Van republiek tot absolute monarchie

Hoofdvragen

Waardoor was de Gouden Eeuw in de Nederlanden mogelijk?

Hoe was de macht in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden verdeeld?

Wat waren de gevolgen van de continue machtsstrijd tussen de prins- en staatsgezinden?

Op welke gebieden vond de Gouden Eeuw plaats?

Waarom streefde Lodewijk XIV naar absolute macht en hoe uitte zich dat?

1521
1543
1550
1555
1568
1572
1584
1585
1588
1602
1619
1621
1648
1649
1648-1653
1661
1672
Maarten Luther werd uit de kerk gezet, nadat hij moest verschijnen voor de Rijksdag in Worms (regering van Karel V).
Karel V heeft alle Nederlanden in handen.
Instelling van de Bloedplakkaten.
Filips II erfde de Nederlanden.
Begin van de opstand in de Nederlanden, ook bekend als de Tachtigjarige Oorlog.
De Watergeuzen namen Den Briel in.
Willem van Oranje werd vermoord.
De val van Antwerpen. Maurits sloot daarna de Schelde af.
De Noordelijke Nederlanden gingen verder als zelfstandige republiek.
De Verenigde Oost-Indische Compagnie werd opgericht.
Johan van Oldenbarnevelt werd onthoofd.
De West-Indische Compagnie werd opgericht.
Het Verdrag/Vrede van Münster werd gesloten tussen de Republiek en Spanje.
Karel I van Engeland werd onthoofd.
Opstand van de Franse edelen.
Lodewijk XIV nam de volledige macht in handen.
Het rampjaar.

Met de Vrede van Münster kwam er een einde aan tachtig jaar oorlog. Zowel de Nederlandse als de Spaanse kant waren tevreden met de situatie zoals die er op dat moment was. Filips had tenslotte genoeg aan zijn hoofd met zijn oorlogen tegen de Engelsen, Ottomanen en in de koloniën. Voor het eerst had een klein groepje opstandelingen zich weten te verzetten tegen een grote overheersende macht en gewonnen! Door de nieuwverworven vrijheid zou de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden de Gouden Eeuw tegemoet gaan. Een eeuw van grote economische welvaart en culturele bloei. De Republiek was niet het enige land dat een bijzondere periode doormaakte. Ook Frankrijk kende een bijzondere periode. De jonge Franse vorst Lodewijk XIV zou uitgroeien tot de zonnekoning en alleen verantwoording hoeven af te leggen aan God. Lodewijk zou absolute macht hebben.

Kenmerkende aspecten
  • 23. Het streven van vorsten naar absolute macht.
  • 24. De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek.
  • 25. Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.
Bron 1. De Dam in de stad Amsterdam. Op de marktplaats werden de meest exotische producten verhandeld. Van peper tot zijde, alles was er te koop als je het kon betalen.

1. Een apart landje

Leerdoelen
  • Kent de punten van de vredesovereenkomst gesloten in de Vrede van Münster.
  • Kent de drie aparte politieke kenmerken van de Republiek ten opzichte van andere Europese staten.
  • Kent het aparte religieuze kenmerk van de Republiek ten opzichte van andere Europese staten (verdiepingsstof).

Met de Vrede van Münster kwam een internationale overeenkomst tussen de Republiek en Spanje tot stand. In de vredesregeling werd het volgende overeengekomen: Spanje erkende de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden als een onafhankelijke staat; de zuidelijke gewesten bleven bij Spanje en zouden de Spaanse Nederlanden heten; de Republiek zou niet proberen deze zuidelijke gewesten alsnog te veroveren; de in 1585 door Maurits afgesloten Schelde zou gesloten blijven. Door deze afsluiting konden handelsschepen Antwerpen niet meer bereiken. Antwerpen was altijd de belangrijkste handelsstad van Zuid-Nederland geweest. Na 1585 vertrokken veel handelaren, ambachtslieden en wetenschappers na Amsterdam. Door deze migratiestroom groeide Amsterdam uit tot de belangrijkste handelsstad van Europa.

De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden had politiek gezien een aparte plaats in Europa. Hier zijn drie redenen voor te geven.  Allereerst was de Republiek een staat zonder vorst. De eeuwenoude politieke instellingen, die ook al door Karel V en Filips II waren gebruikt om het land te besturen toen zij nog vorst waren van de Noordelijke Nederlanden, werden aangepast aan de nieuwe situatie: regeren zonder vorst. Ten tweede kwam de soevereiniteit niet te liggen bij een persoon. Elk gewest bestuurde zichzelf via de Gewestelijke Staten. Pas als er politieke besluiten moesten worden genomen die meerdere gewesten aangingen, kwamen de gewesten bij elkaar in de Staten-Generaal. Deze statenoverleg veranderde van een adviesorgaan van de koning, naar een overlegorgaan tussen de gewesten. Dit overleg gebeurde vooral in tijden van oorlog of als er besluiten moesten worden genomen over de buitenlandse politiek van de Republiek. Ten derde was de macht in handen van rijke burgers. Het waren deze burgers die in de Gewestelijke Staten de politieke besluiten namen en afgevaardigden stuurden naar de Staten-Generaal.

Bron 3. De Staten-Generaal werd na het uitroepen van de Republiek het overlegorgaan tussen de gewesten. In deze vergadering werd de buitenlandse politiek van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden vormgegeven.
Geloof in de Republiek

Ook vanuit religieus oogpunt was de Republiek een bijzondere staat. De officiële staatsgodsdienst was het calvinisme. In landen zoals Engeland, Frankrijk en Spanje werd maar één godsdienst toegestaan vaak het katholicisme; maar in de Nederlanden werd het katholieke geloof officieel verboden. De uitoefening van dit geloof werd wel gedoogd. Katholieken werden niet vervolgd als zij hun geloof maar onopvallend uitoefenend (bron 4). Toch kwam het nog steeds wel voor dat katholieken gediscrimineerd werden op basis van hun geloof. Het werd hen vaak niet toegestaan deel te nemen aan een vergadering van de Gewestelijke Staten, burgemeester te zijn of een andere overheidsfunctie uit te voeren.

Bron 2. Joden werden in Spanje vervolgd om hun geloof. Veel rijke Joodse handelaren en wetenschappers vluchtten naar de Nederlanden toe. Hier konden zij hun geloof in relatieve vrijheid uitoefenen. Zij namen hun rijkdom met zich mee.

Bron 4. Schuilkerk in Utrecht. Katholieken mochten hun geloof onopvallend uitoefenen. Dit betekende dat katholieke kerken verhuld moesten worden als woonhuizen, werkplaatsen of ondernemingen. Aan de binnenkant waren het volledig functionerende kerken.

Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Opdracht 1.5 Geloof en diversiteit: religieuze tolerantie in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden

Nederland is een religieus en cultureel divers land. Maar hoe komt dat? Wat is de oorzaak van die diversiteit? Om antwoord te geven op deze vragen moet je eerst het verschil weten tussen oorzaken en gevolgen. Veel van de diversiteit is het gevolg van het gedogen van andere geloven en dus de religieuze tolerantie in de Republiek. Dat zie je terug in de onderstaande bronnen.

Bron 1. De Spaanse Inquisitie martelde andersdenkenden. Hier een man die werd verdacht van homofilie.
Bron 2. Joden werden in Spanje vervolgd om hun geloof. Veel rijke Joodse handelaren en wetenschappers vluchtten naar de Nederlanden toe. Hier konden zij hun geloof in relatieve vrijheid uitoefenen. Zij namen hun rijkdom met zich mee.
Bron 3. In Amsterdam vestigden zich handelaren vanuit de hele wereld. Zij zouden hier ook blijven wonen door de eeuw heen en hun gebruiken meenemen.

‘Bovendien was de drukpers in Amsterdam een erg belangrijke bedrijfstak, waar veel geld in omging. Net als de stad groeide het aantal drukkers in de zeventiende eeuw explosief, van twintig [drukkers] in 1600 naar 107 in 1675, tegen 256 in de hele Republiek in dat jaar. Boeken vormden een van de belangrijkste inkomsten in Amsterdam. En omdat die vele drukkers werk wilden, was iedereen die iets te drukken had welkom.

Vanuit Amsterdam gingen grote hoeveelheden katholieke werkjes naar de Zuidelijke Nederlanden. Daar viel geld aan te verdienen, dus niemand deed moeilijk. Bovendien leefden ook allerlei vertalers en correctoren van het boekenvak, en niemand had financieel baat bij een strenge censuur’.


Bron 5. Over het verspreiden van gedrukt werk. Uit Historisch Nieuwsblad 10/2007.

Bron 4. Schuilkerk in Utrecht. Katholieken mochten hun geloof onopvallend uitoefenen. Dit betekende dat katholieke kerken verhuld moesten worden als woonhuizen, werkplaatsen of ondernemingen. Aan de binnenkant waren het volledig functionerende kerken.
Bron 6. Willem van Oranje neemt de leiding over de opstand in de Nederlanden tegen Filips II van Spanje.
Bron 7. De Synode van Dordrecht.
Bron 8. Onzedelijk gedrag, seksuele uitspattingen en hoerententen werden heel normaal in steden zoals Amsterdam.
Bron 9. Door stadsrechten hadden veel steden privileges afgekocht bij de heer. Hierdoor mochten veel Nederlandse steden allerlei zaken zelf bepalen, zoals rechtspraak, belastingen en politiek.

Deel 1: Begrippen helder hebben

Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deel 2: Presentatie

In deze opdracht ga je verschillende bronnen onderzoeken en aangeven of het gaat om een oorzaak voor de religieuze tolerantie of een gevolg is van de religieuze tolerantie. Je gaat dit onderzoek zelfstandig of als een groepje uitvoeren. Hoe ga je te werk:

  1. Selecteer een bron uit de rijtjes hierboven en zoek uit waar deze bron over gaat.
  2. Bepaal welke informatie je nodig hebt om erachter te komen of het hier gaat om een oorzaak of een gevolg van de religieuze tolerantie. Gebruik hiervoor de eerste paragraaf, het vorige hoofdstuk over de opstand in de Nederlanden en het internet. Let extra goed op begrippen, personen en jaartallen.
  3. Leg uit of het een oorzaak of een gevolg is van de religieuze tolerantie. Let wel op dat je argumenten te volgen zijn voor je medeleerlingen.
  4. Maak een presentatie van jouw antwoord. Hierin moet het volgende naar voren komen:
Slide 1De gekozen bron.
Slide 2Waar gaat de bron over? Hoe kon je dat afleiden uit de bron?
Slide 3Is het een oorzaak of gevolg van de religieuze tolerantie. Leg uit waarom!
Slide 4Gevolgen voor onze huidige samenleving.

2. Macht, status en verschil

Leerdoelen
  • kan uitleggen wat regenten zijn en kent hun beweegredenen.
  • Kent de bijzondere positie van het gewest Holland en de stad Amsterdam.
  • Kent het verschil tussen een raadspensionaris en een stadhouder.

Bron 5. Regenten kregen vaak een positie toegewezen binnen een organisatie of overheidsfunctie. Met zo’n functie was vaak veel aanzien te verkrijgen. Dit moest dan ook publiekelijk getoond worden door bijvoorbeeld je af te laten schilderen in je ambtskledij.

Buitenlandse kwesties werden in de Staten-Generaal behandeld. In principe was ieder gewest gelijk aan de andere gewesten in deze statenvergadering, maar in de praktijk had Holland de meeste inspraak. Het was het grootste gewest in de Nederlanden en was in zijn eentje goed voor meer dan de helft van te totale belastinginkomsten, daarmee ook de helft van het leger bekostigend. In het gewest Holland hadden grote steden als Amsterdam de meeste invloed. De adel had officieel wel het recht om mee te beslissen in het gewestelijk bestuur, maar in de praktijk regeerde de stedelijke elite van handelaren en kooplieden. Deze laatste twee zouden regenten genoemd worden. Ondanks de verschillen tussen de regenten en de adel, hadden beide groepen wel hetzelfde doel: besturen van de gewesten en ervoor zorgen dat mensen uit de andere bevolkingslagen niet tot hun groep konden doordringen. Om dat voor elkaar te krijgen, verdeelden zij de belangrijkste banen onder elkaar, want deze banen brachten vaak veel geld en aanzien met zich mee.

Met de verhoudingen tussen de steden, adel en regenten onderscheidde de Republiek zich van andere landen in Europa. In die landen was het nog heel gebruikelijk dat de macht in handen was van de adel en een vorst; in de Nederlanden was deze macht meer verspreid. Deze spreiding leidde tot trots onder de Nederlanders. Men was trots op de vereniging van de zeven gewesten zonder centrale macht van een koning.

Binnen de samenwerking tussen de gewesten waren twee personen met meer macht dan de regenten. Zij krijgen een machtsfunctie en hiermee konden zij andere mensen opdragen of dwingen hun wensen uit te voeren. De eerste machtsfunctie was die van raadspensionaris. Dit was een juridisch geschoolde ambtenaar, die de gewesten bij al hun werkzaamheden bijstond. In de praktijk kwam dat erop neer dat de raadspensionaris de leiding had over de Staten-Generaal en dat hij de onderhandelingen deed met het buitenland. De raadspensionaris werd gekozen uit de voornaamste regenten uit het gewest Holland. De tweede machtsfunctie was die van stadhouder. Dit ambt was net als andere politieke instellingen in de Nederlanden een overblijfsel uit de tijd van de Habsburgse vorsten. Onder de Habsburgers fungeerde de stadhouder als vervanger van de landsheer. In de tijd van de Republiek kreeg de stadhouder een andere functie. Hij werd de aanvoerder van de legers die door de gewesten werden betaald. Hierdoor had de stadhouder veel macht en aanzien. De functie van stadhouder kwam bij de nakomelingen van Willem van Oranje te liggen.

  • Gelderland
  • Holland
  • Zeeland
  • Utrecht
  • Friesland
  • Overijssel
  • Groningen

Bron 6. Bijdragen aan de kas van de Staten-Generaal in procenten.

Bron 7. Het ambt van raadspensionaris. Hier afgebeeld Johan de Witt. Hij vervulde de functie van 1653 tot en met 1672.
Bron 8. De functie van stadhouder zou in handen zijn van de Oranjes. Hier afgebeeld Maurits van Oranje.

Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


3. Prins- of staatsgezind

Leerdoelen
  • Kent het verschil tussen prins- en staatsgezinden.
  • Kan 2 voorbeelden geven van perioden waarin deze twee groepen tegenover elkaar kwamen te staan.

De macht in de Republiek was niet in handen van één persoon, zoals bijvoorbeeld in Frankrijk of Spanje. Maar de stadhouder en de raadspensionaris benaderden de rol van een centraal machtsfiguur nog het dichtst. Toch hadden deze twee machtige figuren vaak tegengestelde belangen van een verschillende achterban. De raadspensionaris werd gesteund door de staatsgezinden. Zij wilden voornamelijk dat de belangen van de regenten behartigd werden en met name die van de rijke kooplieden uit Amsterdam. Het volk steunde de stadhouder door zijn vorstelijke uitstraling, zijn militaire macht en successen tijdens de vele oorlogen. De politieke geschiedenis van de Republiek was dan ook vooral een van strijd tussen raadspensionarissen en stadhouders. Aanvankelijk waren de Oranjes daarbij in het voordeel.

De zonen van Willem van Oranje stonden bekend als bekwame legeraanvoerders en strategen. Zij boekten overwinningen tegen Filips II en konden daardoor hun machtspositie bevestigen. De Oranjes streefden bovendien naar vorstelijk allure. Het streven van beide prinsen van Oranje naar koninklijke aanzien bleek onder meer uit de bouw van grote paleizen en het aangaan van huwelijken met buitenlandse vrouwen uit belangrijke adellijke families en koningshuizen. De staatsgezinde tegenstanders werd tijdens dit streven naar aanzien monddood gemaakt. Raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt moest het zelfs bekopen met de dood in 1619. Het aanzien van de Oranjes zou in tijden van oorlog groot zijn, omdat hun machtsfunctie verbonden was met oorlogsvoering. In 1650 nam stadhouder Willem II te veel risico. Hij viel Amsterdam aan, om zo de macht van het gewest Holland met zijn regenten terug te dringen. Toen Willem in datzelfde jaar overleed besloten de gewesten geen stadhouder te benoemen, omdat zij vonden dat Willem II zich tegen de Republiek had gekeerd. Die mening werd gedeeld door een gedeelte van de bevolking; vooral onder diegenen die de directe gevolgen van Willems oorlogsvoering hadden gevoeld. De perioden dat er geen stadhouder werd benoemd, staan bekend als de stadhouderloze tijdperken.

In perioden van vrede genoten de raadpensionarissen het meeste aanzien. Drie jaar na de dood van Willem II werd de positie van de staatsgezinden en de raadpensionaris nog verder versterkt toen Johan de Witt deze functie ging bekleden. De Witt was een overtuigde aanhanger van de republikeinse staatsvorm. Had was deze staatsvorm die de burgers beschermde tegen machtsmisbruik van koningen en prinsen aldus De Witt. Zijn beleid was erop gericht de vrede te bewaren. Al lukte dat niet altijd. Johan de Witt was zo aanwezig in de politiek dat veel buitenlandse diplomaten hem als het hoofd zagen van de Republiek. In 1670 kregen de staatsgezinden hun zin en werd het stadhouderschap afgeschaft. De prinsgezinden namen hier geen genoegen mee. Zij vonden dat in tijden van oorlog alleen een stadhouder – en dit werd voornamelijk door de Oranjes zelf benadrukt – over de kennis beschikte om een oorlog te winnen. De Witt drong aan op maatregelen om de landsverdediging te versterken. Dat zou een toename beteken in het verdedigingsbudget. Amsterdam weigerde meer te gaan betalen. De bom barstte in 1672 toen Franse, Engelse en twee Duitse legers de Republiek aanvielen. Het gewest Holland stemde in om de jonge prins Willem III te benoemen als nieuwe stadhouder.  Toch werd Johan de Witt door de bevolking gezien als de veroorzaker van de situatie waarin de Republiek terecht was gekomen. Samen met zijn broer werd hij in het nauw gedreven door woedende burgers. Vlak bij het Binnenhof in Den Haag werden de gebroeders De Witt op gruwelijke wijze vermoord. Daarentegen wist Willem III de Republiek van de ondergang te redden, door slim gebruik te maken van het leger. Hierdoor brak een nieuwe periode van macht aan voor de Oranjes en de prinsgezinden.

Bron 11. De Franse koning Lodewijk XIV trekt bij het tolhuis de Rijn over op 12 juni 1672. Lodewijk zittend op het witte paard.
Bron 9. Een knielende raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt die zich klaarmaakte voor zijn onthoofding. Het conflict tussen de bejaarde raadspensionaris en stadhouder Maurits van Oranje zou uiteindelijk gewonnen worden door Maurits.
Bron 10. De gebroeders De Witt werden in 1672 in Den Haag bruut om het leven gebracht. De dood van raadspensionaris Johan (Joan) de Witt zou een nieuwe periode inluiden voor de stadhouders.

Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Bron A. Dijken kregen last van paalrot. Hierdoor werden de houten palen die de dijken bij elkaar moesten houden broos en zouden de dijken uiteindelijk doorbreken.
Bron B. Bischop van Munster wil het katholicisme herstellen in Nederland. Hiervoor brengt hij een leger te been, die de Nederlanden zou aanvallen.
Bron C. Banken gingen failliet doordat de specerijenhandel kromp en hierdoor het aantal handelaren dat zaken deed bij de bank ook afnamen.
Bron D. Massale sterfte onder de koeien.
Bron E. Verschillende oorlogen met Engeland, hielden de Nederlandse vloot bezig. De Republiek en Engeland hadden vaak ruzie over economische zaken en gebiedsuitbreidingen.
Bron F. Lodewijk XIV, de koning van Frankrijk wil zijn macht in Europa uitbreiden.
Bron G. Krantenbericht over een verbond tussen de Republiek en Engeland om toekomstige ruzies te voorkomen.
Bron H. Investeringen in leger werden niet meer gedaan. Men ging investeren in gebouwen en andere projecten waarmee aanzien verkregen kon worden.
Bron I. Nederland was de grootste specerijenhandelaar van Europa. Een handel waar veel concurrentie was.
Bron J. De lijken van de gebroeders de Witt, nadat zij om zijn gebracht door een woedende menigte.
Bron K. De Engelse vloot is de sterkste ter wereld, nadat ze dit overnamen van de Nederlanders.

4. De Gouden Eeuw

Leerdoelen

Klik op de video om de leertekst te beluisteren.

  • Kan uitleggen waardoor de economie tijdens de Gouden Eeuw opbloeide.
  • Kan uitleggen dat het inpolderen van gebieden voor economische groei zorgde.
  • Kan uitleggen dat specialisatie voor economische groei zorgde.
  • Kan uitleggen wat een stapelmarkt is en waarom die past bij het handelskapitalisme.
  • Kent het verschil tussen de VOC en de WIC.
  • Kan uitleggen dat de benaming Gouden Eeuw ook van toepassing is op de wetenschap, de schilderkunst en de literatuur.
  • Kan uitleggen dat de welvaart in de Republiek niet eerlijk was verdeeld (verdiepingsstof).
  • Kan uitleggen waardoor de Republiek zijn bijzondere positie in de wereld verloor (verdiepingsstof).

Bron 12. Kaas kreeg een belangrijke positie in de economie van de Republiek. Door specialisatie gingen veel boeren zich richten op de veeteelt. Goedkope producten werden gehaald uit het buitenland. Nederlandse kazen werden verkocht aan het buitenland. De grote wielen Hollandse kaas werden door deze levendige handel wereldberoemd. Zelfs zo beroemd dat schilders ze gingen gebruiken in hun werken als statussymbool.

De zeventiende eeuw noemen we in Nederland de Gouden Eeuw. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden beleefde toen een grote bloei onder andere in de economie, wetenschap, literatuur en de schilderkunst. De Republiek ontwikkelde zich van Europees buitenbeentje naar één van de meest welvarende staten in Europa. Daarom vroegen veel buitenlanders zich in die tijd af: ‘hoe was dat mogelijk’? Hier zijn een aantal economische oorzaken voor de te geven.

Allereerst vonden er in de landbouw grote veranderingen plaats. De inwoners van de Nederlanden pompten meren en moerassen leeg met behulp van molens. Zij begonnen deze gebieden in te polderen. De nieuwgewonnen gronden werden gebruikt als akkers. Deze akkers zouden beter bemest worden, met als gevolg een grotere landbouwopbrengst. Boeren specialiseerden zich, dat wil zeggen dat zij alleen producten gingen verbouwen of telen waarvoor de grond geschikt is. De boeren in Holland gingen zich specialiseren in veeteelt, waardoor de productie van kaas en boter sterk toenam. In Europa was een grote vraag naar dit soort producten. Deze specialisatie leverde veel geld op. De producten die niet meer verbouwd werden, haalde men uit andere landen. Een bekend voorbeeld hiervan is de moedernegotie, oftewel de graanhandel met de landen rond het Oostzeegebied.

Als tweede oorzaak is de groei van Amsterdam als oorzaak aan te wijzen. Na de val van Antwerpen in 1585 werd Amsterdam de grootste handelsstad van de Nederlanden en zelfs van Europa. Het werd een stapelmarkt. In de pakhuizen van de stad werden goederen verzameld en opgeslagen. De handelaren in Amsterdam wachten net zolang tot de prijzen van die goederen stegen. Pas als de prijs hoog genoeg was, verkochten de handelaren hun goederen om zo gigantisch veel winst te maken. Dat was het begin van het handelskapitalisme.

De Republiek beheerste de handel in exotische producten. Dit vormde de derde reden voor de grote economische welvaart. In 1602 werd de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) opgericht. Deze handelsonderneming verdreef de Engelse, Portugese, Spaanse en Franse kooplieden uit veel gebieden in Azië. De onderneming was hier zo succesvol in, dat het de Nederlandse monopolie op de Aziatische handel kreeg van de Staten-Generaal. Wilde een handelaar schepen naar Azië toe sturen, dan moest hij zich eerst aansluiten bij de VOC. Voor de handel op Amerika en Afrika werd in 1621 de West-Indische Compagnie (WIC) opgericht. Vanuit Afrika werden Afrikaanse slaven vervoerd naar Zuid-Amerika. Deze slaven waren bedoeld voor het werk op de suikerplantages en later de koffie, thee en tabaksplantages. Daarnaast verdiende de WIC haar geld met de bonthandel in Noord-Amerika en de jacht op Spaanse schepen (kaapvaart), om vervolgens deze buitgemaakte goederen tezamen met de koloniale producten mee terug te nemen naar de Nederlanden. De handel van de WIC tussen de drie continenten werd wel de driehoekshandel genoemd.

Dankzij de enorme landbouwproductie en handel in de Republiek ontstond een bloeiende nijverheid. Deze nijverheid werd bovendien gezien als laatste economische reden van waaruit die welvaart in de Nederlanden verklaard. Voor de landbouwproductie waren landbouwwerktuigen nodig. Deze werden geproduceerd door handwerklieden. Diezelfde handwerklieden waren druk bezig met het maken van schepen. Voor de handel waren immers koopvaardij- en oorlogsschepen nodig. Veel van de Aziatische en Amerikaanse producten zouden naar Amsterdam worden verscheept. Hier werden deze producten bewerkt. Koffie werd gebrand; suiker werd geraffineerd of verwerkt tot alcohol en van Amerikaans en Chinees katoen werden goedkope stoffen gemaakt. De Hollandse textiel werd verkocht aan het buitenland; vooral in Duitsland was de vraag naar deze stoffen groot. Ook op het gebied van de wetenschap, literatuur en schilderkunst maakte de Republiek een bloeiperiode door (zie bronnen 13 t/m 15).

Bron 13. De wetenschap bloeide op in de Republiek. Wetenschappers konden in relatieve vrijheid experimenten doen of wetenschappelijke ideeën publiceren, zonder dat zij bang hoefden te zijn dat ze opgepakt zouden worden door de katholieke kerk of door de koning. Eén van die wetenschappers was Hugo de Groot (afbeelding). Hij publiceerde een belangrijk werk: Het recht van oorlog en vrede (1625). Hierin beschreef hij de rechten en plichten van staten. Hoe hoorden zij zich te gedragen ten opzichte van elkaar? Moet elk conflict worden opgelost door een oorlog? Hij was voor overleg tussen landen. Hugo de Groot wordt ook wel eens de vader van de wereldvrede genoemd. Ook andere Nederlandse wetenschappers uit de Gouden Eeuw zijn bekend. Bijvoorbeeld Antonie Leeuwenhoek, de uitvinder van de microscoop.
Bron 14. De ´Nachtwacht´ van Rembrandt is het beroemdste schilderij uit de Gouden Eeuw. Ook andere Nederlandse schilders werden beroemd door de realistische manier waarop zij personen, dieren, voedsel en andere voorwerpen afbeelden. In elke stad was wel een beroemde schilder te vinden. De oorzaak daarvoor is terug te leiden naar de economische welvaart. Men had geld om te besteden aan luxe producten, want door de specialisatie was voedsel goedkoop geworden. Twee groepen die vooral schilderijen bestelden waren de regenten en een tweede grotere groep, die van rijke ambachtslieden en winkeliers.
Bron 15. Op het gebied van literatuur werd er ook veel gepubliceerd. Dankzij de drukpers werd het goedkoper boeken uit te geven en daarnaast kon je in de Republiek publiceren zonder bang te hoeven zijn dat jouw werk gecensureerd werd. Vooral in de eerste helft van de zeventiende eeuw publiceerde bekende schrijvers als Pieter Cornelisz Hooft, Jacob Cats en Joost van den Vondel belangrijke werken op het gebied van opvoeding, geschiedenis maar ook verhalen op plezier aan te beleven oftewel romans. Ook buitenlanders kwamen naar de Republiek toe om hun boeken te laten publiceren. Vooral auteurs uit Frankrijk en Spanje, waar veel gecensureerd werd, besloten hun ´illegale´ teksten in een land uit te geven waar dit mogelijk was.
Oneerlijke welvaart en neergang?

De welvaart in de Republiek was oneerlijk verdeeld, want niet iedereen profiteerde ervan. Veel boeren in Oost- en Zuid-Nederland leefden vaak in grote armoede. De welvaart gold vooral voor de regenten en de gegoede burgerij (kleinere handelaren en kooplieden). Deze verschillen zijn ook vandaag de dag nog steeds terug te vinden in steden als Amsterdam, Delft, Leiden en Groningen. In deze steden zie je vaak nog grote en rijkversierde pakhuizen van de handelaren met daarachter kleinere woningen waarin de kleine handwerklieden en arbeiders woonden.

De Republiek was de welvarendste staat van Europa in de zeventiende eeuw. Toch werd het snel ingehaald door Frankrijk en Engeland. Wil dat zeggen dat de Republiek minder welvarend werd? Nee, de Republiek bleef nog steeds één van de welvarendste landen van Europa. Alleen Engeland en Frankrijk gingen zelf steeds meer handeldrijven, daardoor leek het alsof de Republiek er op achteruit ging. Enerzijds werden er minder producten naar Engeland en Frankrijk verscheept en nam de werkeloosheid in de Republiek toe aan het einde van de zeventiende eeuw. Anderzijds investeerde de rijke elite nog steeds in handelsondernemingen, grootgrondbezit en gebouwen. Kunnen we dan wel van een neergang spreken?

Bron 16. In de Republiek ontstond tijdens de Gouden Eeuw een burgercultuur. Hierin stond niet een vorst of de adel centraal, maar de gewone burger. Het stadhuis van Amsterdam is een goed voorbeeld van die cultuur. Het was in de Gouden Eeuw een plek waar men samen Amsterdam bestuurde, zonder inmenging van een koning. Ook werden in de Gouden Eeuw veel bibliotheken aangelegd. Kennis moest eerlijk worden verdeeld onder de burgers en niet alleen weggelegd zijn voor diegenen van bijvoorbeeld adellijke komaf.

Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


5. De staat, dat ben ik

Leerdoelen
  • Kan uitleggen wat absolutisme is.
  • Kan uitleggen waarom Lodewijk XIV streefde naar absolutisme.
  • Kent 4 verschillende gebieden, met bijpassend voorbeeld, waarin het absolutisme van Lodewijk XIV was te herkennen.
  • Kent 2 andere Europese vorsten die streefden naar absolutisme en hier in slaagden (verdiepingsstof).
  • Kent een Europese vorst die ook streefde naar absolutisme, maar daar niet in slaagde (verdiepingsstof).
  • Kent het verschil tussen een hof- en burgercultuur (verdiepingsstof).

Bron 17. Lodewijk XIV van Frankrijk. Hij werd de Zonnekoning genoemd, omdat hij alles om hem liet draaien. De koning stond centraal. Niemand mocht tegen hem ingaan. Hij had absolute macht. Dit schilderij liet hij ophangen in de troonzaal van zijn paleis in Versailles (vlak bij Parijs). Lodewijks onderdanen moesten vaak lang wachten in die zaal. Hij liet het schilderij zo ophangen dat zijn voeten op ooghoogte hingen. Daarmee liet hij duidelijk de plaats van zijn onderdanen zien: ‘aan zijn voeten’. Een bekende uitspraak van Lodewijk was dan ook: ‘De staat, dat ben ik’.

In 1648-1653 kwamen de Franse edelen in opstand. Zij wilden af van de 9-jarige Lodewijk XIV, die toen koning was van Frankrijk. In de ogen van de adel was het Franse koningshuis zwak, aangezien Lodewijk maar een marionet was. De echte macht lag bij zijn moeder en kardinaal Mazarin, de adviseur van de koning. Met geweld probeerde de adel Lodewijk van de troon te stoten. Daarom was dit een angstige periode voor de jonge vorst. Lodewijk XIV zou het de adel nooit vergeven.

De opstand tegen Lodewijk liet zien dat de koning niet almachtig was in de 17e eeuw. Hij moest constant in overleg met de Staten-Generaal. In dit overlegorgaan waren immers alle drie standen vertegenwoordigd. Vooral de adel kon macht uitoefenen via de Staten-Generaal. Aan het begin van de zeventiende eeuw kregen Franse koningen er genoeg van steeds te moeten overleggen. Zij streefden naar uitbreiding van hun macht. Bovendien wilden zij zelf regeren vanuit een centraal punt. Vanaf 1614 zou de Staten-Generaal niet meer bij elkaar worden geroepen. Dat was het begin van een periode van toenemende koninklijke macht. Een politiek die zij tot 1789 volhielden. Om de adel verder buitenspel te zetten, liet Lodewijk ambtenaren aanstellen die voor hem werkten en gaf hen baantjes die voorheen altijd waren weggelegd voor de adel. In 1661, na de dood van Mazarin, kreeg Lodewijk de touwtjes volledig in handen. Hij breidde zijn centralisatie nog meer uit. De vorst besloot ook dat het parlement van Parijs geen invloed meer mocht hebben. Hierdoor kon hij het volk zijn wil opleggen, zonder dat hij tegenspraak kreeg. Dat noemen we absolutisme. Op vier verschillende gebieden was het absolutisme te herkennen: politiek, militair, economisch en religieus.

Op politiek gebied kon de koning alle beslissingen zelf nemen. Hij duldde dan ook geen tegenspraak. Het was de koning die de ambtenaren benoemde die vervolgens rechtstreeks verslag aan hem uitbrachten. Het was de vorst die nieuwe wetten verzon en doorvoerde. Om de hervormingen in de juiste banen te leiden, moest er geen tegenspraak zijn van edelen of het volk. Lodewijk XIV liet daarom censuur invoeren. De staat bepaalde wat en op welke manier er gedacht of geschreven werd. Hierdoor werd het openlijk kritiek leveren op de vorst gevaarlijk. Om het risico te vermeiden, drukten critici pamfletten, vaak anoniem, met daarin hun kritiek.

Op militair gebied besloot de koning een groot staand (permanent) leger van beroepsmilitairen op te bouwen. De rangen in het leger werden verdeeld naar capaciteiten. Vriendjespolitiek was er niet meer bij. De soldaten werden goed getraind en kregen een behoorlijk loon. Hierdoor waren de soldaten loyaal aan Lodewijk XIV. Het gevolg was dat deze loyaliteit de tegenstanders van Lodewijk angst aanjaagde.

Aan het absolutisme zat ook een economische kant. De Franse minister van financiën Jean-Baptiste Colbert moest de economie zo inrichten dat Lodewijks oorlogen konden worden bekostigd. Hiervoor bedacht hij het mercantilisme. Colbert beredeneerde dat de rijkdom van het ene land ten koste ging van die van een ander land, dus was het aan Frankrijk de taak om andere landen economisch voor te blijven. Colbert stimuleerde het verkopen van Franse producten naar het buitenland (export). Daarentegen ontmoedigde hij het kopen van buitenlandse producten (import); want over goederen uit het buitenland moest gigantisch hoge belastingen worden betaald. Als Fransen dan toch importeerden, dan verdiende de staat hier geld aan. Toch was het voornaamste doel dat de Franse bevolking alleen Franse producten kocht.

Lodewijk was zelf katholiek. Hij wilde dan ook dat katholieken voorrang kregen op protestanten. In de zestiende eeuw hadden Franse hugenoten (protestanten) vrijheid gekregen om hun geloof uit te oefenen door het Edict van Nantes. Dit edict werd ongeldig verklaard. Vanaf nu tolereerde Lodewijk XIV alleen nog maar het katholicisme. Religie was voor de koning om nog een andere reden belangrijk. Het geloof werd gebruikt om het absolutisme te rechtvaardigen. De absolute macht van de Franse koning werd uitgewerkt door Jacques Bossuet (1627-1704). Bossuet gebruikte de Bijbel om te beargumenteren dat de koning de plaatsvervanger van God op aarde was. De koning had het droit divin (goddelijk recht). Omdat zijn macht van God afkomstig was, hoefde de koning zijn daden en handelingen aan niemand te verantwoorden behalve God. Dankzij deze redenatie stond Lodewijk XVI boven de wet. Zijn wil was wet. Doordat alles om Lodewijk draaide, vergeleek hij zichzelf met de zon, aangezien ook de planeten om de zon draaien. De Franse vorst Lodewijk XIV werd dan ook de Zonnekoning genoemd.

Bron 18. Het paleis in Versailles moest de absolute macht van de koning uitstralen: groots, indrukwekkend en je kan er niet omheen. Het paleis werd betaald met belastingen geheven onder Lodewijks onderdanen. De door Lodewijk gehate Franse adel moest hem van tijd tot tijd komen opzoeken. Kwam een edelman niet opdagen? Dan kon hij zijn verdere politieke loopbaan en bezittingen wel vergeten. Zo kon Lodewijk de adel goed in de gaten houden en een eventuele opstand van de edelen voorkomen.
Bron 19. Lodewijk XIV was een liefhebber van het ballet. Vele toneelstukken en balletvoorstellingen zijn voor hem geschreven, met als doel opgedragen te worden aan het hof. Die voorstellingen waren dan ook onderdeel van de hofcultuur. Hierin draaide alles om het hofleven met de koning als middelpunt.
Bron 20. Verhoudingen aan het einde van de 17e eeuw.
Absolutisme in de rest van Europa

Buiten Frankrijk ondernamen vorsten ook pogingen om absolute macht te verkrijgen. De manier waarop dat gebeurde verschilde per land. Rusland ontwikkelde zich in de zeventiende eeuw tot een absolute monarchie onder de Russische tsaar. Van 1613 tot 1917 zwaaiden de Romanovs de scepter. In deze periode beperkten de tsaren de zeggenschap van de adel, geestelijkheid en het volk. Het waren de Romanovs die nu alle alle belangrijke functies benoemden. Daarbovenop werkten de tsaren samen met de geestelijkheid om de bevolking te onderdrukken; vergrote het leger en liet een geheime politie aanstellen om de bevolking te controleren en kritische burgers op te pakken.

Een soortgelijke ontwikkeling vond plaats in Pruisen, een van de grootste staten in het Duitse Rijk. De Pruisische vorst Frederik Willem moderniseerde het leger, waarin capaciteiten belangrijker werd dan afkomst. Frederik Willem zag zichzelf als dienaar van de staat. Alleen hij wist wat goed was voor de staat. Onder zijn zoon Frederik Willem I – die de bijnaam Soldatenkoning kreeg – groeide het Pruisische leger uit tot het modernste en sterkste van Europa.

Niet elke poging was een succesverhaal. In het vorige hoofdstuk heb je kunnen lezen over het centralisatiebeleid van Filips II. Dit had evenzeer het doel gehad absolute macht te krijgen. Filips slaagde er niet in. Ook in Engeland mislukte de vestiging van het absoluut koningschap. In 1215 had de Engelse koning Jan zonder Land het Magna Carta moeten tekenen. Een verdrag waarin stond dat de koning niet zonder goedkeuring van de adel en de burgerij het leger bijeen mocht roepen of belasting mocht heffen. De Engelse koning Karel I probeerde dat toch, met een burgeroorlog (1642-1649) als gevolg. De strijd eindigde met de onthoofding van koning Karel I.

Bron 21. Peter de Grote van het Romanov koningshuis. Hij maakte van Rusland een absolute monarchie, waarover hij als tsaar (koning) regeerde.
Bron 22. Frederik Willem I van Pruisen. Hij werd de soldatenkoning genoemd, omdat hij één van de best getrainde legers had van Europa. Dit leger zorgde voor trouw onder de edelen, aangezien zij baantjes wilden in het leger. Het boezemde angst in bij zijn vijanden en onder opstandige leden van Frederiks bevolking.

Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Bron A. Eén van de vele zalen van het paleis te Versailles. In opdracht van Lodewijk XIV werden de zalen gevuld met goud, schilderijen en beelden. In veel van de schilderijen zit een beeltenis van Lodewijk XIV verwerkt.
Bron B. Een schilderij met daarop het stadhuis van Amsterdam (1670). De architect die het gebouw heeft ontworpen, wilde dat het stadhuis de macht en de rijkdom van Amsterdam zou weerspiegelen.
Bron C. Filips III van Spanje. Filips III was de opvolger van Filips II. Hij zette zijn vaders politieke streven naar centralisatie voort.
Bron D. Adolf en Catharina Croeser aan de Oude Delft, bekend als ‘De burgemeester van Delft en zijn dochter'

Deze opdracht kan je alleen maken als je ingelogd bent.


Login om aantekeningen te kunnen maken
  Subscribe  
Abonneren op