel veroverde volken de Grieks-Romeinse cultuur over. Dat wordt romanisering genoemd.

Bron 4. De veroveringen van de Romeinen.
Bron 5. Op de afbeelding zie elementen terug van romanisering in de Nederlanden.

Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


7. De confrontatie tussen de Grieks-Romeinse en Germaanse cultuur

Leerdoelen
  • Kan aangeven wat de noordgrens van het Romeinse Rijk was rond 100 na Christus.
  • Kan aangeven wat de Romeinse definitie was van een barbaar.
  • Kan aangeven op welke manier de Romeinen profiteerden van de Germaanse aanwezigheid aan hun grenzen.
  • Kan aangeven waardoor het West-Romeinse Rijk in de 5e eeuw na Christus ten onder ging en wat er voor in de plaats kwam.

Bron 6. Grenzen van het Romeinse Rijk 80 n.C. waarbij gebruik werd gemaakt van verschillende natuurlijke barrières. Deze Romeinse grenzen werden limes genoemd.

Naarmate de Romeinen hun imperium naar het noorden uitbreidden, kwamen zij in aanraking met verschillende Germaanse stammen. Ondanks dat de Romeinen een groot deel van de Germaanse gebieden veroverden, slaagden zij er niet in alle Germanen te verslaan. Daarom kozen de Romeinen een natuurlijke barrière tot grens van hun rijk: de Rijn. De noordelijke kant van de rivier bleef Germaans grondgebied waar zij zelfstandig verder leefden. Daardoor werd Nederland een grensgebied.

Veel Romeinen keken neer op de Germaanse cultuur. Zij zagen hen als barbaars. Overigens dreven zij wel handel met hen; sloten bondgenootschappen met hen namen hen op in het Romeinse leger om zo beter de grens te bewaken. In de vierde eeuw nam de druk op de grenzen toe. Vanuit het oosten kwamen werden hele volksstammen verdreven van hun grondgebied door Attila de Hun en zijn stam. Tegen deze volksverhuizingen was het Romeinse Rijk niet bestand, want elke verdreven stam probeerde zijn plekje onder de zon binnen de Romeinse grenzen veilig te stellen. In 476 hield het West-Romeinse Rijk op te bestaan. Daarvoor in de plaats kwamen een aantal Germaanse staten, zoals het Frankische Rijk. Sommigen van deze staten waren heel duidelijk het product van de culturele uitwisseling tussen de Germaanse en Grieks-Romeinse cultuur. Bij anderen was de Germaanse cultuur dominanter.

8. De ontwikkeling van het jodendom en het christendom

Leerdoelen
  • Kan aangeven wat bedoeld wordt met jodendom en monotheïsme.
  • Kan een godsdienstige reden noemen waarom aanhangers van het jodendom door Romeinse keizers werden vervolgd.
  • Kan aangeven wat bedoeld wordt met christendom.
  • Kan een godsdienstige reden noemen waarom christenen werden vervolgd door Romeinse keizers.
  • Kan aangeven welke ontwikkeling het christendom doormaakte in de vierde eeuw.
  • Kan beredeneren welk belang het laat-Romeinse bestuur en de christelijke kerk hadden bij onderlinge samenwerking.

De Romeinen geloofden in meerdere goden. In deze polytheïstische godsdienst was het van belang de goden tevreden te houden met offers. In het Romeinse Rijk geloofde het grootste gedeelte in hen. Daarnaast leefde een grote groep met Joden binnen de grenzen van het rijk. Zij hielden er een ander geloof op na.

 

Het joden- en christendom

Joden in het Romeinse Rijk geloofden in één god. Dat noemen wij monotheïsme. Deze geloofden dat zij een afspraak hadden gemaakt met hun god: zij zouden alleen zijn leefregels volgen en hem eren en in ruil werd hen land beloofd (het huidige Israël). Deze regels zouden door de profeet Mozes aan het volk zijn verteld. Na de verovering van hun leefgebied door de Romeinen, kwamen de Joden in conflict met het nieuwe Romeinse bestuur. De Joden wilden wel de Romeinse keizer eren, maar hem niet vereren als god noch de Romeinse goden. Bovendien benoemde het Romeinse bestuur de joodse hogepriester, om zo invloed uit te kunnen oefenen binnen de Joodse gemeenschap.

In de eerste eeuw na Christus barstte de bom. De Joden kwamen in verzet tegen de Romeinse bemoeienis. Zij kwamen in opstand, maar deze werd hard neer geslagen door de Romeinen. Na deze opstand zouden de Joden – en het jodendom – over het hele Romeinse Rijk verspreiden.

Rond het jaar 30 verkondigde Jezus van Nazareth, een geestelijke leider van een Joodse sekte, zijn ideeën over het jodendom in de Romeinse provincie van Syria. Jezus werd door zijn volgelingen gezien als de verlosser die het joodse volk zou verlossen van de onderdrukking, oftewel de Messias. Doordat Jezus zijn ideeën te veel afweken van de gebruikelijke joodse regels werd hij door de joodse tempeldienaren gezien als afvallige, oftewel een verrader van het geloof. De tempeldienaren gaven Jezus aan bij het Romeinse gezag als onruststoker, waarna hij werd gekruisigd.

Bron 7. De Joods diaspora, oftewel de verspreiding van de Joden na de grote Joodse opstand.
Bron 8. Verspreiding van het christendom in het Romeinse Rijk. Donkerblauw is de verspreiding tot aan 325. Lichtblauw is de verspreiding van het christendom tot aan 600.
Bron 9. Eén van de eerste afbeeldingen van Jezus van Nazareth. Later zou hij de bijnaam Christus krijgen, dat gezalfde betekent.
Verspreiding van het christendom

De volgelingen van Jezus van Nazareth zagen de kruisigingsdood als een offer voor de zonden van de mensen. Met zijn dood zou God de mensheid vergeven en toegang verlenen tot het hiernamaals. Daarnaast geloofden zij dat Jezus na drie dagen weer uit de dood was opgestaan. Met deze wonderlijke daad werd het geloof in Jezus – als zoon van God – gevestigd. De volgelingen van Jezus verspreidden hun opvatting eerst onder gelovige Joden, daarna ook onder niet-Joden in het Romeinse Rijk. In de tweede eeuw werden zij voor het eerst aangeduid als christenen. Het christendom kwam dus voort uit het jodendom.

Deze eerste christenen hadden te leiden onder de strenge vervolgingen door het Romeinse bestuur. Net als joden wilden de christenen niet de Romeinse goden en de keizer eren. Dat veranderde in de vierde eeuw toen keizer Constantijn de Grote zich bekeerde tot het christendom en medegelovigen toestond hun geloof in het openbaar te uiten. Daarmee was er sprake van godsdienstvrijheid in het hele Romeinse Rijk. Aan het einde van de vierde eeuw werd het christendom zelf tot de Romeinse staatsgodsdienst uitgeroepen door keizer Theodosius I.

Login om aantekeningen te kunnen maken
  Subscribe  
Abonneren op