Van republiek tot absolute monarchie

Hoofdvragen

Waardoor was de Gouden Eeuw in de Nederlanden mogelijk?

Hoe was de macht en rijkdom in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden verdeeld?

Wat waren de gevolgen van de continue machtsstrijd tussen de prins- en staatsgezinden?

Op welke gebieden vond de Gouden Eeuw plaats?

Waarom streefde Lodewijk XIV naar absolute macht en hoe uitte zich dat?

Met de Vrede van Münster kwam er een einde aan tachtig jaar oorlog. Zowel de Nederlandse als de Spaanse kant was tevreden met de situatie zoals die er op dat moment was. De Habsburgse vorsten hadden tenslotte genoeg aan hun hoofd met de oorlogen tegen de Engelsen, Ottomanen en de problemen in de koloniën. Toch was deze oorlog bijzonder geweest. Voor het eerst had een klein groepje opstandelingen zich weten te verzetten tegen een grote overheersende macht en gewonnen! Door de nieuwverworven vrijheid zou de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden de Gouden Eeuw tegemoet gaan. Een eeuw van grote economische welvaart en culturele bloei. De Republiek was niet het enige land dat een bijzondere periode doormaakte. Ook Frankrijk kende een bijzondere periode. De jonge Franse vorst Lodewijk XIV zou uitgroeien tot de zonnekoning en alleen verantwoording hoeven af te leggen aan God. Lodewijk zou absolute macht hebben.

Kenmerkende Aspecten
  • 23. Het streven van vorsten naar absolute macht.
  • 24. De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek.
  • 25. Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

Bron 1. De Dam in de stad Amsterdam. Op de marktplaats werden de meest exotische producten verhandeld. Van peper tot zijde, alles was er te koop als je het kon betalen.

1. Een apart landje

  • Kent de 4 punten van de vredesovereenkomst gesloten als de Vrede van Münster.
  • Kent de 3 aparte politieke kenmerken van de Republiek ten opzichte van andere Europese staten.
  • Kent het aparte religieuze kenmerk van de Republiek ten opzichte van andere Europese staten (verdiepingsstof).
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
Leerdoelen
  • Kent de 4 punten van de vredesovereenkomst gesloten als de Vrede van Münster.
  • Kent de 3 aparte politieke kenmerken van de Republiek ten opzichte van andere Europese staten.
  • Kent het aparte religieuze kenmerk van de Republiek ten opzichte van andere Europese staten (verdiepingsstof).
Extra uitleg
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.

Bron 2. Joden werden in Spanje vervolgd om hun geloof. Veel rijke Joodse handelaren en wetenschappers vluchtten naar de Nederlanden toe. Hier konden zij hun geloof in relatieve vrijheid uitoefenen. Zij namen hun rijkdom met zich mee.

Met de Vrede van Münster kwam een internationale overeenkomst tussen de Republiek en Spanje tot stand. In de vredesregeling werd het volgende overeengekomen:

  • Spanje erkende de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden als een onafhankelijke staat.
  • De zuidelijke gewesten bleven bij Spanje en zouden de Spaanse Nederlanden heten en bleven onderdeel van het Habsburgse Rijk.
  • De Republiek zou niet proberen deze zuidelijke gewesten alsnog te veroveren.
  • De in 1585 door Maurits afgesloten Schelde zou gesloten blijven.

Door deze afsluiting konden handelsschepen Antwerpen niet meer bereiken en was dus waardeloos als handelsstad.

Antwerpen was altijd de belangrijkste handelsstad van Zuid-Nederland geweest. Nu moesten deze handelaren een andere bestemming kiezen. Na 1585 vertrokken dan ook veel handelaren, ambachtslieden en wetenschappers die zich oorspronkelijk hadden gevestigd in Antwerpen naar Amsterdam. Door deze migratiestroom groeide Amsterdam uit tot de belangrijkste handelsstad van Europa, aangezien deze migranten ook hun kennis en rijkdom met zich meenamen.

 

Drie keer bijzonder

De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden had politiek gezien een aparte plaats in Europa. Hier zijn drie redenen voor te geven.  Allereerst was de Republiek een staat zonder vorst. De eeuwenoude politieke instellingen die opgericht de landsheren van de Nederland bleven na het uitroepen van de Republiek wel behouden. De Gewestelijke Staten en de Staten-Generaal werden immers al door Karel V en Filips II gebruikt om het land te besturen, toen zij nog vorst waren van de Noordelijke Nederlanden. Alleen nu werden deze twee Statenvergaderingen aangepast aan de nieuwe situatie: regeren zonder vorst.

Ten tweede kwam de soevereiniteit niet te liggen bij een persoon. Elk gewest bestuurde zichzelf via de Gewestelijke Staten. Zo bleef een gewest verantwoordelijk voor zijn eigen bestuur; een vrijheid waar Filips II een einde aan had willen maken. Pas als er politieke besluiten moesten worden genomen die meerdere gewesten aangingen, kwamen de gewesten bij elkaar in de Staten-Generaal. Deze statenoverleg veranderde van een adviesorgaan van de koning, naar een overlegorgaan tussen de gewesten. Dit overleg gebeurde vooral in tijden van oorlog of als er besluiten moesten worden genomen over de buitenlandse politiek van de Republiek.

Ten derde was de macht in handen van rijke burgers. Het waren deze burgers die in de Gewestelijke Staten de politieke besluiten namen. Ook stuurden deze burgers afgevaardigden naar de Staten-Generaal om uit naam van hun gewest te spreken.

Bron 3. De Staten-Generaal werd na het uitroepen van de Republiek het overlegorgaan tussen de gewesten. In deze vergadering werd de buitenlandse politiek van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden vormgegeven.

Bron 4. Schuilkerk in Utrecht. Katholieken mochten hun geloof onopvallend uitoefenen. Dit betekende dat katholieke kerken verhuld moesten worden als woonhuizen, werkplaatsen of ondernemingen. Aan de binnenkant waren het volledig functionerende kerken.

Geloof in de Republiek

Ook vanuit religieus oogpunt was de Republiek een bijzondere staat. De officiële staatsgodsdienst was het calvinisme. In landen zoals Engeland, Frankrijk en Spanje werd maar één godsdienst toegestaan vaak het katholicisme; maar in de Nederlanden werd het katholieke geloof officieel verboden. De uitoefening van dit geloof werd wel gedoogd. Katholieken werden niet vervolgd als zij hun geloof maar onopvallend uitoefenend (bron 4). Toch kwam het nog steeds wel voor dat katholieken gediscrimineerd werden op basis van hun geloof. Het werd hen vaak niet toegestaan deel te nemen aan een vergadering van de Gewestelijke Staten, burgemeester te zijn of een andere overheidsfunctie uit te voeren.

Opdracht 1.5 Geloof en diversiteit: religieuze tolerantie in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden

Nederland is een religieus en cultureel divers land. Maar hoe komt dat? Wat is de oorzaak van die diversiteit? Om antwoord te geven op deze vragen moet je eerst het verschil weten tussen oorzaken en gevolgen. Veel van de diversiteit is het gevolg van het gedogen van andere geloven en dus de religieuze tolerantie in de Republiek. Dat zie je terug in de onderstaande bronnen.

Bron 1. De Spaanse Inquisitie martelde andersdenkenden. Hier een man die werd verdacht van homofilie.
Bron 2. Joden werden in Spanje vervolgd om hun geloof. Veel rijke Joodse handelaren en wetenschappers vluchtten naar de Nederlanden toe. Hier konden zij hun geloof in relatieve vrijheid uitoefenen. Zij namen hun rijkdom met zich mee.
Bron 3. In Amsterdam vestigden zich handelaren vanuit de hele wereld. Zij zouden hier ook blijven wonen door de eeuw heen en hun gebruiken meenemen.

‘Bovendien was de drukpers in Amsterdam een erg belangrijke bedrijfstak, waar veel geld in omging. Net als de stad groeide het aantal drukkers in de zeventiende eeuw explosief, van twintig [drukkers] in 1600 naar 107 in 1675, tegen 256 in de hele Republiek in dat jaar. Boeken vormden een van de belangrijkste inkomsten in Amsterdam. En omdat die vele drukkers werk wilden, was iedereen die iets te drukken had welkom.

Vanuit Amsterdam gingen grote hoeveelheden katholieke werkjes naar de Zuidelijke Nederlanden. Daar viel geld aan te verdienen, dus niemand deed moeilijk. Bovendien leefden ook allerlei vertalers en correctoren van het boekenvak, en niemand had financieel baat bij een strenge censuur’.

Bron 5. Over het verspreiden van gedrukt werk. Uit Historisch Nieuwsblad 10/2007.

Bron 4. Schuilkerk in Utrecht. Katholieken mochten hun geloof onopvallend uitoefenen. Dit betekende dat katholieke kerken verhuld moesten worden als woonhuizen, werkplaatsen of ondernemingen. Aan de binnenkant waren het volledig functionerende kerken.
Bron 6. Willem van Oranje neemt de leiding over de opstand in de Nederlanden tegen Filips II van Spanje.
Bron 7. De Synode van Dordrecht.
Bron 8. Onzedelijk gedrag, seksuele uitspattingen en hoerententen werden heel normaal in steden zoals Amsterdam.
Bron 9. Door stadsrechten hadden veel steden privileges afgekocht bij de heer. Hierdoor mochten veel Nederlandse steden allerlei zaken zelf bepalen, zoals rechtspraak, belastingen en politiek.

Deel 1: Begrippen helder hebben

Deel 2: Presentatie

In deze opdracht ga je verschillende bronnen onderzoeken en aangeven of het gaat om een oorzaak voor de religieuze tolerantie of een gevolg is van de religieuze tolerantie. Je gaat dit onderzoek zelfstandig of als een groepje uitvoeren. Hoe ga je te werk:

  1. Selecteer een bron uit de rijtjes hierboven en zoek uit waar deze bron over gaat.
  2. Bepaal welke informatie je nodig hebt om erachter te komen of het hier gaat om een oorzaak of een gevolg van de religieuze tolerantie. Gebruik hiervoor de eerste paragraaf, het vorige hoofdstuk over de opstand in de Nederlanden en het internet. Let extra goed op begrippen, personen en jaartallen.
  3. Leg uit of het een oorzaak of een gevolg is van de religieuze tolerantie. Let wel op dat je argumenten te volgen zijn voor je medeleerlingen.
  4. Maak een presentatie van jouw antwoord. Hierin moet het volgende naar voren komen:
Slide 1 De gekozen bron.
Slide 2 Waar gaat de bron over? Hoe kon je dat afleiden uit de bron?
Slide 3 Is het een oorzaak of gevolg van de religieuze tolerantie. Leg uit waarom!
Slide 4 Gevolgen voor onze huidige samenleving.

2. Macht, status en verschil: sociale en economische verschillen in de Republiek

  • Kan uitleggen wat regenten zijn en kent hun beweegredenen.
  • Kent de bijzondere positie van het gewest Holland en de stad Amsterdam.
  • Kent het verschil tussen een raadpensionaris en een stadhouder.
  • Kent het verschil tussen arm en rijk, maar kan aangeven dat beide groepen pronkten.
  • Kent de bijzonder positie van de vrouw in de Republiek.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
Leerdoelen
  • Kan uitleggen wat regenten zijn en kent hun beweegredenen.
  • Kent de bijzondere positie van het gewest Holland en de stad Amsterdam.
  • Kent het verschil tussen een raadpensionaris en een stadhouder.
  • Kent het verschil tussen arm en rijk, maar kan aangeven dat beide groepen pronkten.
  • Kent de bijzonder positie van de vrouw in de Republiek.
Extra uitleg
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.

Bron 5. Regenten kregen vaak een positie toegewezen binnen een organisatie of overheidsfunctie. Met zo’n functie was vaak veel aanzien te verkrijgen. Dit moest dan ook publiekelijk getoond worden door bijvoorbeeld je af te laten schilderen in je ambtskledij.

In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werden buitenlandse kwesties in de Staten-Generaal behandeld. In principe was ieder gewest gelijk aan andere gewesten in deze Statenvergadering. Maar in de praktijk had Holland de meeste inspraak. Het was het grootste gewest in de Nederlanden en was in zijn eentje goed voor meer dan de helft van te totale belastinginkomsten (bron 6). Voor de pasgeboren Republiek waren deze belastingen belangrijk, aangezien daarmee ook de helft van het leger werd bekostigend.

In het gewest Holland hadden grote steden als Amsterdam de meeste invloed. De adel had wel officieel het recht om mee te beslissen in het gewestelijk bestuur, maar in de praktijk regeerde de stedelijke elite van handelaren en kooplieden. Deze laatste twee werden regenten genoemd worden. Ondanks de verschillen tussen de regenten en de adel, hadden beide groepen wel hetzelfde doel: besturen van de gewesten en ervoor zorgen dat mensen uit de andere bevolkingslagen niet tot hun groep konden doordringen. Om dat voor elkaar te krijgen, verdeelden zij de belangrijkste banen onder elkaar. Deze banen brachten vaak veel geld en aanzien met zich mee.

Met de verhoudingen tussen de steden, adel en regenten onderscheidde de Republiek zich van andere landen in Europa. In die landen was het nog heel gebruikelijk dat de macht in handen was van de adel en een vorst. In de Nederlanden was deze macht meer verspreid. Deze spreiding leidde tot trots onder de Nederlanders. Men was trots op de vereniging van de zeven gewesten zonder centrale macht van een koning.

 

Stadhouder en raadpensionaris

Binnen de samenwerking tussen de gewesten hadden twee personen met meer macht dan de regenten. Zij krijgen een machtsfunctie. Hiermee konden zij andere mensen opdragen of dwingen hun wensen uit te voeren. De eerste machtsfunctie was die van raadpensionaris. Dit was een juridisch geschoolde ambtenaar, die de gewesten bij al hun werkzaamheden bijstond. In de praktijk kwam dat erop neer dat de raadpensionaris de leiding had over de Staten-Generaal en dat hij de onderhandelingen deed met het buitenland. De raadpensionaris werd gekozen uit de voornaamste regenten uit het gewest Holland.

De tweede machtsfunctie was die van stadhouder. Dit ambt was net als andere politieke instellingen in de Nederlanden een overblijfsel uit de tijd van de Habsburgse vorsten. Onder de Habsburgers was de stadhouder de plaatsvervanger van de landsheer in een gewest, wanneer deze zelf niet aanwezig was. In de tijd van de Republiek kreeg de stadhouder een andere functie. Hij werd de aanvoerder van de legers die door de gewesten werden betaald. Daardoor had de stadhouder veel macht en aanzien. De functie van stadhouder van het gewest Holland kwam bij de nakomelingen van Willem van Oranje te liggen. Ondanks dat de Oranjes geen koningen waren, probeerden zij wel de machtigste politici van de Republiek te worden. Daarom gingen ze de concurrentie aan met de regenten.

  • Gelderland
  • Holland
  • Zeeland
  • Utrecht
  • Friesland
  • Overijssel
  • Groningen

Bron 6. Bijdragen aan de kas van de Staten-Generaal in procenten.

Bron 7. Het ambt van raadpensionaris. Hier afgebeeld Johan de Witt. Hij vervulde de functie van 1653 tot en met 1672.
Bron 8. De functie van stadhouder zou in handen zijn van de Oranjes. Hier afgebeeld Maurits van Oranje.
De rijken die pronken

Rijke burgers gaven, net als de stadhouders, graag opdrachten aan kunstenaars en architecten om de meest prachtige kunst en gebouwen te ontwerpen waarmee deze burgers konden pronken. Vooral een buitenhuis was gewild. Zo’n huis – bijvoorbeeld in de duinstreek, aan de Amstel of de Vecht – was bedoeld als toevlucht in de zomermaanden. Deze buitenhuizen of paleizen werden in de Griekse stijl uit de oudheid gebouwd, oftewel het classicisme. Dankzij deze buitenhuizen hoefden de deftige heren en dames niet in de stank van de overvolle stad te leven. Zo’n uitstapje was een hele onderneming, want het hele huishouden werd meegenomen: van het tafelzilver tot aan de tot slaafgemaakten. Talentvolle schilders als Rembrandt van Rijn en Frans Hals vroegen enorme bedragen voor hun werk. Soms vijfmaal het jaarloon van een timmerman.

 

De armen die eten?

De rijke inwoners van de Republiek noemden de gewone mensen in de stad en op het platteland het lagere volk’ of het ‘grauw’. Ondanks dat het gewone volk geen geld had om kleding te kopen gemaakt van de duurste stoffen, was het allesbehalve arm. In vergelijking met andere landen in Europa was er in de Republiek bijna nooit tekort aan brood, het basisvoedsel uit de zeventiende eeuw. Vandaar dat er bijna nooit hongeroproeren waren.

Door de enorme groei van de economie in zeventiende eeuw, was er in de Republiek altijd een tekort aan werklui. Jonge mannen en vrouwen kwamen vanuit heel Europa om te werken in de Nederlanden. Daarom waren de lonen hoog. Maar de prijzen lagen ook hoger in de Republiek. Vooral in de wintermaanden, omdat het dan eerder donker werd en je minder lang hoefde te werken, verdiende je minder. Degenen die niet rond konden komen van deze winterloon, kon gratis brood afhalen of turf voor het haardvuur.

Maar ook het grauw pronkte graag met wat ze hadden. Bakkers, kruideniers en andere zelfstandigen lieten vaak schilderijen maken voor aan de wand. Niet van schilders als Frans Hals of Rembrandt, maar uit een soort schilderfabrieken. En huizen werden versierd. Dat dit pronken niet gewoon was in andere landen valt terug te lezen in de verslagen van buitenlandse handelaren. Zij keken vol van verbazing naar dit merkwaardige gedrag van deze ‘gekke burgers’.

 

Nederlandse mannen en vrouwen

Wat deze buitenlandse handelaren nog meer opviel, was de zelfstandigheid van vouwen in de Republiek. Van oudsher hadden veel Nederlandse vrouwen al een zelfstandigheid gekend. Zolang zij niet getrouwd waren, mochten vrouwen in de middeleeuwen belangrijke functies vervullen als ambtenaar. In de zeventiende eeuw kwam daarbij dat de Nederlanders veel aan overzeese handel deden en mannen daardoor veel op zee zaten. De vrouwen moesten thuis dan alles regelen. Vrouwen van ondernemers deden de boekhouding en stuurden het personeel aan als hun man afwezig was. Kwam deze man te overlijden, dan kon de weduwe het bedrijf voortzetten. Ook konden ze, in tegenstelling tot vrouwen in het buitenland, zonder begeleiding van een man naar de kroeg. Buitenlanders keken soms spottend naar de positie van de vrouw in de Nederlanden. In die tijd ontstaat de uitdrukking ‘de vrouw heeft de broek aan’. Verwijzend naar de broek als mannelijk kledingstuk, de rok als vrouwelijk kledingstuk. Met andere woorden niet de man is in huis de baas – zoals vaak het geval was in het buitenland – maar de vrouw.

3. Prins- of staatsgezind

  • Kent het verschil tussen prins- en staatsgezinden.
  • Kan 2 voorbeelden geven van perioden waarin prins- en staatsgezinden tegenover elkaar kwamen te staan.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
Leerdoelen
  • Kent het verschil tussen prins- en staatsgezinden.
  • Kan 2 voorbeelden geven van perioden waarin prins- en staatsgezinden tegenover elkaar kwamen te staan.
Extra uitleg
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.

De macht in de Republiek was niet in handen van één persoon, zoals bijvoorbeeld in Frankrijk of Spanje het geval was. Maar de stadhouder en de raadpensionaris benaderden de rol van een centraal machtsfiguur nog het meest. Toch hadden deze twee machtige figuren vaak tegengestelde belangen van een verschillende achterban.

Bron 9. Een knielende raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt die zich klaarmaakte voor zijn onthoofding. Het conflict tussen de bejaarde raadpensionaris en stadhouder Maurits van Oranje zou uiteindelijk gewonnen worden door Maurits.

De raadpensionaris werd gesteund door de staatsgezinden. Zij wilden voornamelijk dat de belangen van de regenten behartigd werden; met name die van de rijke kooplieden uit Amsterdam. Zij vormden het grootste gedeelte van de burgerij in Holland. Deze burgers zaten helemaal niet te wachten op één sterke leider die de dienst uitmaakte; zelfs niet een Oranje! Het was namelijk zo’n zelfde leider geweest – Filips II – die met zijn centralisatiepolitiek de burgers en hun privileges had genegeerd.

Het volk, de lage adel en de plattelandsbevolking steunden daarentegen de stadhouder vanwege zijn vorstelijke uitstraling, zijn militaire macht en successen tijdens de vele oorlogen. Bovendien hoopten zij dat een sterke leider de rust zou laten wederkeren en hen bescherming zou bieden tegen invallende buitenlandse (strijd)machten. De politieke geschiedenis van de Republiek was dan ook vooral één van strijd tussen raadpensionarissen en stadhouders. Aanvankelijk waren de Oranjes daarbij in het voordeel.

 

Oorlog

De zonen van Willem van Oranje stonden bekend als bekwame legeraanvoerders en strategen. Zij behaalden overwinningen tegen Filips II en konden daardoor hun machtspositie bevestigen. De Oranjes streefden bovendien naar vorstelijk allure. Het streven van beide prinsen van Oranje naar koninklijke aanzien, bleek onder meer uit de bouw van grote paleizen en het aangaan van huwelijken met buitenlandse vrouwen uit belangrijke adellijke families en koningshuizen. De staatsgezinde tegenstanders werd tijdens dit streven naar aanzien monddood gemaakt. Raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt moest het in 1619 zelfs bekopen met de dood. Het aanzien van de Oranjes zou in tijden van oorlog groot zijn, omdat hun machtsfunctie verbonden was met oorlogsvoering. Maar in 1650 nam stadhouder Willem II te veel risico. Hij viel Amsterdam aan, om zo de macht van het gewest Holland met zijn regenten terug te dringen. Toen Willem in datzelfde jaar overleed, besloten de gewesten geen stadhouder te benoemen. Zij vonden dat Willem II zich tegen de Republiek had gekeerd. De Oranjes moesten in toom worden gehouden. Die mening werd gedeeld door een gedeelte van de bevolking; vooral onder diegenen die de directe gevolgen van Willems oorlogsvoering hadden gevoeld. De perioden dat er geen stadhouder werd benoemd, staan bekend als de stadhouderloze tijdperken.

 

Vrede

In perioden van vrede genoten de raadpensionarissen het meeste aanzien. Zo’n tijd van vrede brak aan na sterven van Willem II. Drie jaar na zijn werd de positie van de staatsgezinden en de raadpensionaris nog verder versterkt toen Johan de Witt deze functie ging bekleden. De Witt was een overtuigd aanhanger van de republikeinse staatsvorm. Had was deze staatsvorm die de burgers beschermde tegen machtsmisbruik van koningen en prinsen, aldus De Witt. Zijn beleid was erop gericht de vrede te bewaren. Al lukte dat niet altijd. Johan de Witt was zo aanwezig in de politiek, dat veel buitenlandse diplomaten hem als het hoofd zagen van de Republiek.

 

Het Rampjaar

In 1670 kregen de staatsgezinden hun zin en werd het stadhouderschap afgeschaft. De prinsgezinden namen hier geen genoegen mee. Zij vonden dat in tijden van oorlog alleen een stadhouder – en dit werd voornamelijk door de Oranjes zelf benadrukt – over de kennis beschikte om een oorlog te winnen. Om hen het tegendeel te bewijzen drong De Witt aan op maatregelen om de landsverdediging te versterken. Dat zou een toename beteken van het verdedigingsbudget. Amsterdam weigerde meer te gaan betalen. Ondanks de toenemende dreiging in Europa, zag de stad het nut van een verhoogd budget niet in. De bom barstte in 1672 toen Franse, Engelse en twee Duitse legers de Republiek aanvielen. Het gewest Holland stemde in om de jonge prins Willem III te benoemen als nieuwe stadhouder. Ondanks dat Johan de Witt had geprobeerd het verdedigingsbudget te verhogen, werd hij door de bevolking gezien als de veroorzaker van de situatie waarin de Republiek terecht was gekomen. Samen met zijn broer werd hij in het nauw gedreven door woedende burgers. Vlak bij het Binnenhof in Den Haag werden de gebroeders De Witt op gruwelijke wijze vermoord. Willem III wist de Republiek van de ondergang te redden, door slim gebruik te maken van het leger. Hierdoor brak een nieuwe periode van macht aan voor de Oranjes en de prinsgezinden.

Bron 11. De Franse koning Lodewijk XIV trekt bij het tolhuis de Rijn over op 12 juni 1672. Lodewijk zittend op het witte paard. De Franse koning probeerde zijn grondgebied uit te breiden en tegelijkertijd een sterke tegenstander uit te weg te ruimen.
Bron 10. De gebroeders De Witt werden in 1672 in Den Haag bruut om het leven gebracht. De dood van raadpensionaris Johan (Joan) de Witt zou een nieuwe periode inluiden voor de stadhouders.

4. De Gouden Eeuw: macht en rijkdom voor wie?

  • Kan aangeven dat Amsterdam in de zeventiende eeuw een aantrekkelijke handelsstad was.
  • Kan 4 oorzaken geven voor de opbloeiende economie tijdens de Gouden Eeuw.
  • Kan aangeven dat het inpolderen van gebieden en specialisatie voor economische groei zorgde.
  • Kan uitleggen wat een stapelmarkt is en waarom die past bij het handelskapitalisme.
  • Kent het verschil tussen de VOC en de WIC en kan uitleggen hoe beide handelscompagnieën bijdroegen aan het creëren van een wereldeconomie.
  • Kan uitleggen dat de benaming Gouden Eeuw ook van toepassing is op de wetenschap, de schilderkunst en de literatuur.
  • Kan aangeven dat de welvaart in de Republiek niet eerlijk was verdeeld (verdiepingsstof).
  • Kan uitleggen waardoor de Republiek zijn bijzondere positie in de wereld verloor (verdiepingsstof).
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
Leerdoelen
  • Kan aangeven dat Amsterdam in de zeventiende eeuw een aantrekkelijke handelsstad was.
  • Kan 4 oorzaken geven voor de opbloeiende economie tijdens de Gouden Eeuw.
  • Kan aangeven dat het inpolderen van gebieden en specialisatie voor economische groei zorgde.
  • Kan uitleggen wat een stapelmarkt is en waarom die past bij het handelskapitalisme.
  • Kent het verschil tussen de VOC en de WIC en kan uitleggen hoe beide handelscompagnieën bijdroegen aan het creëren van een wereldeconomie.
  • Kan uitleggen dat de benaming Gouden Eeuw ook van toepassing is op de wetenschap, de schilderkunst en de literatuur.
  • Kan aangeven dat de welvaart in de Republiek niet eerlijk was verdeeld (verdiepingsstof).
  • Kan uitleggen waardoor de Republiek zijn bijzondere positie in de wereld verloor (verdiepingsstof).
Extra uitleg
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.

De zeventiende eeuw noemen we in Nederland de Gouden Eeuw. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden beleefde toen een grote bloei onder andere in de economie, wetenschap, literatuur en de schilderkunst. Van Europees buitenbeentje, groeide de Republiek uit tot één van de meest welvarende staten in Europa. Daarom vroegen veel buitenlanders zich in die tijd af: ‘hoe was dat mogelijk’?

 

Bron 12. Kaas kreeg een belangrijke positie in de economie van de Republiek. Door specialisatie gingen veel boeren zich richten op de veeteelt. Goedkope producten werden gehaald uit het buitenland. Nederlandse kazen werden verkocht aan het buitenland. De grote wielen Hollandse kaas werden door deze levendige handel wereldberoemd. Zelfs zo beroemd dat schilders ze gingen gebruiken in hun werken als statussymbool.

Interesse in de Nederlanden

Een groot deel van de economische activiteiten in de Republiek draaiden om de werkzaamheden in en rond de stad Amsterdam. Rond 1200 was die stad nog onbereikbaar voor grote handelsschepen. De toegangsrivieren waren ondiep en de zeemonding werd geblokkeerd door grote zandbanken. Maar het klimaat werd in de honderden jaren daarna zachter. De zeespiegel steeg, de rivieren werden groter en waar tegenwoordig het IJsselmeer ligt ontstond zelfs een zee: de Zuiderzee! Nu konden zelfs de grootste schepen Amsterdam bereiken.

Maar het middeleeuwse Amsterdam was te klein. Daarom kwam het stadsbestuur met een uitgebreid hervormingsplan. Rondom het middeleeuwse stadscentrum werden grachten gebouwd met enorme pakhuizen waar handelaren terecht konden. Die grachten maakten het makkelijker om goederen van en naar de pakhuizen te vervoeren.

Om corruptie te voorkomen dat corrupte handelaren de boel bedonderden, moesten kooplui verplicht hun goederen wegen in de Waag. Handel werd in een nieuw gebouw gedreven: de Beurs. Dankzij die voorzieningen kwamen buitenlandse handelaren graag naar Amsterdam. Maar niet alleen handelaren kwamen naar de stad om hun waren te verkopen aan de inwoners van de Nederlanden. Ook ambachtslieden gingen nijverheidsproducten produceren in de stad. Niet alleen Amsterdam groeide. Ook andere steden in de Nederlanden profiteerden van de toenemende handel. Al die rijkdom zorgde voor een toename in het aantal mensen dat in de stad ging wonen, dat noemen we verstedelijking of urbanisatie. Die verstedelijking zette door. In de 17e eeuw woonde zestig procent van de inwoners van het gewest Holland in een stad.

 

Specialisatie, handel en ambacht

De basis van de economie van de Nederlanden is te herleiden tot de middeleeuwen, maar de grootste bloeiperiode vond in de zeventiende eeuw plaats. Daar zijn vier oorzaken voor te geven.

  • Allereerst vonden er in de landbouw grote veranderingen plaats. De inwoners van de Nederlanden pompten meren en moerassen leeg met behulp van molens. Zij begonnen deze gebieden in te polderen. De nieuw gewonnen gronden werden gebruikt als akkers. Deze akkers zouden beter bemest worden, met als gevolg een grotere landbouwopbrengst. Daarnaast specialiseerden boeren zich, dat wil zeggen dat zij alleen producten gingen verbouwen of telen waarvoor de grond geschikt was. De boeren in Holland gingen zich specialiseren in veeteelt. Hierdoor nam de productie van kaas en boter toe. In Europa was een grote vraag naar dit soort kwaliteitsproducten. Daarom leverde deze specialisatie veel geld op. Diezelfde landbouw ging gewassen verbouwen die verwerkt werden door Nederlandse ambachtslieden. Vlas werd verbouwd om verwerkt te worden tot textiel. De producten die niet meer verbouwd werden, haalde men uit andere landen. Een bekend voorbeeld hiervan is de moedernegotie, oftewel de graanhandel met de landen rond het Oostzeegebied. Deze marktgerichte bedrijvigheid noemen we commerciële landbouw.
  • Als tweede oorzaak is de groei van Amsterdam als oorzaak aan te wijzen. Na de val van Antwerpen in 1585 werd Amsterdam de grootste handelsstad van de Nederlanden en zelfs van Europa. Het werd een stapelmarkt. In de pakhuizen van de stad werden goederen verzameld en opgeslagen. De handelaren in Amsterdam wachtten net zolang tot de prijzen van die goederen stegen. Pas als de prijs hoog genoeg was, verkochten de handelaren hun goederen. Door dat te doen, werd gigantisch veel winst gemaakt. Dat was het begin van het handelskapitalisme.
  • De Republiek beheerste de handel in exotische producten. Dit vormde de derde reden voor de grote economische welvaart. In 1602 werd de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) opgericht. Deze handelsonderneming verdreef de Engelse, Portugese, Spaanse en Franse kooplieden uit veel gebieden in Azië. Voor de handel op Amerika en Afrika werd in 1621 de West-Indische Compagnie (WIC) opgericht.
  • Dankzij de enorme landbouwproductie en handel in de Republiek ontstond een bloeiende nijverheid. Deze nijverheid werd bovendien gezien als laatste en vierde economische reden van waaruit de welvaart in de Nederlanden verklaard kan worden. Voor de landbouwproductie waren landbouwwerktuigen nodig. Deze werden geproduceerd door handwerklieden. Daarnaast waren handwerklieden waren druk bezig met het maken van schepen. Voor de handel waren immers koopvaardij- en oorlogsschepen nodig. Veel van de Aziatische en Amerikaanse producten zouden naar Amsterdam worden verscheept. Hier werden deze producten bewerkt. Koffie werd gebrand; suiker werd geraffineerd of verwerkt tot alcohol en van Amerikaans en Chinees katoen werden goedkope stoffen gemaakt. De Hollandse textiel werd verkocht aan het buitenland; vooral in Duitsland was de vraag naar deze stoffen groot. Dit deel van de economie richtte zich dus op het vervaardigen van kwaliteitsproducten uit ruwe grondstoffen, om deze vervolgens voor veel geld te verkopen.
Bron 13. Ruben Schalk, geschiedenisstudent aan de Universiteit Utrecht ontdekte in het Westfries Archief te Hoorn het tot nu toe oudst bekende ‘aandeel’ ter wereld. Het aandeel werd uitgegeven op naam van Pieter Harmenszoon, een inwoner van Enkhuizen. Kan jij ontdekken wanneer?
Bron 14. Een opperkoopman van de VOC, vermoedelijk Jacob Mathieusen en zijn vrouw; op de achtergrond de retourvloot op de rede van Batavia, het huidige Jakarta in Indonesië. Op deze plek zou het hoofdkwartier van de VOC komen te liggen, nadat Jan Pieterszoon Coen het in 1619 verplaatste.
VOC

In de zestiende eeuw werden allemaal Nederlandse handelscompagnieën opgericht. Maar al deze handelscompagnieën beconcurreerden elkaar flink. En concurrentie ging ten kostte van de winst en daarmee de belastingen die de overheid daarop verdiende. Daarom werd in 1602 de VOC opgericht. In de zes grootste Hollandse en Zeeuwse handelssteden werden kamers opgericht die de dagelijkse gang van zaken van de VOC organiseerden. Het bestuur werd gedaan door een afvaardiging van al deze kamers: de Heren Zeventien. De VOC bleek zo effectief dat het de Nederlandse monopolie op de handel in Azië kreeg van de Staten-Generaal. Wilde een Nederlandse handelaar schepen naar Azië toe sturen, dan moest hij zich eerst aansluiten bij de VOC. Daarnaast mocht de VOC bondgenootschappen sluiten en oorlogen verklaren uit naam van de Staten-Generaal.

In een korte periode wist de VOC de grootste Europese handelscompagnie te worden in Azië. Daar zijn vier oorzaken voor.

  • Allereerst gaf de VOC  aandelen (bron 13) uit om alles te financieren, want een handelsreis naar Azië was een kostbare onderneming. Iedereen kon zo’n aandeel kopen op de Amsterdamse Beurs en werden zo aandeelhouder. Deze aandeelhouders kregen na een periode een deel van winst uitgekeerd. Zo werd de VOC een beetje van iedereen.
  • Meerdere volken uit Azië – zoals Indonesiërs, Japanners en Chinezen – hadden helemaal geen behoefte aan Europese producten. Maar wel aan goud, zilver en Aziatische producten. Daarom verdiende de VOC nog het meeste aan de inter-Aziatische handel. Met Europees goud en zilver werd bijvoorbeeld zijde, thee en porselein ingekocht. Een deel van die producten werd met winst verkocht in Japan. Doordat de Japanners met zilver betaalden, kon de VOC verder handelen in Azië. Als op de ene plek vraag was naar een product, dan kocht de VOC het elders in; om het naar de vragende partij te verschepen en voor veel winst te verkopen.
  • Bovendien beschermde de VOC haar handelsbelangen in Azië. De compagnie vond het niet nodig gebieden te koloniseren. Want handel kon ook bereikt worden door goede afspreken te maken. Werden die afspraken niet nagekomen?  Dan werd er geweld gebruikt. Zo ook op de Indonesische Banda-eilanden. De inwoners van die eilanden weigerden het verzoek van de VOC om alleen nog maar specerijen aan hen te verkopen. De Bandanezen wilden ook aan andere Europeanen leveren. De onderhandelaars die de VOC stuurde, werden door de Bandanezen in de val gelokt en vermoord. Daarop besloot Jan Pieterszoon Coen – die de leiding had over de VOC in Azië – in 1621 harde maatregelen te nemen. Coen liet de ‘lastige’ eilandbewoners onthoofden. In een korte periode werden de eilanden ontvolkt. Vervolgens werd de grond verdeeld onder bereidwillige Hollanders die als ‘perkenier’ graag de plaats innamen van de oorspronkelijke bevolking. Om de grond te bewerken, werden slaven uit India gehaald. Dit bleef echter de enige Nederlandse kolonie in Azië.
  • Daarbovenop wilde Jan Pieterszoon Coen niet dat andere Europeanen de handel in gevaar konden brengen. Hij begon met de aanleg van goed verdedigbare handelssteunpunten, factorijen, of veroverde die op de Spanjaarden en Portugezen. Zo kon de VOC de wateren veiligstellen, maar ook de VOC-vloot een veilige haven bieden. Want het moest lang in de Aziatische wateren verblijven vanwege de inter-Aziatische handel. In 1619 veroverde Coen ook de havenplaats Jacatra – het huidige Jakarta – op de noordwestpunt van het eiland Java. Dit werd het centrale handelspunt, toen omgedoopte tot Batavia, van waaruit alle VOC activiteiten in Azië werden aangestuurd.

 

WIC

Waar de VOC handelde in Azië, daar handelde de WIC in Afrika en Amerika. Omdat de Republiek nog in oorlog was met Spanje en Portugal, maakte de WIC jacht op Spaanse schepen (kaapvaart), om vervolgens deze buitgemaakte goederen samen met de koloniale producten mee terug te nemen naar de Nederlanden. De beroemdste kaper was piet Hein, die in 1628 de Spaanse zilvervloot – het jaarlijkse transport met de opbrengst van de zilvermijnen uit de Spaanse koloniën – bij Cuba overviel.

Ook de WIC legde factorijen aan. In 1624 bouwde het de eerste versterking in Noord-Amerika, het fort Nieuw Amsterdam op het eiland Manhattan. Dit werd de uitvalsbasis voor de handel in beverbont en tabak, verbouwd door de indianen. Ondanks dat de WIC er een kolonie van probeerde te maken, waren er niet veel mensen uit de Republiek die wilden emigreren. Het liep uiteindelijk op niets uit.

Bron 15. Om aan genoeg slaven te komen, organiseerden Afrikaanse vorsten strooptochten. Deze tochten werden geleid door slavenmakelaars, die uiteindelijk ook verantwoordelijk waren voor het transport naar de Europese slavenforten.

In 1630 werd een Portugese plantagekolonie in Brazilië veroverd. Maar ook hier wilden weinig Nederlanders naartoe migreren en de Portugese inwoners van de kolonie wilden niets weten van de Nederlanders. Dus moesten er tot slaafgemaakten uit Afrika worden gehaald om op de plantages te werken. Na twintig jaar gaf de WIC het op en verliet de kolonie. Ondertussen had het wel ervaring opgedaan met het handelen in slaven. Deze kon je van de Portugese en Arabische handelaren kopen in Noord-Afrika. Maar deze kon je toch net zo goed zelf halen? Zodoende werd slavenfort El Mina op de Afrikaanse westkust op de Portugesen veroverd. Daarna stichtte de handelscompagnie meer slavenforten in Afrika.

Slavernij was normaal in Afrika. In de vele onderlinge oorlogen tussen Afrikaanse vorsten werden de krijgsgevangenen tot slaaf gemaakt of als je schulden had kon je ook als slaaf worden verkocht. Arabische kooplui speelden hier handig op in en kochten slaven aan voor het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Europa. Maar het ‘natuurlijke‘ aanbod aan slaven kon de groeiende Europese vraag niet bijhouden.

De machtige Afrikaanse vorsten stonden het de WIC en andere Europeanen niet toe om zelf slaven te vangen. Die vorsten organiseerden dan ook zelf strooptochten om aan nieuwe slaven te komen. Deze tot slaafgemaakten werden naar de slavenforten van de WIC gebracht en geruild voor vuurwapens, goud, zilver, katoenen stoffen en kleding. Vervolgens werden de tot slaafgemaakten per schip naar Curaçao getransporteerd. Van daaruit werden zij over de rest van Midden-Amerika verspreid. Veel van de slaven overleefden de overtocht niet. Het sterftecijfer lag rond de twintig procent. Maar dat die sterfte niet hoger lager dan onder de WIC-bemanning, kwam doordat men zoveel mogelijk ‘producten’ in leven wilde houden om te verkopen.

De schepen die vanuit Midden-Amerika terugvoeren naar Europa, namen de verbouwde plantageproducten mee terug (Atlantische driehoekshandel). Ondanks dat er winst werd gemaakt op de slavenhandel, leverde die geen grote bijdrage aan de totale inkomsten van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Het aandeel was ongeveer vijf procent.

Op de slavenmarkten werden slaven gekeurd en gebrandmerkt bij aankoop. Daarnaast kreeg de koper een eigendomsbewijs. Een slaaf kostte driemaal het jaarloon van een ambachtsman, dus zo’n slaveneigenaar probeerde de slaven in leven te houden. Suriname werd de grootste Nederlandse plantagekolonie. Hier woonden plantagehouders in grote houten huizen en 10 tot 250 slaven – afhankelijk van grootte van de plantage – in kleine hutjes en schuren. Regelmatig vluchtten opstandige slaven het bos in. Daar probeerden deze ‘marrons’ of ‘bosnegers’ – zoals ze door de Nederlanders werden genoemd – te overleven. Zij overvielen plantages om aan voorraden te komen en andere tot slaafgemaakten te bevrijden. Het plantagewerk was zwaar en de behandeling wreed. Hierdoor was de sterfte onder de slaven hoog en de vraag naar ‘nieuwe aanvoer’ groot.

Maar in de zeventiende eeuw waren er maar weinig mensen die vonden dat zwarte medemensen niet tot slaaf gemaakt mochten worden en als bezit worden verhandeld. Het tegendeel zelfs! Voor veel christelijke gelovigen was juist het ontbreken van het christelijke geloof en de donkere huidskleur, de reden dat ‘zij zielloos waren’. Zij werden zelfs niet als mens gezien door velen, maar als dieren.

Bron 16. Hugo de Groot, vader van het internationaal recht.
Bron 17. De ´Nachtwacht´ van Rembrandt is het beroemdste schilderij uit de Gouden Eeuw.
Bron 18. Ook het vastleggen van de geschiedenis werd onderdeel van de Nederlandse literaire traditie.
Ook bloei in de cultuur en wetenschap!

De zeventiende eeuw was niet alleen op economisch gebied van goud. Ook de wetenschap bloeide op in de Republiek. Daardoor kan ook op dat gebied gesproken worden van een Gouden Eeuw. Wetenschappers konden in relatieve vrijheid experimenten doen of wetenschappelijke ideeën publiceren, zonder dat zij bang hoefden te zijn dat ze opgepakt zouden worden door de Katholieke Kerk of door de koning, want die was er immers niet meer. Eén van die wetenschappers was Hugo de Groot (bron 16). Hij publiceerde een belangrijk werk: Het recht van oorlog en vrede (1625). Hierin beschreef hij de rechten en plichten van staten. Hoe hoorden zij zich te gedragen ten opzichte van elkaar? Moet elk conflict worden opgelost door een oorlog? Hij was voor overleg tussen landen. Hugo de Groot wordt ook wel eens de vader van de wereldvrede en het internationaal recht genoemd. Ook andere Nederlandse wetenschappers uit de Gouden Eeuw zijn bekend. Bijvoorbeeld Antonie Leeuwenhoek, de uitvinder van de microscoop en de bioloog Swammerdam.

De ´Nachtwacht´ van Rembrandt is het beroemdste schilderij uit de Gouden Eeuw (bron 17). Ook andere Nederlandse schilders werden beroemd door de realistische manier waarop zij personen, dieren, voedsel en andere voorwerpen afbeelden. In elke stad was wel een beroemde schilder te vinden. De oorzaak daarvoor is terug te leiden naar de economische welvaart. Men had geld om te besteden aan luxe producten, want door de specialisatie was voedsel goedkoop geworden. Twee groepen die vooral schilderijen bestelden waren de regenten en een tweede grotere groep, die van rijke ambachtslieden en winkeliers. Beide groepen vonden het belangrijk dat er realistische geschilderd werd. Zo mochten rimpels en grijzend haar best afgeschilderd worden.

Op het gebied van literatuur werd er ook veel gepubliceerd. Dankzij de drukpers werd het goedkoper boeken uit te geven en daarnaast kon je in de Republiek publiceren zonder bang te hoeven zijn dat jouw werk gecensureerd werd. Vooral in de eerste helft van de zeventiende eeuw publiceerde bekende schrijvers als Pieter Cornelisz Hooft, Jacob Cats en Joost van den Vondel belangrijke werken op het gebied van opvoeding, geschiedenis maar ook verhalen op plezier aan te beleven oftewel romans. Ook buitenlanders kwamen naar de Republiek toe om hun boeken te laten publiceren. Vooral auteurs uit Frankrijk en Spanje, waar veel gecensureerd werd, besloten hun ´illegale´ teksten in een land uit te geven waar dit mogelijk was.

Bron 18. In de Republiek ontstond tijdens de Gouden Eeuw een burgercultuur. Hierin stond niet een vorst of de adel centraal, maar de gewone burger. Het stadhuis van Amsterdam is een goed voorbeeld van die cultuur. Het was in de Gouden Eeuw een plek waar men samen Amsterdam bestuurde, zonder inmenging van een koning. Ook werden in de Gouden Eeuw veel bibliotheken aangelegd. Kennis moest eerlijk worden verdeeld onder de burgers en niet alleen weggelegd zijn voor diegenen van bijvoorbeeld adellijke komaf.
Oneerlijke welvaart en neergang?

De welvaart in de Republiek was oneerlijk verdeeld, want niet iedereen profiteerde ervan. Veel boeren in Oost- en Zuid-Nederland leefden vaak in grote armoede. De welvaart gold vooral voor de regenten en de gegoede burgerij (kleinere handelaren en kooplieden). Deze verschillen zijn ook vandaag de dag nog steeds terug te vinden in steden als Amsterdam, Delft, Leiden en Groningen. In deze steden zie je vaak nog grote en rijkversierde pakhuizen van de handelaren met daarachter kleinere woningen waarin de kleine handwerklieden en arbeiders woonden.

De Republiek was de welvarendste staat van Europa in de zeventiende eeuw. Toch werd het snel ingehaald door Frankrijk en Engeland. Wil dat zeggen dat de Republiek minder welvarend werd? Nee, de Republiek bleef nog steeds één van de welvarendste landen van Europa. Alleen Engeland en Frankrijk gingen zelf steeds meer handeldrijven, daardoor leek het alsof de Republiek erop achteruit ging. Aan de ene kant werden er minder producten naar Engeland en Frankrijk verscheept en nam de werkeloosheid in de Republiek toe aan het einde van de zeventiende eeuw. Aan de andere kant investeerde de rijke elite nog steeds in handelsondernemingen, grootgrondbezit en gebouwen. Kunnen we dan wel van een neergang spreken?

Opdracht 4.6 Discussie over het verleden: Jan Pieterszoon Coen, een held of een schurk?

Nederland kent een veelbewogen verleden, waaronder de daden van de VOC. Het is een verleden waar sommigen trots op zijn, maar sommigen ook niet. Onderdeel van het VOC-verleden is de slachting op de Banda-eilanden door Jan Pieterszoon Coen. Coen heeft voor zijn verdiensten bij de VOC een beeld gekregen, dat nu in het plaatsje Hoorn staat. De laatste tijd is er veel aandacht voor dat beeld, want de meningen over Coen lopen uiteen. De één vindt dat Jan Pieterszoon Coen geen beeld verdient, aangezien hij schuldig is aan genocide. De ander zegt juist dat hij Nederland veel rijkdom gebracht heeft en daarom wel een beeld verdiend heeft. Het plaatsje Hoorn zit dan ook met het beeld van Coen in zijn maag.

In deze opdracht ga je de vóór en tegenargumenten afwegen, om zo een advies te geven aan de gemeente Hoorn: ‘wat te doen met het beeld’? Dat ga je doen in de vorm van een adviesbrief. Volg de stappen hieronder.

5. De staat, dat ben ik!

  • Kan uitleggen wat absolutisme is.
  • Kan uitleggen waarom Lodewijk XIV streefde naar absolutisme.
  • Kent het absolutistische politiek, militair, economisch en religieus beleid van Lodewijk XIV.
  • Kent 2 andere Europese vorsten die streefden naar absolutisme en hier in slaagden (verdiepingsstof).
  • Kent 2 Europese vorsten die ook streefden naar absolutisme, maar daar niet in slaagden (verdiepingsstof).
  • Kent het verschil tussen een hof- en burgercultuur (verdiepingsstof).
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
Leerdoelen
  • Kan uitleggen wat absolutisme is.
  • Kan uitleggen waarom Lodewijk XIV streefde naar absolutisme.
  • Kent het absolutistische politiek, militair, economisch en religieus beleid van Lodewijk XIV.
  • Kent 2 andere Europese vorsten die streefden naar absolutisme en hier in slaagden (verdiepingsstof).
  • Kent 2 Europese vorsten die ook streefden naar absolutisme, maar daar niet in slaagden (verdiepingsstof).
  • Kent het verschil tussen een hof- en burgercultuur (verdiepingsstof).
Extra uitleg
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.

In 1648-1653 kwamen de Franse edelen in opstand. Zij wilden af van de 9-jarige Lodewijk XIV, die toen koning was van Frankrijk. In de ogen van de adel was het Franse koningshuis zwak, aangezien Lodewijk maar een marionet was. De echte macht lag bij zijn moeder en kardinaal Mazarin, de adviseur van de koning. Met geweld probeerde de adel Lodewijk van de troon te stoten. Daardoor was dit een angstige periode voor de jonge vorst. Lodewijk XIV zou het de adel nooit vergeven.

 

Bron 19. Lodewijk XIV van Frankrijk. Hij werd de Zonnekoning genoemd, omdat hij alles om hem liet draaien. De koning stond centraal. Niemand mocht tegen hem ingaan. Hij had absolute macht. Dit schilderij liet hij ophangen in de troonzaal van zijn paleis in Versailles (vlak bij Parijs). Lodewijks onderdanen moesten vaak lang wachten in die zaal. Hij liet het schilderij zo ophangen dat zijn voeten op ooghoogte hingen. Daarmee liet hij duidelijk de plaats van zijn onderdanen zien: ‘aan zijn voeten’. Een bekende uitspraak van Lodewijk was dan ook: ‘De staat, dat ben ik’.

Van opstand tot absolutisme

De opstand tegen Lodewijk liet zien dat de Franse koning niet almachtig was in de 17e eeuw. Hij moest constant in overleg met de Staten-Generaal. In dit overlegorgaan waren de drie standen vertegenwoordigd. Vooral de adel kon macht uitoefenen via de Staten-Generaal. Aan het begin van de zeventiende eeuw kregen Franse koningen er genoeg van steeds te moeten overleggen. Zij streefden naar uitbreiding van hun macht. Bovendien wilden zij zelf regeren vanuit een centraal punt. Zowel Lodewijk XIII als Lodewijk XIV ging regeren buiten de Staten-Generaal om. Vanaf 1614 kwamen de Staten-Generaal niet meer bijeen. Dat was het begin van een periode van toenemende koninklijke macht. Een politiek die zij tot 1789 volhielden. Om de adel verder buitenspel te zetten, liet Lodewijk ambtenaren aanstellen die voor hem werkten en gaf hen baantjes die voorheen altijd waren weggelegd voor de adel. In 1661, na de dood van Mazarin, kreeg Lodewijk de touwtjes volledig in handen. Hij breidde zijn centralisatie nog meer uit. De vorst besloot ook dat het parlement van Parijs geen invloed meer mocht hebben. Hierdoor kon hij het volk zijn wil opleggen, zonder dat hij tegenspraak kreeg. Dat noemen we absolutisme. Op vier verschillende gebieden was het absolutisme te herkennen: politiek, militair, economisch en religieus. Hierdoor hoopte hij uiteindelijk via verschillende oorlogen een groot rijk bij elkaar te vechten.

 

Kenmerken van Lodewijks absolutisme

Op politiek gebied kon de koning alle beslissingen zelf nemen. Hij duldde dan ook geen tegenspraak. Het was de koning die de ambtenaren benoemde, die vervolgens rechtstreeks verslag aan hem uitbrachten. Het was de vorst die nieuwe wetten verzon en doorvoerde. Om de hervormingen in de juiste banen te leiden, mocht er ook geen tegenspraak zijn van edelen of het volk. Lodewijk XIV liet daarom censuur invoeren. De staat bepaalde wat en op welke manier er gedacht of geschreven werd. Hierdoor werd het openlijk kritiek leveren op de vorst gevaarlijk. Om het risico op gevangenneming of erger te vermeiden, drukten critici vaak anoniem pamfletten, met daarin hun kritiek.

Op militair gebied besloot de koning een groot staand (permanent) leger van beroepsmilitairen op te bouwen. De rangen in het leger werden verdeeld naar capaciteiten. Vriendjespolitiek was er niet meer bij. De soldaten werden goed getraind en kregen een behoorlijk loon. Hierdoor waren de soldaten loyaal aan Lodewijk XIV. Het gevolg was dat deze loyaliteit de tegenstanders van Lodewijk angst aanjaagde.

Aan het absolutisme zat ook een economische kant. De Franse minister van financiën Jean-Baptiste Colbert moest de economie zo inrichten dat Lodewijks oorlogen konden worden bekostigd. Hiervoor bedacht hij het mercantilisme. Colbert beredeneerde dat de rijkdom van het ene land ten koste ging van die van een ander land. Dus was het aan Frankrijk de taak om andere landen economisch voor te blijven. Colbert stimuleerde het verkopen van Franse producten aan het buitenland (export). Daarentegen ontmoedigde hij het kopen van buitenlandse producten (import); want over goederen uit het buitenland moest gigantisch hoge belastingen worden betaald. Zo probeerde hij het volk te ontmoedigen. Als Fransen dan toch importeerden, dan verdiende de staat hier geld aan. Toch was het voornaamste doel dat de Franse bevolking alleen Franse producten kocht.

Bron 20. Het paleis in Versailles moest de absolute macht van de koning uitstralen: groots, indrukwekkend en je kan er niet omheen. Het paleis werd betaald met belastingen geheven onder Lodewijks onderdanen. De door Lodewijk gehate Franse adel moest hem van tijd tot tijd komen opzoeken. Kwam een edelman niet opdagen? Dan kon hij zijn verdere politieke loopbaan en bezittingen wel vergeten. Zo kon Lodewijk de adel goed in de gaten houden en een eventuele opstand van de edelen voorkomen.

Bron 21. Lodewijk XIV was een liefhebber van het ballet. Vele toneelstukken en balletvoorstellingen zijn voor hem geschreven, met als doel opgedragen te worden aan het hof. Die voorstellingen waren dan ook onderdeel van de hofcultuur. Hierin draaide alles om het hofleven met de koning als middelpunt. Daarom speelde Lodewijk zelf ook wel eens mee in een voorstelling. In 1653 danste hij in een balletvoorstelling als zon. Waarom koos hij juist voor dit hemellichaam?
Bron 22. Verhoudingen aan het einde van de 17e eeuw. Zowel de Europese vorstendommen als de Nederlandse Republiek probeerden hun overzeese bezittingen uit te breiden. Wat valt je op aan de bezittingen van die Europese vorstendommen?

Lodewijk XIV was zelf katholiek. Hij wilde dan ook dat katholieken voorrang kregen op protestanten. In de zestiende eeuw hadden Franse hugenoten (protestanten) vrijheid gekregen om hun geloof uit te oefenen door het Edict van Nantes. Dit edict werd door Lodewijk ongeldig verklaard. Vanaf nu tolereerde hij alleen nog maar het katholicisme. Religie was voor de absolute koning om nog een andere reden belangrijk. Het geloof werd gebruikt om het absolutisme te rechtvaardigen. De absolute macht van de Franse koning werd uitgewerkt door Jacques Bossuet (1627-1704). Bossuet gebruikte de Bijbel om te beargumenteren dat de koning de plaatsvervanger van God op aarde was. De koning had het droit divin (goddelijk recht). Omdat zijn macht van God afkomstig was, hoefde de koning zijn daden en handelingen aan niemand te verantwoorden behalve God. Dankzij deze redenatie stond Lodewijk XIV boven de wet. Zijn wil was wet! Doordat alles om Lodewijk draaide, vergeleek hij zichzelf met de zon, aangezien ook de planeten om de zon draaien. De Franse vorst Lodewijk XIV werd dan ook de Zonnekoning genoemd.

Absolutisme in de rest van Europa

Buiten Frankrijk ondernamen vorsten ook pogingen om absolute macht te verkrijgen. De manier waarop dat gebeurde verschilde per land. Rusland ontwikkelde zich in de zeventiende eeuw tot een absolute monarchie onder de Russische tsaar. Van 1613 tot 1917 zwaaiden de Romanovs de scepter. In deze periode beperkten de tsaren de zeggenschap van de adel, geestelijkheid en het volk. Het waren de Romanovs die nu alle alle belangrijke functies benoemden. Daarbovenop werkten de tsaren samen met de geestelijkheid om de bevolking te onderdrukken; vergrote het leger en liet een geheime politie aanstellen om de bevolking te controleren en kritische burgers op te pakken.

Een soortgelijke ontwikkeling vond plaats in Pruisen, een van de grootste staten in het Duitse Rijk. De Pruisische vorst Frederik Willem moderniseerde het leger, waarin capaciteiten belangrijker werd dan afkomst. Frederik Willem zag zichzelf als dienaar van de staat. Alleen hij wist wat goed was voor de staat. Onder zijn zoon Frederik Willem I – die de bijnaam Soldatenkoning kreeg – groeide het Pruisische leger uit tot het modernste en sterkste van Europa.

Niet elke poging was een succesverhaal. In het vorige hoofdstuk heb je kunnen lezen over het centralisatiebeleid van Filips II. Dit had evenzeer het doel gehad absolute macht te krijgen. Filips slaagde er niet in. Ook in Engeland mislukte de vestiging van het absoluut koningschap. In 1215 had de Engelse koning Jan zonder Land het Magna Carta moeten tekenen. Een verdrag waarin stond dat de koning niet zonder goedkeuring van de adel en de burgerij het leger bijeen mocht roepen of belasting mocht heffen. De Engelse koning Karel I probeerde dat toch, met een burgeroorlog (1642-1649) als gevolg. De strijd eindigde met de onthoofding van de Engelse koning.

Bron 23. Peter de Grote van het Romanov koningshuis. Hij maakte van Rusland een absolute monarchie, waarover hij als tsaar (koning) regeerde.
Bron 24. Frederik Willem I van Pruisen. Hij werd de soldatenkoning genoemd, omdat hij één van de best getrainde legers had van Europa. Dit leger zorgde voor trouw onder de edelen, aangezien zij baantjes wilden in het leger. Het boezemde angst in bij zijn vijanden en onder opstandige leden van Frederiks bevolking.
Subscribe
Abonneren op
0 Reacties
Inline Feedbacks
Bekijk alle aantekeningen