Deus Vult: van stad tot kruistocht

Hoofdvragen

Hoe ontstond er weer een landbouwstedelijke samenleving waarin op korte en lange afstand gehandeld werd?

Hoe groeiden dorpen uit tot zelfstandige steden met stadsrechten en een welvarende burgerij?

Wat waren de oorzaken voor en gevolgen van de groeiende macht van de Kerk in West-Europa?

Waardoor werden sommige vorsten in Europa steeds machtiger en anderen juist minder machtig en hoe probeerden zij die macht vast te houden?

Wat waren de oorzaken en de gevolgen van de kruistochten?

Op 13 augustus 1415 landde koning Hendrik V van Engeland met een leger van 8000 boogschutters en 2000 man cavalerie bij het Franse plaatsje Harfleur. De Engelse koning wilde de Fransen zo snel mogelijk verslaan, om zo Frankrijk op te eisen als zijn eigendom. Maar terwijl Hendrik met zijn manschappen optrok naar de stad Calais, stuitte hij in de bossen van Azincourt op het Franse leger. Deze legermacht was maar liefst twee keer zo groot als dat van Hendrik! De Engelse koning zag in dat hij slim moest zijn, om niet te verliezen van de 20.000 Franse soldaten. Maar het zat de Engelsen niet mee. In de nacht van 24 augustus regende het zo stevig, dat de soldaten de hemel beschreven ‘als in duisternis gehuld’.

De Fransen keken minachtend uit op de hongerige Engelse soldaten, die door de regen geen warme maaltijd hadden kunnen bereiden. Het was voor hen duidelijk: ‘deze Engelsen maakten geen schijn van kans tegen hun oppermachtige ridders te paard’! Maar koning Hendrik V had gerekend op deze houding. Hij gaf het bevel om zijn speciale troepen aan te laten treden: boogschutters gewapend met de longbow. Met deze bogen werd pijlenregen naar pijlenregen afgevuurd. De zwaar bepantserde Franse ridders probeerden de dodelijke Engelse pijlen te ontwijken door zo snel mogelijk naar de vijand te rijden. Maar de zware tegen van die nacht had het slagveld in een modderpoel veranderd. In blinde paniek sloeg een deel van de Fransen op de vlucht. Na een kort gevecht werd de rest gevangen. Maar de Engelse koning wilde geen gevangen. Hij gaf het bevel: ‘dood de gevangenen’. Oorlog was veranderd in slachting, in een tijd waarin Engelsen en Fransen meer dan honderd jaar met elkaar in oorlog waren: de tijd van steden en staten.

Kenmerkende aspecten
  • 13. De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving.
  • 14. De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden.
  • 15. Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de geestelijke macht het primaat behoorde te hebben.
  • 16. de expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de vorm van de kruistochten.
  • 17. Het begin van staatsvorming en centralisatie.

Bron 1. De middeleeuwse stad Carcassonne in Zuid-Frankrijk is tegenwoordig één van de drukst bezochte toeristische plaatsen Frankrijk. Het is niet moeilijk in te beelden waarom. De stad is zo goed bewaard gebleven, dat toeristen het gevoel hebben weer even terug te zijn in de middeleeuwen.

1. Van landbouw tot stad

  • Kent 2 oorzaken voor de groeiende landbouw in de middeleeuwen en 2 gevolgen van die groei.
  • Kan aangeven dat de toegenomen landbouw leidde tot verstedelijking.
  • Kan aangeven dat de vroegmiddeleeuwse autarkische economie zich ontwikkelde naar een geldeconomie in de late middeleeuwen.
  • Kan aangeven wat een gilde is en welke rol deze speelde in het dagelijks leven van de middeleeuwers.
  • Kan aangeven wat de Hanze was; welke 3 redenen steden en handelaren hadden om deel uit te maken van de Hanze en dat deze Hanze bijdroeg aan het laten groeien van de internationale handel.
  • Kent 2 ontwikkelingen op klimatologisch en politiek gebied die hebben geleid tot de groei van handel in Europa (verdiepingsstof).
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
Leerdoelen
  • Kent 2 oorzaken voor de groeiende landbouw in de middeleeuwen en 2 gevolgen van die groei.
  • Kan aangeven dat de toegenomen landbouw leidde tot verstedelijking.
  • Kan aangeven dat de vroegmiddeleeuwse autarkische economie zich ontwikkelde naar een geldeconomie in de late middeleeuwen.
  • Kan aangeven wat een gilde is en welke rol deze speelde in het dagelijks leven van de middeleeuwers.
  • Kan aangeven wat de Hanze was; welke 3 redenen steden en handelaren hadden om deel uit te maken van de Hanze en dat deze Hanze bijdroeg aan het laten groeien van de internationale handel.
  • Kent 2 ontwikkelingen op klimatologisch en politiek gebied die hebben geleid tot de groei van handel in Europa (verdiepingsstof).
Extra uitleg
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.

In het jaar 1000 was Dirk III graaf van West-Frisia, het latere Holland. De graaf kreeg te maken met voedseltekorten in zijn gebied. Om dat op te lossen, wilde hij dat de boeren in zijn domein meer grond gingen gebruiken voor de landbouw. Maar het gebied was moerasachtig en te vochtig om te bewerken. Daarom liet Dirk III sloten graven. Het water uit de moerasachtige grond liep hier dan in, waardoor de grond droogde en tot landbouwgrond omgeploegd werd. Het aanleggen van sloten om de grond gereed te maken voor landbouw was maar een van de vele manieren om grond te ontginnen.

 

Een landbouwstedelijke samenleving

Bron 2. In de marktsteden ontstonden ook specialistische markten waar bijvoorbeeld alleen laken werd verhandeld. Op andere momenten was dan op dezelfde plek een veemarkt te vinden.

Vanaf de tiende eeuw bracht de landbouw in Europa steeds meer op. Daar zijn twee oorzaken voor te geven.

  • Allereerst kwam het in West-Europa steeds vaker voor dat grote stukken gebied werden ontgonnen. Boeren legden moerassen droog en kapten bossen.
  • Ook werden nieuwe landbouwtechnieken uitgevonden. Zo werd een andere ploeg gebruikt, waarmee de grond dieper omgewoeld kon worden. Daarnaast werd mest gemengd met die vers omgewoelde grond. Zo werd de akker nog vruchtbaarder.

Een direct gevolg van deze twee veranderingen was een enorme bevolkingsstijging. Want met meer voedsel leefden mensen gezonder en daardoor langer. Tussen 1000 en 1300 verdubbelde het aantal inwoners van Europa. Toch had de toegenomen productie van landbouwgewassen niet alleen gevolgen voor de bevolkingsgroei. Ook de handel groeide. Als boeren een landbouwoverschot hadden, brachten ze dit naar een markt. Dit waren geen permanente markten, maar kwamen eens in de zoveel tijd bij elkaar. Zo werd in de Champagnestreek in Oost-Frankrijk een jaarmarkt gehouden. Eens per jaar, werd er in dezelfde periode voor dertig dagen een markt georganiseerd. Daardoor konden handelaren hier rekening mee houden.

Een indirect gevolg van de groeiende landbouwproductie was een toenemende nijverheid. Het aantal bewoners op het platteland steeg zo rap, dat niet iedereen meer nodig was op de akkers. Dat deel van de boeren moest op zoek naar ander werk. Velen gingen ambachtelijke producten produceren zoals: lakens, meubels of specialiseerden zich in het bakken van brood. Zij werden ambachtslieden genoemd.

Steeds meer ambachtslieden en handelaren gingen bij een markt wonen. Zo ontstonden kleine nederzettingen rondom markten die regelmatig gehouden werden. Sommigen zouden zelfs uitgroeien tot steden. Dat gebeurde bijvoorbeeld in ’s-Hertogenbosch, in het noorden van het hertogdom Brabant. Doordat de rijkdom van die markt ook rovers aantrok, besloot de hertog van die marktplaats een versterkte stad te maken. Muren van aarde en hout – en later steen – werden aangelegd om het gebied met zijn markt beter te beschermen. Aangezien de aanleg bekostigd moest worden, moesten handelaren in Brabant tol betalen; om gebruik te maken van de rivieren, bruggen en wegen die naar de stad leidden. Woonde je in de stad, dan hoefde je deze tol niet te betalen. Daardoor zouden vele handelaren en ambachtslieden er uiteindelijk voor kiezen om in ’s-Hertogenbosch te wonen.

Dankzij de sterk groeiende economie ontstond in Europa weer een landbouwstedelijke samenleving net als in de Oudheid. Maar in tegenstelling tot de grote Romeinse steden, ontstonden er ook steeds vaker kleinere steden. De groei van steden verschilde per gebied. In Noord-Italië ging deze verstedelijking het snelst.

 

Geld, vraag en aanbod

Op de markt werden verschillende producten aangeboden door handelaren, dat noemen we aanbod. Over de prijs kon worden onderhandeld. Hoe meer mensen een product wilden kopen – dat vraag wordt genoemd – hoe hoger ook de prijs. Het geld dat handelaren overhielden naar inkoop en verkoop van producten werd winst genoemd. In dezelfde periode zien historici ook dat geld weer gebruikt gaat worden. Niet elke handelaar was geïnteresseerd in ruilhandel; vandaar dat zij munten gingen gebruiken. Vaak waren deze munten van goud of zilver gemaakt.

Doordat elke stad, edelman, koning of bisschop een eigen munt had, verschilde de waarde van deze munten nogal eens. In elke stad was daarom op de markt een geldwisselaar te vinden. Bij hem kon je ‘vreemde’ munten voor de plaatselijke punt wisselen. Sommige van deze wisselaars gingen ook geld uitlenen en bewaren. Ze werden een bank. Een bank deed dat voor een vergoeding: rente. Maar de Kerk vond dat niet goed, want je ‘mocht niet misbruik maken van je medechristenen’. Daarom waren veel bankiers joods. Joden hoefden namelijk niet te luisteren naar de regels van de Kerk.

Reizen met veel geld op zak was gevaarlijk. Daarop bedachten Italiaanse handelaren een systeem om te betalen zonder munten. In samenwerking met banken werden wisselbrieven uitgegeven. Op zo’n brief stond een bedrag dat een koper aan de verkoper nog moest betalen. Zo kon de betaling op een ander moment, op een andere plaats worden gedaan. Deze brieven konden niet gestolen worden, omdat brieven zonder handtekening niets waard waren. In het verlengde daarvan ontstond er een ander betaalsysteem: giro. De bank hield bij hoeveel geld iemand had. Dit werd in een speciaal boek opgeschreven: een rekening. Zo kon iemand geld laten bijschrijven op de rekening van iemand anders.

Bron 3. Een middeleeuwse wapensmid had ook de taak harnassen te maken. Hier zie je de meester aan het werk. Zijn twee leerlingen smeden het hete metaal met hun hamers.
Bron 4. Kaart met daarop de Hanzesteden en handelsroutes door Noord-Europa.
Samenwerken in gildes om internationaal te handelen

In steden als ’s-Hertogenbosch gingen ambachtslieden samenwerken in verenigingen van mensen met hetzelfde beroep: een gilde. Met strenge regels voor leden bewaakten ze de kwaliteit van de productie. Gilden bepaalden hoelang een werkdag duurde, maar ook de kwaliteit en prijs van een product. Deze beroepsverenigingen bewaakten de belangen van hun ambachtslieden. Een ambachtsman uit een andere stad mocht dan ook niet zomaar in een andere stad gaan wonen en daar produceren en verkopen wat hij wilde. Hij moest dan eerst lid worden van de bijbehorende gilde. Maar lid worden was niet makkelijk. Vaak werd je van jongs af aan al opgeleid. Je leerde het ambacht van een meester, want alleen door meester te zijn mocht je een eigen bedrijf bezitten. Een leerling was pas klaar om meester te zijn na een proef van bekwaamheid. Deze zogenaamde meesterproef bij een smidsgilde was het smeden van een rijkversierd zwaard. Wanneer een gilde lid niet meer kon werken, of een meester stierf en zijn vrouw bleef als weduwe achter, dan zorgden de andere leden voor hen. Weduwen mochten vaak het bedrijf van hun man voortzetten onder het toeziend oog van de gilde. Maar zelf een meester worden, was vaak voor vrouwen niet mogelijk.

Goederen die door een gilde werden geproduceerd, werden niet alleen in de eigen stad verkocht maar ook verder weg. Door de groeiende economie ontstond er meer vraag naar verschillende producten. Deze moesten vaak ergens anders vandaan komen. Daarom deden Nederlanders volop mee aan deze internationale handel. Om deze handel makkelijker te maken gingen handelssteden samenwerken in een verbond: de Hanze. Handelaren uit de steden hadden verschillende reden om lid te worden van de Hanze.

  • Allereerst hoefden handelaren uit een Hanzestad geen tol te betalen in een andere Hanzestad.
  • Ten tweede gingen handelaren samen reizen. De Hanze betaalde huursoldaten om deze reizende handelaren te beschermen tegen rovers en piraten.
  • Ook haalden ze vorsten over om de handel van de Hanze te beschermen en geen tol te heffen voor de leden.

Op deze manier ontstond in Noord-Europa een zeer winstgevende handel in graan, zout, textiel, vis en bont. Maar daar bleef het niet bij. Handelaren uit Noord- en Zuid-Europa hadden steeds vaker contact met elkaar. In eerste instantie alleen over land. Maar Italiaanse handelaren voeren in 1291 voor het eerst om Spanje naar Brugge in het huidige België. Deze Italiaanse handelaren brachten wijn, zuidvruchten, zijde en parfum met zich mee. Ook verkochten ze specerijen die ze hadden gekocht in het Midden-Oosten. De schepen voeren niet leeg terug. Voor de terugweg werden ze volgeladen met Noord-Europese producten waaronder laken uit ’s-Hertogenbosch.

Bron 5. Kaart van de Lage Landen rond 1100. Je ziet op de kaart de verschillende hertogdommen en graafschappen, maar ook de groter geworden plassen en zeeën.
Een warm en veilig Europa

In de 11e eeuw werd het klimaat warmer. Zeewater dat opwarmt zet uit, ijskappen begonnen te smelten en daardoor steeg het zeeniveau. In sommige delen van het huidige Nederland leidde dat tot overstromingen en andere problemen. Maar sommige plekken profiteerden ook van deze klimaatverandering. De toegangsrivier naar Brugge – dat tegenwoordig in België ligt – werd dieper en breder. Daarnaast veranderde een meer in Midden-Nederland in de Zuiderzee, het huidige IJsselmeer. Daardoor waren steden als Amsterdam, Kampen, Zwolle en Deventer nu ook toegankelijk vanuit de Noordzee. Schippers konden nu al deze steden bereiken met hun vrachtschepen.

Ook op het land was de klimaatverandering merkbaar. In het Alpengebied steeg de temperatuur. Bergpassen die het hele jaar door dichtgevroren lagen, werden nu toegankelijk door een intredende dooi. Kooplui trokken deze bergpassen door en ontmoetten elkaar in de Champagnestreek in Oost-Frankrijk. Door dit elk jaar weer te doen, ontstonden de eerste internationale jaarmarkten.

Niet alleen door klimaatverandering nam de handel in Europa toe. Ook werd Europa een stuk veiliger. Waar eerst de Vikingen vanuit en Noorden en de Moren vanuit het Zuiden van Europa de handel onveilig maakten, daar werden nu de aanvallen gestaakt. Boeren konden rustig doorwerken, zonder dat ze telkens toevlucht moesten zoeken in de Donjon van hun heer of als soldaat moesten dienen. Maar ook de christelijke vorsten in Europa legden hun wapens neer en bevochten elkaar niet. De pauzen benadrukten dat deze vrede belangrijk was. Daarom organiseerden zij de Godsvredebeweging. De Godsvrede was in eerste instantie een wapenstilstand uit naam van God. Pauzen haalden edelen, bisschoppen en vorsten over om hun conflicten uit te praten in plaats van te vechten. Later werd die boodschap van ‘praten niet vechten’ overgenomen door abten van verschillende kloosters. Zo werd langzaam ook de boodschap verspreid onder het gewone volk. Dankzij deze vrede was men minder bang om handel te verliezen door oorlog.

2. Een stad om trots op te zijn

  • Kan aangeven waardoor in de late middeleeuwen in Europa het aantal steden toenam.
  • Kan aangeven wat stadsrechten zijn; waarom de inwoners van een stad deze kochten en welke 2 redenen een vorst/hoge edelman had om stadsrechten te geven.
  • Kan aangeven dat edelen steeds meer rekening moesten houden met de steden in hun gebied.
  • Kent 2 redenen waarom het wonen in een stad aantrekkelijk was voor horigen.
  • Kent het bestuur van een stad met daarin: burgerij, raad van schepen, schout, burgemeester en vroedschap.
  • Kan aangeven hoe de rechtspraak in een middeleeuwse stad geregeld was.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
Leerdoelen
  • Kan aangeven waardoor in de late middeleeuwen in Europa het aantal steden toenam.
  • Kan aangeven wat stadsrechten zijn; waarom de inwoners van een stad deze kochten en welke 2 redenen een vorst/hoge edelman had om stadsrechten te geven.
  • Kan aangeven dat edelen steeds meer rekening moesten houden met de steden in hun gebied.
  • Kent 2 redenen waarom het wonen in een stad aantrekkelijk was voor horigen.
  • Kent het bestuur van een stad met daarin: burgerij, raad van schepen, schout, burgemeester en vroedschap.
  • Kan aangeven hoe de rechtspraak in een middeleeuwse stad geregeld was.
Extra uitleg
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.
In het filmpje krijg je een overzicht van het onderwerp van deze paragraaf.

In het vorige hoofdstuk bijbels, zwaarden en sikkels heb je kunnen lezen over de werking van een domein. Zo’n gebied werd bestuurd door een belangrijke hoge edelman. Aan het einde van de dertiende eeuw bestond het huidige Nederland, België en Luxemburg uit zeventien domeinen van verschillende groottes: graafschappen, hertogdommen en gewesten. In die tijd was Floris V graaf van Holland en Zeeland. De graaf begreep goed dat zijn gebied alleen welvarend kon zijn en goed kon worden bestuurd als hij dat samen met zijn onderdanen deed. Na het neerslaan van een opstand van boeren in Kennemerland besloot Floris hen dan ook niet hard te straffen. Hij luisterde naar hun onvrede en kwam juist tegemoet aan hun wensen. De boeren vonden dat ze uitgebuit werden door lage edelen uit het gebied. Daarop besloot Floris V de boeren privileges te geven: het recht op een eerlijker rechtspraak.

 

Stedelingen en edelen

Ook de inwoners van de grotere Hollandse plaatsen hield Floris tevreden door hen privileges te geven, zoals het recht om zichzelf te besturen en recht te spreken volgens eigen wetten. Als een plaats zo’n stadsrecht kreeg van een hoge edelman, werd het officieel een stad. De eerste Nederlandse stad met dat soort rechten was Dordrecht in 1220. Ook Amsterdam, Groningen en Leeuwarden kwamen zo aan hun stadsrechten. Floris V was niet de enige edelman of vorst die rechten overdroeg. In de late middeleeuwen (1250-1500) ontstonden in heel Europa steden, doordat ze stadsrechten ontvingen.

Naast de toename van het aantal steden kochten veel steden ook steeds meer van dat soort stadsrechten, zoals het recht om belastingen en tol te heffen, het recht om een eigen munt te slaan en het recht om een eigen stadsmuur te bouwen. Zo’n muur was belangrijk voor de veiligheid van een stad. Vaak zaten hier afsluitbare poorten in waarmee de bevolking beschermd werd tegen struikrovers en oorlogszuchtige edelen. Met hun muren met kantelen, wachttorens, poorten en ophaalbruggen leken middeleeuwse steden op kastelen (bron 6).

Bron 6. De oudste stadspoort van de middeleeuwse Hanzestad Kampen. Voor de poorten stonden bewakers: poortwachters. Zij controleerden vreemdelingen voordat ze de stad in mochten. Daarnaast hielpen de wachters bij het handhaven van de orde.

Bron 7. Op een zomerdag in 1296 ging Floris V op jacht in het Loosrechtse Bos. Hij werd daar opgewacht door een groepje lage edelen die het niet eens waren met zijn beslissingen. Na zijn ontvoering werd Floris V door hen gedood.

Stadsrechten waren niet goedkoop. Soms kostte een recht één enkel gigantisch bedrag en voor andere rechten moest jaarlijks betaald worden. Sommige edelen zagen het ontstaan van een stad als bedreiging, maar de meesten zagen wel het voordeel van het weggeven van stadsrechten. Zij hadden daar twee redenen voor.

  • Zo konden hoge edelen en vorsten met dat geld ambtenaren betalen voor het bestuur van hun land en soldaten voor oorlogen.
  • Daarnaast moesten steden vaak trouw beloven aan de vorst of hoge edelman en hem steunen in zijn oorlogen tegen bijvoorbeeld roofzuchtige lage edelen.

Op die manier kregen vorsten en hoge edelen steeds meer macht, terwijl lage edelen deze verloren.

Op den duur werden steden steeds machtiger. Een edelman deed er dan ook verstandig aan om de steden te vriend te houden. Hij had de stad immers nodig voor inkomsten en militaire steun. In sommige gevallen kwamen steden zelfs in opstand tegen hun vorst. Toen in mei 1301 de Franse koning Filips IV de macht overnam in de Vlaamse stad Brugge, het huidige België, schafte hij de belasting af voor de enkele lage edelen, maar niet voor de ambachtslieden en kooplui. Toen een populaire wever uit Brugge, Pieter Conick, in gesprek met de koning probeerde te gaan, werd hij opgepakt. Toen de koning de belasting nogmaals verhoogde, kwam de stad in 1302 in opstand. Samen met andere steden als Gent namen zij het op tegen het leger van de koning en wonnen! Deze Guldensporenslag, zoals de veldslag werd genoemd, was bijzonder omdat voor het eerst een leger van niet adellijke soldaten, goedgetrainde ridders te paard wist te verslaan.

 

Burgers, bestuur en rechtspraak

Voor veel middeleeuwers was de stad een aantrekkelijke woonplaats. Zij die al in de stad woonden hadden vrijheden die ze onder een heer niet hadden gehad. Vooral voor horigen was verhuizen om twee redenen aantrekkelijk.

  • Horigen die van hun heer naar een stad mochten verhuizen, kregen in plaats van bescherming van de heer juist die van de stad.
  • Daarnaast hoefden ze niet meer herendiensten voor hem te verrichten of oogst af te staan.

Het gevolg was dat steeds meer van het platteland naar de stad toetrokken. Omdat de heren genoeg boeren op hun land wilden houden, verdween de horigheid op veel plaatsen in Europa.

Bron 8. Al sinds de dertiende eeuw nam de bedrijvigheid in Kampen toe. Vissers, ambachtslui en kooplieden werkten vroeger in de stad aan de oevers van de IJssel. Kan jij het raadhuis vinden?

De middeleeuwse steden werden door de burgerij bestuurd. Maar niet elke inwoner was burger. Een man kon in een stad burger worden als hij een jaar en één dag in de stad woonde, een geldbedrag betaalde en een beroep had. Door burger te worden viel je onder de rechten en rechtspraak van de stad. Werd je door een edelman gearresteerd, dan kon je eisen dat je berecht werd in jouw eigen stad! Vrouwen konden niet het burgerschap bezitten. Zij hoorden bij hun vader of man. In de steden hadden rijke en aanzienlijke families vaak de macht. Mannelijke leden uit de familie vormden een raad van schepenen. Deze raad vormde het stadsbestuur en bepaalde de wetten van de stad en zorgden voor orde en rust. Het gebouw waarin de raad vergaderde was het raadhuis. Ook de heer van een gebied kon zijn stem laten horen tijdens zo’n raad. Zijn vertegenwoordiger heette een schout of baljuw. Vanaf de vijftiende eeuw kregen veel steden burgemeesters. Zij waren verantwoordelijk voor het dagelijkse bestuur van de stad voor één of meerdere jaren. Zowel de burgemeester als het stadsbestuur werden gecontroleerd door de vroedschap. Dit was een groep van aanzienlijke burgers, die in het verleden iets speciaals voor de stad hadden gedaan. Had je bijvoorbeeld de aanleg van de kerk betaald, dan mocht je plaatsnemen in dat vroedschap.

In de stad golden wetten. Wie deze overtrad werd gestraft door de schepenen. Op lichte overtredingen stond vaak een boete. Wie een zwaarder misdrijf had begaan, werd op het stadsplein aan een paal gebonden en mochten voor een bepaalde tijd bekogeld worden met rot fruit of stenen. Werd je vastgebonden, dan stond je dus ‘voor paal’. Gevangenisstraf werd vaak niet gegeven. Dat was te duur. Iemand die het verdiende om opgesloten te worden werd ter dood veroordeeld of uit de stad verbannen. Maar het bewijzen van een misdaad was lastig. Daarom werden vermoedelijke misdadigers gemarteld om aan een bekentenis te komen. Zo’n bekentenis werd dan gezien als bewijs. Tegenwoordig is het verboden om een bekentenis te krijgen via marteling; want spreekt de gemartelde de waarheid of geeft hij juist een leugen om de pijn te laten stoppen?

Opdracht 2.5 Video: Utrecht krijgt stadsrechten

Stadsrechten konden veel voordeel opleveren voor groeiende nederzettingen. Maar je kreeg ze als nederzetting niet zomaar. In het ene gebied wilden hoge edelen wel stadsrechten vergeven, maar in andere gebieden niet. Voor sommige steden duurde het dan ook een lange tijd voordat het stadsrechten kreeg. Ook Utrecht moest heel wat doen voor het zover was.

In deze video van Verleden van Utrecht wordt uitgelegd hoe de stadsrechten er uiteindelijk kwamen. Beantwoord de onderstaande 5 vragen die bij de video horen. Gaat de video te snel? Dan kan je op elk gewenst moment even pauzeren of de video terugspoelen.

Verdere invulling wordt aan gewerkt….

 

Literatuur

Palmer, R. R., Colton, J., en Kramer, Loyd. A History of the Modern World. Boston: Mc Graw Hill, 2007.

Riessen, Marcel van. Oriëntatie op geschiedenis: basisboek voor de vakdocent. Assen: Drukkerij Van Gorcum,  2016.

Rosenwein, Barbara H. A short History of the Middle Ages. Toronto: University of Toronto Press; 5e editie, 2018.

Tang, Frank. De middeleeuwen: een kleine geschiedenis. Amsterdam: Prometheus; 2e druk, 2017.

Subscribe
Abonneren op
0 Reacties
Inline Feedbacks
Bekijk alle aantekeningen