- Kan uitleggen waarom oorlogsmisdadigers gestraft worden aan de hand van het Oorlogsrecht.
- Kent het verloop van de Bersiap periode.
- Kan uitleggen waarom Nederland, door die Bersiap periode, de orde in Nederlands-Indië wilde herstellen.
- Kan de propaganda ‘boodschap’ uitleggen die de Nederlandse soldaten meekregen richting Nederlands-Indië.
- Kan de propaganda boodschap verklaren vanuit de Nederlandse overheid en legerleiding.
- Kan uitleggen waarom Nederlandse soldaten grepen naar extreem oorlogsgeweld.
- Kan uitleggen wat een guerrillaoorlog is.
- Kan uitleggen waarom een guerrillaoorlog extreemoorlogsgeweld in de hand speelt.
- Kan uitleggen dat de Nederlandse dienstplichtigen en oorlogsvrijwilligers in Nederlands-Indië te maken kregen met een koloniale traditie van geweld.
- Kan uitleggen waarom de Nederlandse legerleiding het extreem oorlogsgeweld probeerde te verhullen.
- Kan uitleggen waarom de Nederlandse overheid het extreem oorlogsgeweld probeerde te verhullen.
- Kan uitleggen waarom de Nederlandse overheid en de legerleiding negatieve berichten over de oorlog probeerde te verhullen
- Kan een historische gebeurtenis, persoon of bron plaatsen binnen de historische context.
- Kan een argument logisch structureren binnen een antwoord.
- Kan meerdere perspectieven verwerken in een antwoord.
- Kan ‘gevoelige historische onderwerpen’ vanuit verschillende perspectieven beschrijven.
- Kan stelling innemen binnen een historiografisch debat en zijn positie beargumenteren.
Historische vaardigheden
- Leerdoelen
-
- Kan uitleggen waarom oorlogsmisdadigers gestraft worden aan de hand van het Oorlogsrecht.
- Kent het verloop van de Bersiap periode.
- Kan uitleggen waarom Nederland, door die Bersiap periode, de orde in Nederlands-Indië wilde herstellen.
- Kan de propaganda ‘boodschap’ uitleggen die de Nederlandse soldaten meekregen richting Nederlands-Indië.
- Kan de propaganda boodschap verklaren vanuit de Nederlandse overheid en legerleiding.
- Kan uitleggen waarom Nederlandse soldaten grepen naar extreem oorlogsgeweld.
- Kan uitleggen wat een guerrillaoorlog is.
- Kan uitleggen waarom een guerrillaoorlog extreemoorlogsgeweld in de hand speelt.
- Kan uitleggen dat de Nederlandse dienstplichtigen en oorlogsvrijwilligers in Nederlands-Indië te maken kregen met een koloniale traditie van geweld.
- Kan uitleggen waarom de Nederlandse legerleiding het extreem oorlogsgeweld probeerde te verhullen.
- Kan uitleggen waarom de Nederlandse overheid het extreem oorlogsgeweld probeerde te verhullen.
- Kan uitleggen waarom de Nederlandse overheid en de legerleiding negatieve berichten over de oorlog probeerde te verhullen
- Kan een historische gebeurtenis, persoon of bron plaatsen binnen de historische context.
- Kan een argument logisch structureren binnen een antwoord.
- Kan meerdere perspectieven verwerken in een antwoord.
- Kan ‘gevoelige historische onderwerpen’ vanuit verschillende perspectieven beschrijven.
- Kan stelling innemen binnen een historiografisch debat en zijn positie beargumenteren.
- Historische vaardigheden
-
Historische vaardigheden
Door hier te klikken ga je naar de overzichtspagina van historische vaardigheden die je in dit project zult gebruiken.
1. Werken als een historicus
Bekijk het filmpje hiernaast. In deze leerroute ga je aan de hand van leerteksten en bronnen antwoord geven op de hoofdvraag van deze leerroute. Deze hoofdvraag is gebaseerd op de onderwerpen die Joop Hueting (uit het filmpje) aansnijdt. In deze leerroute ga je zelfstandig onderzoek doen naar de verschillende factoren die hebben bijgedragen aan het ontstaan van een oorlogssituatie waarin extreem oorlogsgeweld gebruikt werd. Om je op weg te helpen staan verschillende bronnen en leerteksten bij elkaar gegroepeerd. Het is aan jou om uit te werken hoe zo’n factor bijgedragen heeft aan een oorlogssituatie waarin extreem oorlogsgeweld werd gebruikt.
Interview met oud-soldaat Joop Hueting. Bron: Achter het Nieuws, VARA, 1969.
Opdracht 1: onderzoek doen als een historicus
Er wordt beweerd dat de Nederlandse krijgsmacht zich in de oorlog tegen de Indonesische onafhankelijkheidsbeweging in de periode 1945-1949 op grote schaal schuldig maakte aan moord, marteling, brandstichting en andere buitensporige gewelddaden. In 1969 werd al onderzoek gedaan naar die wandaden, naar aanleiding van Joop Huetings interview in het VARA-programma Achter het Nieuws (het bovenstaande filmpje). Historicus Rémy Limpach, auteur van het onlangs verschenen boek De brandende kampongs van Generaal Spoor, komt na bestudering van een grote hoeveelheid ambtelijke en niet-ambtelijke bronnen en literatuur tot diezelfde conclusie. Om die reden kunnen we volgens hem spreken van structureel extreem geweld.
Goed historisch onderzoek doen, is niet zomaar geloven wat een bron of auteur beweert. Je vergelijkt het onderzoek met bronnen en andere onderzoeken voordat je het gelooft. In deze leerroute ga je kijken of jij het eens bent met Rémy Limpachs conclusie. Dit ga je doen aan de hand van primaire en secundaire bronnen. Je onderzoekt de verschillende factoren die bijdroegen aan een oorlogssituatie waarin extreem oorlogsgeweld gebruikt werd. Om je hierbij te helpen zijn een aantal deelvragen opgesteld. Elke deelvraag richt zich op één factor, om uiteindelijk al jouw bevindingen te bundelen en die vergelijken met de conclusie van Rémy Limpach.
Klik op de afbeelding om bij het artikel van Rémy Limpach in het tijdschrift de Militaire Spectator te komen. In zijn stuk legt Limpach uit hoe een situatie kon ontstaan waarin Nederlandse soldaten extreem oorlogsgeweld gebruikten.
Beantwoord de onderstaande vraag met behulp van het artikel hiernaast (klik op de afbeelding).
Onderzoeksvraag: Welke factoren hebben volgens Rémy Limpach bijgedragen aan het ontstaan van een oorlogssituatie waarin extreem oorlogsgeweld gebruikt werd? Benoem en leg deze factoren kort uit (max 5 zinnen per factor).
2. Het beeld van de vijand
‘Sparen lukt de Indonesiër niet, omdat het hem aan innerlijke dwang ontbreekt. Overtuigd van zijn eigen zwakheid zal hij dan ook altijd zijn toevlucht nemen tot een ander en een duidelijk teken is wel de benoeming van een Nederlander als minister van Financiën voor de Grote Oost. Hij zal er zich wel voor houden dat ambt aan een rasgenoot toe te vertrouwen’.
Bron 1. ‘Sparen, een ongekend begrip voor Indonesiërs’, de Volkskrant, 7 juni 1947. Een artikel in de Volkskrant naar aanleiding van de formatie van een Indonesische regering.
Bron 12. Waarom naar Indonesië? Niet de minste Nederlandse militair legt het uit. Onderdeel van de NPO documentaire De Oorlog.
‘Gepousseerd door een aantal extremistische [en communistische] heethoofden, daarbij oogluikend gesteund door Japanse autoriteiten. Soekarno bezit zeker op Midden-Java als demagoog een reputatie en aanhang en voorlopig speelt hij nog zijn rol in het “politieke schaakspel”. Vooral extreme figuren onder de nationalisten gesteund door in Japansche geest opgeleide inheemse “Hitler-Jugend” hebben alle ruimte gekregen’.
Bron 13. Generaal Spoor had de leiding over de missie in Nederlands-Indië en probeerde deze via een uitgebreid propaganda apparaat te verspreiden. Spoor had een uitgesproken mening over Soekarno. Bron: Louis Zweers, De gecensureerde oorlog: militairen versus media in Nederlands-Indië 1945-1949 (Zutphen: Walburg Pers, 2013), 30-31.
Bron 14. De eerste Nederlandse oorlogsvrijwilligers gingen met een missie naar Nederlands-Indië. Zij zouden daar wat groots verrichten. Zo herinnerd zich de vrijwilliger in dit fragment ook de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog. Onderdeel van de NPO documentaire De Oorlog.
Bron 15. Wat kregen de Nederlandse militairen te horen van hun missie naar Nederlands-Indië? Bron: Andere Tijden, NPO.
Opdracht 2. Het vijandbeeld
Lees en bekijk de bovenstaande bronnen 1 t/m 15. Gebruik deze bronnen bij het beantwoorden van de onderstaande deelvraag. Wees zo compleet mogelijk. Verwijs in je antwoord naar minimaal 4 bronnen die een aanvulling geven op het vijandbeeld dat Nederlandse soldaten meekregen naar Indië. Klik hier voor extra hulp bij het beantwoorden van een vraag.
Deelvraag: Met welk vijandbeeld en door wie werden Nederlandse oorlogsvrijwilligers en dienstplichtigen naar Nederlands-Indië gestuurd?
3. Nederlandse soldaat in Indonesië zijn
‘Wat een belevenis, en wat een gelukzalig volkje! […] We begonnen aan een onbeschrijflijk mooie tocht over het eiland. We kwamen langs schitterend aangelegde sawah’s […]. We verbaasden ons over de kleurschakeringen die de natuur hier bood; over de indrukwekkende stilte om ons heen wanneer we even stilstonden; over de vriendelijkheid van de lachende en wuivende bevolking wanneer we een kampong passeerden. […] boordevol indrukken van dit exotische eiland met haar wonderlijke bewoners hadden we nog dagen stof tot praten’.
Bron 18. Getuigenis van soldaat A. Hooydonk. Bron: Van Holst Pellekaan 1993, 130-131; Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘Ik voel me helemaal niet op me gemak. Het is alles zo vreemd, warm en intens geluidloos, alsof alles om je heen dood en rottend is. Ik ben alleen en zo voel ik me ook. Erg alleen zelfs. Maar je wilt niet weten en je doet gewoon; toch inwendig vol spanning, intuïtief voorbereid op iets vreemds, waarvan je schrikken kunt’.
Bron 19. Getuigenis van een anonieme soldaat. Bron: Hofs 1950, 25. Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘We leerden een beetje van de taal, toen nog het Maleis, we kregen wat informatie over land en volk. Dat werd meestal gedaan door KNIL-militairen. Ze vertelden dat de inlanders in het algemeen vriendelijke beleefde mensen waren, maar dat we ze toch nooit moesten vertrouwen. Wij jonge knullen van 20, 21, 22 jaar, namen het zonder meer aan’.
Bron 20. Getuigenis van soldaat Zwart 1995, 135; Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘De [Indonesiër] hecht aan macht en machtsvertoon grote waarde. […] Heeft men nu werkelijk gedacht dat ons prestige herwonnen zou worden door het steeds meer verlenen van concessies? Vooral tegen [Indonesiërs]? O, gruwelijke onwetendheid van de psyche van de [Indonesiër], die zo overgevoelig is voor machtsvertoon en vooral voor karaktervolle waardigheid’.
Bron 21. Getuigenis van soldaat Helfrich 1950, 231, 253; Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
Opdracht 3. De aankomst in Indonesië
Lees en bekijk de bovenstaande bronnen 16 t/m 21. Gebruik deze bronnen bij het beantwoorden van de onderstaande deelvragen. Wees zo compleet mogelijk. Verwijs in je antwoord naar minimaal 4 bronnen die een aanvulling geven op jouw antwoord op de deelvragen. Klik hier voor extra hulp bij het beantwoorden van een vraag.
Deelvraag 1: Hoe zag de eerste kennismaking van de Nederlandse soldaten in 1947 met Indonesië eruit?
Deelvraag 2: Hoe verschilde het beeld dat de soldaten vanuit Nederland hadden meegekregen, met de werkelijkheid die ze aantroffen?
4. Een traditie van geweld
‘Voor de eerste oorlogsvrijwilligers en dienstplichtigen uit Nederland was de aankomst in Indonesië een schok. Via propaganda werd hen voorgeschoteld dat de Indonesische bevolking stond te springen om de hulp van Nederlandse soldaten. De Indonesische vrijheidsstrijders waren een uitzondering op die regel en moesten daarom bestreden worden. Dit vijandbeeld bleek niet te kloppen en moest snel worden aangepast door de nieuwe soldaten van het Koninklijk leger (KL). De nieuwe soldaten hadden een te korte trainingsperiode gehad en wisten niet hoe zij zich moesten aanpassen aan de nieuwe jungle omgeving. Om de overgang te versoepelen werd tijdens de bootreis de KL-soldaten verteld dat zij het voorbeeld moesten volgen van de KNIL-soldaten. Deze KNIL-soldaten waren immers gewend om in een jungle omgeving te vechten.
Het KNIL altijd gebruik gemaakt van de Atjeh-methode. Deze methode was een strategie waarin doelgericht werd geplunderd en brandgesticht. De uitgekozen doelen hadden vaak een economische waarde, zoals rijstvelden of andere middelen van bestaan. Door de vernietiging zou de vijand gedwongen worden het verzet tegen de Nederlanders op te geven. Voor het KNIL had deze strategie altijd gewerkt en er werd vanuit gegaan dat het ook weer zou werken bij het breken van het Indonesische radicalisme en de verzetshaarden op de Indonesische eilanden. De Nederlandse overheid had echter nadrukkelijk verboden plantages en andere economisch waardevolle bedrijven te vernietigen. Deze waren nodig om de naoorlogse economie te herstellen. Hierdoor koos het KNIL steeds vaker kampongs waar mogelijke Indonesische vrijheidsstrijders te vinden waren als ‘gericht’ doel voor de Atjeh-tactiek. Kampongs waarin ook nog burgers woonden die het slachtoffer zouden worden van het oorlogsgeweld, om achteraf bestempeld te worden als noodzakelijk. Hierdoor ontstond een probleem, want de dubieuze tactieken van het KNIL voor de Tweede Wereldoorlog zochten al de scheidingslijn van functioneel oorlogsgeweld en buitenproportioneel geweld op. Met de ‘nieuwe’ doelwitten vervaagde die scheidingslijn nog meer’.
Bron 22. Historicus J. A. A. van Doorn over de militaire acties van het KNIL tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog. Bewerking uit: Doorn, J. A. A. van, en Willem J. Hendrix. Het Nederlands/Indisch conflict: ontsporing van geweld. 3de druk. Amsterdam/Dieren: Bataafse Leeuw, 1985.
‘Aan het einde van de negentiende eeuw en begin twintigste eeuw braken regelmatig opstand uit in Nederlands-Indië. Deze opstanden gingen vaak gepaard met veel geweld, waarbij blanke inwoners van Nederlands-Indië slachtoffer werden van verkrachtingen en verminkingen. Het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) had een beproefde tactiek om af te rekenen met die opstanden: het koloniale leger viel de tegenstander aan, trok zich terug in het geval van een nederlaag en kwam terug met meer manschappen om de tegenstander met bruut geweld te verslaan. Het motto van het KNIL werd: ‘volledige capitulatie of volledige dood’.
De oorlogsvoering van het KNIL was gericht op de vernietiging van de bestaansmiddelen van de Indonesische bevolking, waarbij stelselmatig kampongs, akkers, boomgaarden en voorraden in as werden gelegd of geconfisqueerd door het leger. Tijdens de Atjeh-oorlog (1873-1942), een van de langslopende conflicten uit het Nederlandse koloniale verleden, zouden die tactieken massale hongersnoden en volksverhuizingen teweegbrengen. De tactieken bleken echter zeer succesvol vanuit koloniaal perspectief. Met deze Atjeh-tactieken of de Atjeh-methode, kon het Nederlandse koloniale gouvernement met een beperkte hoeveelheid manschappen een relatief groot gebied beheersen. Ook vanuit internationaal perspectief, vooral vanuit Engeland, werd met bewondering gekeken wat de Nederlanders allemaal klaar wisten te spelen in Indonesië. Deze Atjeh-methode zou tot aan de Japanse bezetting in 1942 op grote schaal worden toegepast’.
Bron 23. Een historicus over de oorlogsvoering van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger. De tactieken die werden toegepast bleken zeer effectief om een groot gebied op brute wijze te beheersen. Bewerking van Kreike, “Genocide in the Kampongs? Dutch nineteenth century colonial warfare in Aceh, Sumatra”, 307-311.
Opdracht 4. Het voortzetten van een traditie?
Lees en bekijk de bovenstaande bronnen 22 en 23 en gebruik je antwoorden bij opdracht 2 op de vorige pagina. Gebruik deze bronnen bij het beantwoorden van de onderstaande deelvraag. Leg je antwoord uit en wees zo compleet mogelijk. Verwijs in je antwoord naar de bronnen op deze pagina, maar ook op de vorige pagina. Klik hier voor extra hulp bij het beantwoorden van een vraag.
Deelvraag: Op welke manier kan het extreem geweld door Nederlandse soldaten verklaard worden, doordat de Atjeh-methode werd doorgegeven aan de oorlogsvrijwilligers en dienstplichtigen?
5 Vechten in Indonesië
‘De Britse soldaten die vlak na de Tweede Wereldoorlog waren begonnen met het bevrijden van Nederlands-Indië waren oorlogsmoe. Zij hadden al tegen Nazi-Duitsland en Japan gevochten. Engeland had geen zin om ook nog een oorlog aan te gaan tegen de Republiek Indonesië, daarom hadden de Engelsen alleen Batavia bevrijd. Met de komst van de eerste Nederlandse soldaten, begonnen de Engelse soldaten met hun vertrek. De Nederlandse legerleiding wilde actie zien. De overheid wilde afwachten en tot een compromis komen met de Republiek Indonesië via de politieke weg’.
Bron 24. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog waren Britse soldaten te vinden in Indonesië. Bewerking uit: René Kok, Erik Somers, en Louis Zweers, Koloniale oorlog 1945-1949 : van Indië naar Indonesië, 1e dr. (Amsterdam: Carrera, 2009), 11-13.
Bron 25. De aankomst van de eerste Nederlandse soldaten. Wat was hun taak? Bron: documentaire reeks De Oorlog, NPO.
Bron 26. De eerste politionele actie: Operatie Product, had meerdere oorzaken en gevolgen. Naarmate de oorlog vorderde, werden de gevechten steeds gewelddadiger. Bron: documentaire reeks De Oorlog, NPO.
Bron 27. De Tweede politionele actie: Operatie Kraai, had als doel de Republiek Indonesië te dwingen de nieuwe Nederlandse versie van het Akkoord van Linggadjati na te komen. Bij de tweede actie wisten de Nederlandse soldaten zelfs de hoofdstad Yogyakarta van de Indonesische Republiek te bereiken en politieke kopstukken als Soekarno te arresteren. Bron: documentaire reeks De Oorlog, NPO.
Opdracht 5. Te wapen!
Lees en bekijk de bovenstaande bronnen 24 t/m 27. Gebruik deze bronnen bij het beantwoorden van de onderstaande deelvragen. Leg je antwoord uit en wees zo compleet mogelijk. Verwijs in je antwoorden naar de bronnen. Klik hier voor extra hulp bij het beantwoorden van een vraag.
Deelvraag 1: Op welke manier werd er door het Nederlandse leger gevochten tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog?
Deelvraag 2: Op welke manier werd er door het Indonesische leger gevochten tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog?
6. Oorlog of een guerrilla?
‘De gevechten in Indonesië waren chaotisch. De Nederlandse krijgsmacht dacht dat het de wapens zou moeten opnemen tegen de Republiek Indonesië, maar kwam erachter dat de vijand verschillende vormen had aangenomen. Er was een Indonesisch leger, met een leider die niet altijd wilde luisteren naar de politieke leiders. Daarnaast waren er allerlei andere, soms machtige strijdgroepen die ook tegen het Nederlandse leger vochten, maar soms ook tegen de Republiek en tegen elkaar. Bovendien waren er op lokaal niveau allerlei paramilitaire groeperingen waarvan het onduidelijk was in hoeverre zij de republiek steunden of vooral criminele bendes waren die gebruik maakten van de situatie om zichzelf te verrijken’.
Bron 28. De Nederlandse soldaten kwamen er snel achter dat er geen Indonesische vijand was, er waren meerdere. Bewerking: de Jong, Joop. De waaier van het Fortuin: De Nederlanders in Azië en de Indonesische archipel 1595-1950. Den Haag: Sdu Uitgevers, 1998.
Bron 29. Vochten de Indonesische vrijheidsstrijders en extremisten wel een oorlog uit? Dat was de situatie waar de Nederlandse overheid, de legerleiding en de soldaten te velde zich zorgen om maakten in 1947-1949? Bron: Andere Tijden, NPO.
Bron 30. De gevechten die tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog plaatsvonden waren vaak onoverzichtelijk. Een oud-soldaat legt uit waarom. Bron: documentaire reeks De Oorlog, NPO.
‘Zo te zien zijn het echte boeven die niets met vrijheidsstrijders te maken hebben. Deze gasten maken van de gelegenheid misbruik en rampokken hun eigen volk en zien tegen verkrachten en moorden niet op’.
Bron 31. Getuigenis van soldaat Gerben Deters, op 8 Februari 1948, in Deters 1994; Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘Men weet in de extremisten te doen te hebben met terroristen en in de pemoeda’s met wreedaards, vergiftigd door haat en woede. […] De extremist is een gevaarlijke en meedogenloze vijand’.
Bron 32. Getuigenis van soldaat J.H. Sillevis Smitt, in Sillevis Smitt 1947. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘De gevangenen [vrijheidsstrijders], die we gemaakt hadden, bekenden heel goed te weten dat het staakt het vuren [de overeenkomst vlak na de eerste politionele actie tussen Nederland en de Republiek Indonesië] allang van kracht geworden was, docht de plaatselijke leiders storen zich daaraan niet. Wel weer een droevig bewijs van de lafhartigheid en trouweloosheid van de leiders der Repoebliek. Ik geloof wel dat die lui nooit te vertrouwen zijn’.
Bron 33. Interview uit 2007 met oud-soldaat Ad van der Burg, in Manders-Van der Burg 2007. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘En dan kan ieder schieten tot ze nog één kogel over hebben voor zichzelf. Want als je in handen komt van de extremisten, word je doodgemarteld. Ze snijden je vingers af en zo. Verder hebben ze nog meer martelingen, maar die kan ik niet opnoemen, want die zijn te gemeen om te beschrijven. We zullen elkander dan ook tot het laatste bijstaan. Ieder van ons is zich er ook terdege van bewust, dat de situatie hier gevaarlijk is’.
Bron 34. Getuigenis van soldaat P.A. Kooy, op 13 maart 1946, in Krosenbrink 1989. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘Een oorlog, noem het desnoods een gewapend conflict, of een politiële actie, kan een element van een zekere “fairheid” in zich hebben. […] Wie één keer gezien heeft, hoe deze tegenstanders de lijken van onze soldaten mishandelen, wie één keer gehoord heeft, op welke manier [Nederlandse soldaten], wanneer ze leven in hun handen vielen, worden vermoord, wie één keer heeft meegemaakt, hoe zij tegen de inheemse bevolking optreden (nog steeds) en tegen de Chinezen en andere minderheden, voor hem verliezen deze vrijheidsstrijders elk aureool’.
Bron 35. Een bericht van oorlogscorrespondent J.W. Hofwijk, in Hofwijk 1948. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘Het was een strijd om zelfbehoud tegen een grote overmacht van in burger geklede [vrijheidsstrijders] die, onherkenbaar, dag en nacht in je omgeving vertoefden om toe te slaan als ze zeker wisten dat ze zelf geen enkel risico liepen’.
Bron 36. Getuigenis van soldaat A. van Helvoort, in Van Helvoort, Van Oerle en Schotanus 1988. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘[Het was] een soort guerrillaoorlog van de Indonesische vrijheidsstrijders, zoals ze zich zelf noemden en zoals ze eigenlijk ook waren. Maar natuurlijk zagen wij dat toen nog niet zo, evenmin trouwens als een groot deel van de bevolking’.
Bron 37. Interview uit 2002 met oud-soldaat R.J. Idzerda, in Idzerda 2002. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘Na korte of lange tijd kwam dan bericht dat [Nederlandse soldaten] of waren gesneuveld, waarbij een aantal als beesten was afgemaakt, of sommigen er van gevangen werden genomen en afgevoerd naar een onbekende bestemming. Dat laatste kwam echter sporadisch voor, wat in grote mate afhankelijk was van degene in wiens handen ze waren gevallen. Was dat [het Indonesische leger] dan was de kans aanwezig om het er leven af te brengen. Voor de rest waren het veelal niet te beschrijven moordpartijen’.
Bron 38. Interview uit 1993 met oud-soldaat P.F. Berends, in Berends 1993. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
Opdracht 6. Vechten tegen een guerrilla
Lees en bekijk de bovenstaande bronnen 28 t/m 38. Gebruik deze bronnen bij het beantwoorden van de onderstaande deelvraag. Leg je antwoord uit en wees zo compleet mogelijk. Verwijs in je antwoord naar de bronnen. Klik hier voor extra hulp bij het beantwoorden van een vraag.
Deelvraag: Waarom was het voor de Nederlandse soldaten moeilijk, gevaarlijk en angstaanjagend om te vechten tegen de Indonesische vijand?
7. Onderbezetting en de gevolgen
‘De patrouille gebieden waren 1200 km2 groot, oftewel kleiner dan de provincie Utrecht. Ongeveer 360 militairen werden voor geregelde patrouille ingezet. Veelal waren de Indonesische gebieden moeilijk begaanbaar. Soldaten hadden te maken met dicht begroeide, onbegaanbare gebergten of ondoordringbare moerassen. Op de in slechte staat verkerende wegen kon men 7 km per uur rijden in een truck als dat nodig was. Dat betekende dat men de sectoren te voet moest patrouilleren. Veel gebieden konden daardoor vrijwel niet op vijanden worden gecontroleerd en beheerst worden. De Indonesische vrijheidsstrijders begonnen zich tevens te verschuilen in de Indonesische kampongs. Voor de Nederlandse soldaten was het verschrikkelijk gevaarlijk de kampongs uit te kammen opzoek naar vijanden, aangezien de Nederlandse soldaten met te weinig waren om dit effectief te doen en elkaar van voldoende rugdekking te voorzien’.
Bron 39. Historicus J. A. A. van Doorn over patrouille gebieden. Bewerking uit: Doorn, J. A. A. van, en Willem J Hendrix. Het Nederlands/Indonesisch conflict: ontsporing van geweld. 3de druk. Amsterdam/Dieren: Bataafsche Leeuw, 1985.
‘In opdracht van de commandant werden kampongbewoners beroofd en bestolen. Erger was natuurlijk dat er bij herhaling door onze troepen huizen in brand gestoken werden, omdat er geruchten binnenkwamen dat aan lui van de TNI [vrijheidsstrijders] onderdak was verleend. Soms werd een heel dorp afgebrand’.
Bron 40. Getuigenis van soldaat Jan Glissenaar, uit 1949. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘Overal waar je daar ook kwam werd je met vuur uit de kampongs ontvangen, en daar woonden gewone mensen. Het is logisch dat er dan met tegenvuur van ons altijd mensen de dood vonden, en je kon daar niets aan doen omdat de TNI-troepen zich altijd verschansten in de kampongs. Als wij de kampongs met mitrailleurvuur bestookten, zaten de meesten wel onder de grond, maar er waren altijd slachtoffers. En dat was vaak pijnlijk, ook voor ons’.
Bron 41. Getuigenis van soldaat Jan te Golde, uit 1949. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
’s Avonds begint een flink artilleriebombardement, een der kampongs betaalt de prijs voor ’n paar sniperschoten. Jammer dat daarin ook de levens van onschuldige mannen, vrouwen en kinderen verdisconteerd zijn’.
Bron 42. Getuigenis van artillerie soldaat J. P. H. Peters. Bron: J. P. H. Peters, A.A.T. ers in Indië 2046: 7de A.A.T. compagnie, O.V.W.-ers (Venlo: De auteur, 1999), 100.
‘Om acht uur kwamen ze van de richting Semarang, Vijf Spitfires [gevechtsvliegtuigen]. Eerst cirkelden ze er boven en begonnen toen met hun loopings. Twintig minuten lang. De ene bom na de andere, de ene mitrailleurband na de ander [werd losgelaten op de kampong waar mogelijk guerrillastrijders zaten]. Ik stond er met een verrekijker naar te kijken. Op de gezichten van de achtergebleven militairen was een glimlach te zien. De Djongossen juichten en de bevolking stond te kijken. Het was een machtig gezicht en de enige oplossing, maar toch werd ik een beetje angstig. Het ging te hard. Ik weet niet hoe ik het zeggen moet. Het moest, het is hard, maar de onschuldige bevolking, of is die er ook schuld[ig] aan’?
Bron 43. Getuigenis van soldaat W.J. Tomesen, op 3 augustus 1949, in Krosenbrink 1989. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘Deze bekwame hoofdofficier – die helaas sneuvelde – verzette zich ernstig tegen onnodig en ongeoorloofd hard optreden van patrouilles van het 16e Bat. Te Sengkang, wanneer deze de grenzen van de afdeling Paréparé overschreden. Moordend en brandend trokken deze patrouilles door de kampongs. […] Persoonlijk heb ik veel waardering voor het optreden van de militairen in Zuid-Celebes, maar daarom juist acht ik het afmaken van gevangenen onterend voor ons leger. […] De geruchten over hardvochtig optreden van militairen waren vele’.
Bron 44. De legerleiding en de overheid gaven het bevel om vuur met vuur te bestrijden. Speciale eenheden werden naar Nederlands-Indië gestuurd om een contraguerrilla aan te gaan. Een soldaat van de inlichtingendienst legt een verklaring af naar aanleiding van de dood van een commando. Bron: NA, AS 3742, Peddemors aan Jonkman, 16 juli 1947.
‘De Knillers waren zo hardhandig dat mijn eigen Hollandse soldaten zeiden: dat willen we niet. Toen heb ik een verhoor zelf geleid, keurig volgens de regels. Maar het duurde wel tienmaal zo lang als wanneer zo’n KNIL-sergeant het deed. Dat heb ik dus maar niet meer herhaald [en gaven we de gevangen voortaan weer aan het KNIL], maar bij ons werd niet onder stroom verhoord’.
Bron 45. Getuigenis van een KL-sergeant uit 1948. Bron: Scagliola en Kerkvliet-Oldewarris, Last van de oorlog: de Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië en hun verwerking, 44.
Bron 47. Een Chinese vrouw zoekt in haar door Indonesische soldaten platgebrande huis, naar voorwerpen die het voor hebben overleefd. De haat richting Nederland van de Republikeinse soldaten werd soms ook gericht tegen Aziatische migranten die in Indië woonden. Het Republikeinse leger hoopte zo dat ook deze Aziaten zich tegen Nederland zou keren.
Bron 47. Een Baboe (wasvrouw) doet de was. Er waren veel Indonesische vrouwen die voor het Nederlandse leger werkten. Zij deden de was voor de soldaten. Daarnaast kwam het voor dat zij geld aannamen in ruil voor seks. Veel gevallen zijn ook bekend dat de seks niet vrijwillig was. De baboes vreesden om ontslagen te worden of erger als zij geen seks hadden met de soldaten.
Opdracht 7. Onderbezetting
Lees en bekijk de bovenstaande bronnen 39 t/m 47. Gebruik deze bronnen bij het beantwoorden van de onderstaande deelvragen. Leg je antwoord uit en wees zo compleet mogelijk. Verwijs in je antwoord naar de bronnen. Klik hier voor extra hulp bij het beantwoorden van een vraag.
Deelvraag 1: Wat waren de oorzaken en de gevolgen van de onderbezetting in het Nederlandse leger?
Deelvraag 2: Hoe probeerde de Nederlandse legerleiding deze onderbezetting op te vangen?
Deelvraag 3: Welke risico’s zijn verbonden aan het niet bestraffen van extreem oorlogsgeweld?
8. Verhulling van geweld
Bron 48. Naarmate de oorlog vorderde begon het geweld aan Nederlandse en Indonesische kant te escaleren. Beide kanten werden steeds gewelddadiger. Bron: documentaire reeks De Oorlog, NPO.
Bron 49. Twee perspectieven op de periode 1947-1949. Bron: documentaire reeks De Oorlog, NPO.
‘De lijken van de [standrechtelijk] geëxecuteerden moesten worden opgegraven en verbrand, om zo de sporen van het lugubere bedrijf uit te wissen, voordat het wereldkundig zou kunnen worden gemaakt. Dit duurde tot middernacht en het scheen dat alle sporten waren uitgewist’.
Bron 50. Interview met oud-soldaat Math Jalhay uit 1983. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis, 154.
‘Ook in het havengebied waren uiteraard hongerlijders die wel eens probeerden wat eten te stelen. […] De meesten van hen werden met een welgemikt schot van de KNIL-man als een rat doodgeschoten. De lijken werden vervolgens door koelies in een jutezak gestapt en achter het gebouw begraven. […] De soldaat die het schot gelost had was trots op zijn daad’.
Bron 51. Memoires van soldaat Jan van ’t Zand, in Van ’t Zand 1994. Bron: Interview met oud-soldaat Math Jalhay uit 1983. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis, 193.
‘Het oorlogsrecht stelde dat deze [controleurs] nodig waren om het recht te bewaken en legereenheden te wijzen op de grenzen van aanvaardbaar oorlogsgeweld en buitenproportioneel oorlogsgeweld. De Verenigde Naties (VN) en de Veiligheidsraad stuurden wel militaire waarnemers naar Indonesië, maar die waren met te weinig om grondig onderzoek te kunnen doen naar extreem oorlogsgeweld in de oorlogsgebieden. Bovendien werden de aanvragen van de buitenlandse waarnemers om bepaalde gebieden te controleren langzaam verwerkt. Hierdoor konden soldaten makkelijk gevallen van extreem geweld verdoezelen’.
Bron 54. Historicus Rémy Limpach over het belang van externe controle tijdens oorlogsconflicten. Bewerking uit: Limpach, De brandende kampongs van generaal Spoor, 565.
‘Netherlands cooperation is necessary before Military Observers can function at all in the field […], mainly because of scarcity of supplies, accommodation and amenities in occupied areas’.
Bron 55. Een Amerikaanse VN-waarnemer over de samenwerking met de Nederlanders tijdens het conflict in Indonesië. Bron: NA, SNI, 1352, Milex Board directive no. 5, Major John H. Harden (USA), 2 februari 1949.
Opdracht 8. Verhulling
Lees en bekijk de bovenstaande bronnen 48 t/m 55. Gebruik deze bronnen bij het beantwoorden van de onderstaande deelvragen en je antwoorden bij opdracht 2 op de vorige pagina. Leg je antwoord uit en wees zo compleet mogelijk. Verwijs in je antwoord naar de bronnen. Klik hier voor extra hulp bij het beantwoorden van een vraag.
Deelvraag 1: Waarom probeerde de Nederlandse legerleiding gevallen van extreem oorlogsgeweld te verhullen?
Deelvraag 2: Waarom probeerde de Nederlandse overheid gevallen van extreem oorlogsgeweld te verhullen?
Deelvraag 3: Waarom probeerden Nederlandse soldaten gevallen van extreem oorlogsgeweld te verhullen?
Deelvraag 4: Waarom was externe controle belangrijk tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog, maar bleek deze niet effectief?
Opdracht 9. Extreem oorlogsgeweld
Historicus Rémy Limpach stelt in zijn artikel dat extreem oorlogsgeweld werd gepleegd door soldaten en officieren, maar dat dit buitenproportioneel geweld mogelijk was omdat de overheid niet ingreep en de legerleiding dit ook niet deed. Leg uit dat hierdoor zowel de soldaten, de overheid en de legerleiding het mogelijk maakte dat er steeds meer extreem oorlogsgeweld werd gebruikt tijdens de onafhankelijkheidsoorlog. Gebruik de informatie uit de voorafgaande opdrachten.
Opdracht 10. Afsluiting van het individuele onderzoek
Je hebt aan de hand van primaire en secundaire bronnenonderzoek gedaan naar de verschillende factoren die hebben bijgedragen aan het ontstaan van extreem oorlogsgeweld.
- Vergelijk de antwoorden die jij gegeven hebt bij opdracht 2 t/m 7 met jouw antwoord op vraag 1. Trek jij dezelfde conclusie als Rémy Limpach? Leg je antwoord uit.
- Beantwoord de hoofdvraag kort en bondig:
Hoofdvraag
Welke factoren droegen bij aan het ontstaan van een oorlogssituatie waarin extreem oorlogsgeweld gebruikt werd?





















