Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog of 'Politionele acties': Nederlandse militaire acties in Indonesië, 1946-1949
Japan had tijdens de Tweede Wereldoorlog bewezen dat Europeanen niet onverslaanbaar waren. Het had Nederland in een korte tijd weten te verslaan en het Nederlandse gezag over Indonesië opgeheven. Zelfs na de capitulatie van Japan in 1945 wilden de inwoners van Indonesië niet dat het Nederlandse koloniale gezag zou terugkeren. Indonesische nationalisten maakten gebruik van het ontstane machtsvacuüm, ontstaan door de Japanse capitulatie. Zij riepen de Republiek Indonesië uit.
Dat de onafhankelijkheid van Indonesië op den duur onvermijdelijk zou zijn, werd in de Nederlandse politiek beseft, maar moest stapsgewijs doorgevoerd worden.[1] De geleidelijke onafhankelijk moest in samenwerking met Nederland gebeuren, vond de overheid. Dat de Republiek Indonesië, uitgeroepen door Soekarno en zijn nationalistische handlangers die met Japan hadden samengewerkt, de leiding zou krijgen over dit zelfstandige Indonesië stuitte op veel weerstand. Vanuit de legerleiding werd geopperd dat een Nederlandse legermacht in Indonesië de onderhandelingspositie van Nederland zou versterken als het aan de onderhandelingstafel zat met de Republiek bij het tot stand komen van een akkoord. Kapitein Raymond Westerling werd opdracht gegeven samen met de restanten van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) voorbereidingen te treffen in Zuid-Celebes, daar waar de verzetshaarden tegen het koloniale herstel het grootst waren.[2] Het koloniale gouvernement zou de restanten van het KNIL mobiliseren op Java om de weg vrij te maken voor een grotere krijgsmacht. In 1946 zouden de eerste beroepsmilitairen vanuit Nederland volgen, de Koninklijke Landmacht (KL), later gevolgd door dienstplichtigen.
Drie factoren zouden uiteindelijk doorslaggevend zijn in het besluit om een militaire actie te ondernemen. [3] Allereerst waren de onderhandelingen met de Republiek en haar leiders op een dood spoor beland. Ten tweede kostte de gemobiliseerde Nederlandse troepenmacht in Indonesië de staat handenvol met geld, terwijl de Nederland zo goed als failliet dreigde te gaan.[4] Ten derde was de opbouw van de krijgsmacht zo goed als voltooid. Nederland beschikte over genoeg soldaten om in actie te gaan, mocht het dat willen. Ironisch genoeg zou later blijken dat het aantal soldaten onvoldoende was om de situatie tijdens de patstelling met de Republiek Indonesië te handhaven. De twee militaire operaties die zouden volgen werden politionele acties genoemd. Deze naam moest benadrukken dat het om een interne aangelegenheid ging.[5]
Militaire acties
De eerste militaire operatie werd Operatie Product genoemd. Onder leiding van legercommandant generaal Simon Spoor en met goedkeuring van gouverneur-generaal Van Mook, werden economisch belangrijke gebieden in het westen en oosten van Java en plantages op Sumatra bezet. Spoor werd uitdrukkelijk verboden om acties te ondernemen gericht op de bezetting van Jogjakarta, de zetel van de Republikeinse regering. De Nederlandse overheid vreesde internationale reacties en sancties als het direct de Indonesische regering zou aanvallen, voornamelijk van Britse en Amerikaanse kant.
Het Republikeinse leger (TNI) probeerde de Nederlandse krijgsmacht een halt toe te roepen door infrastructuur te vernietigen. Het doel was de eigen troepen in veiligheid te brengen, zodat deze nog ingezet konden worden bij het voeren van een guerrillaoorlog. De Verenigde Naties reageerden ontzet op de militaire operaties en dwongen Nederland een staakt het vuren af te kondigen. Alle officiële vijandigheden werden op 5 augustus 1947 gestaakt. Toch zou deze tijdelijke impasse niet het einde betekenen van alle vijandigheden. Een voorbeeld hiervan is het Bloedbad van Rawagede dat op 9 december 1947 plaatsvond. Nederlandse militairen drongen de Kampong van Rawagede binnen en executeerden honderden mannelijke inwoners.[6]
In januari 1948 werd de formele wapenstilstand gesloten in een vergadering tussen belangrijke Indonesische en Nederlandse afgevaardigden. Het resultaat: de Renville-overeenkomst. Door internationale verontwaardiging, besloot Nederland de onderhandelingen aan te gaan met de Republiek Indonesië. Deze beraadslagingen vonden plaats onder bemiddeling van een speciale VN-commissie. Door de internationale erkenning die het Indonesische conflict kreeg, werd de onderhandelingspositie van de Republiek versterkt. De Republikeinse regering werd internationaal erkend als een speler aan de onderhandelingstafel omtrent de soevereiniteit, dat in feite betekende dat het als een soevereine partij werd gezien. Die positie was verstevigd na het neerslaan van een communistische revolutie. Hiermee had de Republiek aanzien verworven bij de Verenigde Staten, die zeer anti-communistisch waren.
De eerste politionele actie had het Indonesische conflict niet opgelost zoals gehoopt. De Nederlandse krijgsmacht had aan de guerrilla-activiteiten in de veroverde gebieden haar handen vol. Soldaten moesten dagelijks de bezette gebieden patrouilleren om de eigen veiligheid te waarborgen. Deze constante paraatheid dreef de kosten voor de militaire onderneming alleen maar verder op. Eind 1948 werd besloten over te gaan op een tweede militaire actie: Operatie Kraai. Deze operatie werd een soort wanhoopsonderneming.[7] Van Mook had het veld moeten ruimen voor oud-premier Beel. Deze liet er geen gras over groeien: de leiders van de Republiek moesten onschadelijk worden gemaakt. De Republikeinse regering zou dan verdwijnen als partij in het Indonesische conflict. Was de Republiek eenmaal onschadelijk gemaakt, dan kon de Nederlandse regering samen met meer gematigde Indonesische krachten aanschuiven aan de onderhandelingstafel. Beel hoopte met dit plan de positie van Nederland te verbeteren en een einde te maken aan het slepende conflict.[8]
De afloop
Op 19 december 1948 landden speciaal getrainde commando’s per parachute op het vliegveld van Jogjakarta. De bewaking werd onschadelijk gemaakt, waarna de Koninklijke Luchtmacht versterkingen kon aanvoeren. Al snel hadden de Nederlandse soldaten de stad in handen. De Indonesische leiders werden opgepakt, waaronder Soekarno. Op hetzelfde moment hadden de Nederlandse troepen de aanval geopend op de TNI in Midden-Java. Ondanks dat verschillende gebieden onder Nederlands gezag kwamen te vallen, slaagde de Nederlandse krijgsmacht er niet in de troepen van de Indonesische Republiek de genadeslag toe te brengen. Deze hadden zich snel teruggetrokken naar plaatsen op Java die waren onttrokken aan het Nederlandse gezag, zodat de soldaten op een ander moment verder konden vechten. De internationale reactie was overweldigend. Kort na de operatie kwam de VN-veiligheidsraad bijeen. Onder leiding van de Amerikanen werd van Nederland geëist dat het alle vijandelijkheden onmiddellijk zou staken en de leiders van de Republiek vrij te laten, anders zouden de Amerikanen de financiële steun in de vorm van de Marshallhulp intrekken.[9]
De TNI besloot als tegenreactie de met Nederland collaborerende Indonesiërs op structurele wijze te liquideren. Hierdoor destabiliseerde het binnenlands bestuur. Nederland werd met deze moorden ontdaan van zijn Indonesische bondgenoten. De regering in Den Haag besloot in mei 1949 overstag te gaan. Alle vijandelijkheden werden gestaakt en de Republikeinse leiders werden vrijgelaten.[10] De onderhandelingen voor soevereiniteitsoverdracht werden in gang gezet en de Nederlandse troepen in Indonesië begonnen te demobiliseren. Voor veel soldaten was dit einde ontluisterend. Toch hadden veel al niet meer geloofd in de missie.
Noten
[1] Joop de Jong en Harry A. Poeze, Avondschot: hoe Nederland zich terugtrok uit zijn Aziatisch imperium (Amsterdam: Boom, 2011), 123–126.
[2] Moor, Westerling’s oorlog: Indonesië 1945-1950: de geschiedenis van de commando’s en parachutisten in Nederlands-Indië 1945-1950, 73–80.
[3] de Jong, De waaier van het fortuin: de Nederlanders in Azie en de Indonesische archipel 1595-1950, 594–600.
[4] P. F. Maas en J. E. C. M. van Oerle, “Het leger te gelde”, in De Politionele Acties, ed. G. Teitler en Petra M. H. Groen (Amsterdam: Bataafsche Leeuw, 2011), 11.
[5] Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis, 24–25.
[6] van den Doel, Afscheid van Indie: de val van het Nederlandse imperium in Azie, 217–232.
[7] Maas en van Oerle, “Het leger te gelde”, 21–25.
[8] de Jong, De waaier van het fortuin: de Nederlanders in Azie en de Indonesische archipel 1595-1950, 600–608.
[9] van den Doel, Afscheid van Indie: de val van het Nederlandse imperium in Azie, 279–303.
[10] Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis, 26.











