Leerroute: Operatie Product
- Kan uitleggen waarom oorlogsmisdadigers gestraft worden aan de hand van het Oorlogsrecht.
- Kent het verloop van de Bersiap periode.
- Kan uitleggen waarom Nederland, door die Bersiap periode, de orde in Nederlands-Indië wilde herstellen.
- Kan de propaganda ‘boodschap’ uitleggen die de Nederlandse soldaten meekregen richting Nederlands-Indië.
- Kan de propaganda boodschap verklaren vanuit de Nederlandse overheid en legerleiding.
- Kan uitleggen waarom Nederlandse soldaten grepen naar extreem oorlogsgeweld.
- Kan uitleggen wat een guerrillaoorlog is.
- Kan uitleggen waarom een guerrillaoorlog extreemoorlogsgeweld in de hand speelt.
- Kan uitleggen dat de Nederlandse dienstplichtigen en oorlogsvrijwilligers in Nederlands-Indië te maken kregen met een koloniale traditie van geweld.
- Kan uitleggen waarom de Nederlandse legerleiding het extreem oorlogsgeweld probeerde te verhullen.
- Kan uitleggen waarom de Nederlandse overheid het extreem oorlogsgeweld probeerde te verhullen.
- Kan uitleggen waarom de Nederlandse overheid en de legerleiding negatieve berichten over de oorlog probeerde te verhullen
- Kan een historische gebeurtenis, persoon of bron plaatsen binnen de historische context.
- Kan een argument logisch structureren binnen een antwoord.
- Kan meerdere perspectieven verwerken in een antwoord.
- Kan ‘gevoelige historische onderwerpen’ vanuit verschillende perspectieven beschrijven.
- Kan stelling innemen binnen een historiografisch debat en zijn positie beargumenteren.
Historische vaardigheden
- Leerdoelen
-
- Kan uitleggen waarom oorlogsmisdadigers gestraft worden aan de hand van het Oorlogsrecht.
- Kent het verloop van de Bersiap periode.
- Kan uitleggen waarom Nederland, door die Bersiap periode, de orde in Nederlands-Indië wilde herstellen.
- Kan de propaganda ‘boodschap’ uitleggen die de Nederlandse soldaten meekregen richting Nederlands-Indië.
- Kan de propaganda boodschap verklaren vanuit de Nederlandse overheid en legerleiding.
- Kan uitleggen waarom Nederlandse soldaten grepen naar extreem oorlogsgeweld.
- Kan uitleggen wat een guerrillaoorlog is.
- Kan uitleggen waarom een guerrillaoorlog extreemoorlogsgeweld in de hand speelt.
- Kan uitleggen dat de Nederlandse dienstplichtigen en oorlogsvrijwilligers in Nederlands-Indië te maken kregen met een koloniale traditie van geweld.
- Kan uitleggen waarom de Nederlandse legerleiding het extreem oorlogsgeweld probeerde te verhullen.
- Kan uitleggen waarom de Nederlandse overheid het extreem oorlogsgeweld probeerde te verhullen.
- Kan uitleggen waarom de Nederlandse overheid en de legerleiding negatieve berichten over de oorlog probeerde te verhullen
- Kan een historische gebeurtenis, persoon of bron plaatsen binnen de historische context.
- Kan een argument logisch structureren binnen een antwoord.
- Kan meerdere perspectieven verwerken in een antwoord.
- Kan ‘gevoelige historische onderwerpen’ vanuit verschillende perspectieven beschrijven.
- Kan stelling innemen binnen een historiografisch debat en zijn positie beargumenteren.
- Historische vaardigheden
-
Historische vaardigheden
Door te klikken kom je bij een overzichtspagina waar je hulppagina's kan vinden voor de te gebruiken historische vaardigheden.
Bekijk het filmpje hiernaast. In deze leerroute ga je aan de hand van leerteksten en bronnen antwoord geven op de hoofdvraag van deze leerroute. Deze hoofdvraag is gebaseerd op de onderwerpen die Joop Hueting (uit het filmpje) aansnijdt. In de opdrachten ga je elke keer verschillende perspectieven gebruiken om de opdrachten uit te werken. Bij de verschillende opdrachten staan hulppagina’s vermeld die je kan gebruiken bij de uitwerking van de opdrachten. Vraag je docent voor verdere hulp.
Interview met oud-soldaat Joop Hueting. Bron: Achter het Nieuws, VARA, 1969.
1. De weg naar Indië
Na de Japanse overgave in 1945 ontstond een machtsvacuüm in Indonesië waar jonge nationalisten, pemuda’s genoemd, gebruik van maakten. Zij wilden niet weer terugkeren naar de periode waarin blanke Nederlanders het Indonesische volk onderdrukten. Deze drang naar vrijheid begon geleidelijke wijs radicale vormen aan te nemen. Nederlanders die net uit de interneringskampen vrijkwamen werden het slachtoffer van dit radicalisme. Zij liepen de kans vermoord of verkracht te worden. De pemuda’s gingen onder de leus Bersiap, wees paraat, de straten op.
In Nederland werd met een oud-imperialistisch sentiment gekeken naar Indonesië, een sentimentele visie verwrongen van racisme en etnische vooroordelen. De inheemse bevolking hadden altijd de neiging gehad om tot geweld te vervallen aldus deze visie. Zij waren net kinderen die een begeleidende hand nodig hadden van een ouder of een voogd. Met die voogdijgedachte werd Nederlands-Indië het grootste gedeelte van de negentiende en begin twintigste eeuw bestuurd. Het radicalisme uit de Bersiap periode en het Indonesische geweld gericht tegen blanke Nederlanders bevestigden het imperialistische beeld: zonder Nederland was er geen rust en orde in Indonesië. Bovendien werden de Indonesische nationalisten geleid door Soekarno. In de Nederlandse media zou hij vooral afgebeeld worden als de ‘Indonesische Mussert’. Vanuit dit perspectief was Soekarno niks anders dan een opruier, die gelijk stond aan de ergste nazioorlogsmisdadigers en communisten. De Republiek Indonesië uitgeroepen door Soekarno werd gezien als een product van Japan. Toen verhalen over de gruweldaden van de Indonesische nationalisten Nederland bereikten, vond de Nederlandse overheid onder druk van de Nederlandse bevolking dat de orde en rust hersteld moest worden in Nederlands-Indië.
‘Sparen lukt de Indonesiër niet, omdat het hem aan innerlijke dwang ontbreekt. Overtuigd van zijn eigen zwakheid zal hij dan ook altijd zijn toevlucht nemen tot een ander en een duidelijk teken is wel de benoeming van een Nederlander als minister van Financiën voor de Grote Oost. Hij zal er zich wel voor houden dat ambt aan een rasgenoot toe te vertrouwen’.
Bron 1. ‘Sparen, een ongekend begrip voor Indonesiërs’, de Volkskrant, 7 juni 1947. Een artikel in de Volkskrant naar aanleiding van de formatie van een Indonesische regering.
Opdracht 1. De weg naar Indië
Hieronder staan vijf stellingen. Je kan het eens of oneens zijn met elke stelling. Je gaat elke stelling aan de hand van de bronnen, de leertekst en de kennis die je hebt opgedaan op de vorige pagina bevestigen of ontkrachten. Noteer bij elke stelling of je het eens of oneens bent met de stelling en leg uit waarom. Structureer je antwoord op zo’n manier dat het ook te volgen is voor je medeleerlingen.
1. Soekarno was een gewetenloze collaborateur met de Japanners. Hij hield geen rekening met de wensen van de Indonesische bevolking.
2. Na de Tweede Wereldoorlog waren de Nederlandse inwoners van Nederlands-Indië weer vrij om om over straat te gaan.
3. Nederland wilde de rust en orde herstellen in Indonesië.
4. Nederlanders dachten dat Indonesiërs nog niet klaar waren om zichzelf te besturen.
5. In Nederland vond men dat de Indonesische Republiek een product was van Japan.
Demonstratie voor een onafhankelijk Indonesië in Semarang, najaar 1945. Tekening is afkomstig van een Nederlandse ooggetuige. Bron: Kamptekeningen uit bezet Nederlands-Indië (1942-1945), MUSEON/ Geheugen van Nederland.
2. Rust en orde
Rust en orde herstellen werd het Nederlandse motto waarmee de eerste soldaten naar de kolonie werden gestuurd. De soldaten van het eerste uur waren ex-krijgsgevangenen geweest van de Japanners, geïnterneerde Koninklijk Nederlands-Indisch leger (KNIL) militairen. Met een door de overheid geformuleerd mandaat moesten deze soldaten de basis leggen voor een grotere krijgsmacht die pas in 1947 zou arriveren. Het mandaat werd losjes geformuleerd: snel en effectief werden de kernwoorden, voor de rest zouden de militairen zelf wel weten welke acties wel en niet toegestaan waren.
Opdracht 2. Propaganda
In deze opdracht gaan we kijken naar de propaganda die door de Nederlandse overheid en de legerleiding ingezet werd om de Nederlandse bevolking te informeren over de gebeurtenissen uit Nederlands-Indië tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog. Deze propaganda was een manier om de Nederlandse bevolking te ‘informeren’. In deze opdracht maak je gebruik van bronnen 4 t/m 11.
– Elke propaganda poster wil een boodschap overbrengen. Zoek uit welke boodschap dat is voor elke poster. Daarvoor moet je de bron interpreteren. Schrijf je antwoord op als volgt:‘De maker van bron 9 vind dat Nederlands-Indië bevrijd moet worden van…, dat kan je zien aan…, de maker wil de Nederlandse bevolking motiveren om….’.
– Geef vervolgens antwoord op de vraag: ‘Welk beeld van Nederlands-Indië, de Indonesiër en de Indonesische nationalisten werd gecreëerd door de Nederlandse overheid’?
Bron 12. Waarom naar Indonesië? Niet de minste Nederlandse militair legt het uit. Onderdeel van de NPO documentaire De Oorlog.
Bron 13. De eerste Nederlandse oorlogsvrijwilligers gingen met een missie naar Nederlands-Indië. Zij zouden daar wat groots verrichten. Zo herinnerd zich de vrijwilliger in dit fragment ook de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog. Onderdeel van de NPO documentaire De Oorlog.
‘Gepousseerd door een aantal extremistische heethoofden, daarbij oogluikend gesteund door Japanse autoriteiten. Soekarno bezit zeker op Midden-Java als demagoog een reputatie en aanhang en voorlopig speelt hij nog zijn rol in het “politieke schaakspel”. Vooral extreme figuren onder de nationalisten gesteund door in Japansche geest opgeleide inheemse “Hitler-Jugend” hebben alle ruimte gekregen’.
Bron 14. Generaal Spoor had de leiding over de missie in Nederlands-Indië. Spoor had een uitgesproken mening over Soekarno. Bron: Louis Zweers, De gecensureerde oorlog: militairen versus media in Nederlands-Indië 1945-1949 (Zutphen: Walburg Pers, 2013), 30-31.
Bron 15. Wat kregen de Nederlandse militairen te horen van hun missie naar Nederlands-Indië? Bron: Andere Tijden, NPO.
Opdracht 3. De bevrijder
Bekijk bron 12 t/m 15 en jouw antwoorden van opdracht 2. Hulp bij het samenvatten.
- Vat in maximaal 150 woorden samen door wie en met welke boodschap de eerste oorlogsvrijwilligers richting Nederlands-Indië werden toegezonden. Let op de manier waarop je jouw samenvatting schrijft. De samenvatting moet te begrijpen zijn voor jouw groepsgenoten.
- Verwerk in je samenvatting één bron. Kies deze bron uit bron 4 t/m 11 en 14. Leg uit waarom jij deze bron een aanvulling vindt op jouw samenvatting.
3. Soldaat in Indonesië
Voor de eerste oorlogsvrijwilligers en dienstplichtigen uit Nederland was de aankomst in Indonesië een schok. Via propaganda werd hen voorgeschoteld dat de Indonesische bevolking stond te springen om de hulp van Nederlandse soldaten. De Indonesische vrijheidsstrijders waren een uitzondering op die regel en moesten daarom bestreden worden. Dit vijandbeeld bleek niet te kloppen en moest snel worden aangepast door de nieuwe soldaten van het Koninklijk leger (KL). De nieuwe soldaten hadden een te korte trainingsperiode gehad en wisten niet hoe zij zich moesten acclimatiseren aan de nieuwe jungleomgeving. Om de overgang te versoepelen naar een nieuw vijandbeeld, werd tijdens de bootreis de KL-soldaten verteld dat zij het voorbeeld moesten volgen van de KNIL-soldaten. Deze KNIL-soldaten waren immers gewend om in een jungleomgeving te vechten.
Het KNIL kende een traditie van geweld. Zij hadden altijd gebruik gemaakt van de Atjeh-methode. Deze methode was een strategie waarin doelgericht werd geplunderd en brandgesticht. De uitgekozen doelen hadden vaak een economische waarde, zoals rijstvelden of andere middelen van bestaan. Door de vernietiging zou de vijand gedwongen worden het verzet tegen de Nederlanders op te geven. Voor het KNIL had deze strategie altijd gewerkt en er werd vanuit gegaan dat het ook weer zou werken bij het breken van het Indonesische radicalisme en de verzetshaarden op de Indonesische eilanden. De Nederlandse overheid had echter nadrukkelijk verboden plantages en andere economisch waardevolle bedrijven te vernietigen. Deze waren nodig om de naoorlogse economie te herstellen. Hierdoor koos het KNIL steeds vaker kampongs waar mogelijke Indonesische vrijheidsstrijders te vinden waren als ‘gericht’ doel voor de Atjeh-tactiek. Kampongs waarin ook nog burgers woonden die het slachtoffer zouden worden van het oorlogsgeweld, om achteraf bestempeld te worden als noodzakelijk. Hierdoor ontstond een probleem, want de dubieuze tactieken van het KNIL voor de Tweede Wereldoorlog zochten al de scheidingslijn van functioneel oorlogsgeweld en buitenproportioneel geweld op. Met de ‘nieuwe’ doelwitten vervaagde die scheidingslijn nog meer.
‘Wat een belevenis, en wat een gelukzalig volkje! […] We begonnen aan een onbeschrijflijk mooie tocht over het eiland. We kwamen langs schitterend aangelegde sawah’s […]. We verbaasden ons over de kleurschakeringen die de natuur hier bood; over de indrukwekkende stilte om ons heen wanneer we even stilstonden; over de vriendelijkheid van de lachende en wuivende bevolking wanneer we een kampong passeerden. […] boordevol indrukken van dit exotische eiland met haar wonderlijke bewoners hadden we nog dagen stof tot praten’.
Bron 18. Getuigenis van soldaat A. Hooydonk. Bron: Van Holst Pellekaan 1993, 130-131; Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘Ik voel me helemaal niet op me gemak. Het is alles zo vreemd, warm en intens geluidloos, alsof alles om je heen dood en rottend is. Ik ben alleen en zo voel ik me ook. Erg alleen zelfs. Maar je wilt niet weten en je doet gewoon; toch inwendig vol spanning, intuïtief voorbereid op iets vreemds, waarvan je schrikken kunt’.
Bron 19. Getuigenis van een anonieme soldaat. Bron: Hofs 1950, 25. Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘We leerden een beetje van de taal, toen nog het Maleis, we kregen wat informatie over land en volk. Dat werd meestal gedaan door KNIL-militairen. Ze vertelden dat de inlanders in het algemeen vriendelijke beleefde mensen waren, maar dat we ze toch nooit moesten vertrouwen. Wij jonge knullen van 20, 21, 22 jaar, namen het zonder meer aan’.
Bron 20. Getuigenis van soldaat Zwart 1995, 135; Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘De [Indonesiër] hecht aan macht en machtsvertoon grote waarde. […] Heeft men nu werkelijk gedacht dat ons prestige herwonnen zou worden door het steeds meer verlenen van concessies? Vooral tegen [Indonesiërs]? O, gruwelijke onwetendheid van de psyche van de [Indonesiër], die zo overgevoelig is voor machtsvertoon en vooral voor karaktervolle waardigheid’.
Bron 21. Getuigenis van soldaat Helfrich 1950, 231, 253; Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
Opdracht 4. Een vreemd land, een vreemd volk en vreemde gebruiken
In 1947 toen de eerste oorlogsvrijwilligers en dienstplichtigen voet aan wal hadden gezet op Java, waren velen onder de indruk van het land en zijn inwoners. De reacties van de soldaten liepen dan ook uiteen. De onderstaande opdracht gaat over de eerste kennismaking met het nieuwe land en zijn inwoners. Gebruik bij het beantwoorden van de vragen bronnen 16 t/m 21 die in de carrousel boven de leertekst staan.
De getuigenissen van de soldaten zitten vol met verwondering, angst, vooroordelen en racisme. Deze vier factoren hebben bijgedragen aan het creëren van een cultuur waarin vaak geweld werd gebruikt om problemen op te lossen. Leg uit hoe elke factor bijdroeg aan het ontstaan van een geweldscultuur. Doe dit voor elke factor aan de hand van een citaat uit de bron. Doe dit volgens de onderstaande opzet:
- Soldaten worden uit de vertrouwde Nederlandse omgeving gehaald. Zij moeten zien te overleven in een vreemd land, met vreemde gebruiken; een cultuur waarvan ze niet weten wat wel en wat niet mag. Dit wordt de soldaten ook niet verteld door de legerleiding en de overheid.
- Het gevaar loert overal om de hoek. Samen met de nieuwe omgeving is dat zenuwslopend. Veel soldaten dachten: ‘hoe komen we hier zo snel mogelijk weg’!
- KNIL-soldaten vertelde de nieuwe militairen dat de inlanders (Indonesiërs) niet te vertrouwen waren. Ze konden het ene moment naar je lachen en het andere moment je proberen te vermoorden.
- De samenleving van de twintigste eeuw was vervuld van racisme.
Tip: Herhaal de verschillende punten in je antwoord. Dat geeft meer structuur aan je antwoord.
‘Aan het einde van de negentiende eeuw en begin twintigste eeuw braken regelmatig opstand uit in Nederlands-Indië. Deze opstanden gingen vaak gepaard met veel geweld, waarbij blanke inwoners van Nederlands-Indië slachtoffer werden van verkrachtingen en verminkingen. Het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) had een beproefde tactiek om af te rekenen met die opstanden: het koloniale leger viel de tegenstander aan, trok zich terug in het geval van een nederlaag en kwam terug met meer manschappen om de tegenstander met bruut geweld te verslaan. Het motto van het KNIL werd: ‘volledige capitulatie of volledige dood’.
De oorlogsvoering van het KNIL was gericht op de vernietiging van de bestaansmiddelen van de Indonesische bevolking, waarbij stelselmatig kampongs, akkers, boomgaarden en voorraden in as werden gelegd of geconfisqueerd door het leger. Tijdens de Atjeh-oorlog (1873-1942), een van de langslopende conflicten uit het Nederlandse koloniale verleden, zouden die tactieken massale hongersnoden en volksverhuizingen teweegbrengen. De tactieken bleken echter zeer succesvol vanuit koloniaal perspectief. Met deze Atjeh-tactieken of de Atjeh-methode, kon het Nederlandse koloniale gouvernement met een beperkte hoeveelheid manschappen een relatief groot gebied beheersen. Ook vanuit internationaal perspectief, vooral vanuit Engeland, werd met bewondering gekeken wat de Nederlanders allemaal klaar wisten te spelen in Indonesië. Deze Atjeh-methode zou tot aan de Japanse bezetting in 1942 op grote schaal worden toegepast’.
Bron 22. Een historicus over de oorlogsvoering van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger. De tactieken die werden toegepast bleken zeer effectief om een groot gebied op brute wijze te beheersen. Bewerking van Kreike, “Genocide in the Kampongs? Dutch nineteenth century colonial warfare in Aceh, Sumatra”, 307-311.
Opdracht 5. Een traditie van geweld
Bekijk bron 3 en lees bron 22. Deze opdracht gaat over de oorlogsvoering van het KNIL. Historicus Kreike beargumenteert dat de oorlogsvoering in Nederlands-Indië, met als doel het onderdrukken van nationalisme en verzet tegen het Nederlandse gezag, zowel economisch als militair was. De onderstaande vragen gaan over deze oorlogsvoering.
1. Met een beperkte hoeveelheid manschappen kon het KNIL een relatief groot gebied beheersen.
A. Leg in je eigen woorden uit welke tactiek daarvoor werd ingezet.
B. Bedenk een praktijkvoorbeeld van hoe deze tactiek eruit zou hebben gezien.
De Atjeh-methode was niet alleen militair oorlog voeren, maar ook economisch.
2. Leg uit op welke manier aan deze methode ook een economische oorlogsvoering verbonden was.
In het oorlogsrecht aan het begin van de twintigste eeuw, dat in de Neurenberger processen werd gebruik in 1945, werd vermeld wat wel en niet mocht tijdens een oorlog. We spreken dan over functioneel oorlogsgeweld (mag wel) en buitenproportioneel oorlogsgeweld (mag niet).
3. Beredeneer aan de hand van dit oorlogsrecht (jouw antwoorden bij opdracht 2 op de vorige pagina) of deze Atjeh-methode wel mocht? Gebruik in je antwoord: functioneel geweld, burgers, kampongs.
Opdracht 6. Het doorgeven van een traditie
In deze opdracht gaan we kijken hoe de (koloniale) traditie van geweld door werd gegeven tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog. Lees de onderstaande stelling.
Stelling: ‘De traditie van geweld en daarmee de Atjeh-methode werd via het KNIL doorgegeven aan de nieuwe Koninklijke Landmacht soldaten die in 1947 in Indonesië aankwamen’.
Beredeneer aan de hand van jouw antwoorden bij opdracht 4 en 5, de bronnen die je bij de opdrachten gebruikt hebt en de leertekst of jij het eens of oneens bent met de bovenstaande stelling. Houd rekening met de historische context. Jouw antwoord moet goed te volgen zijn voor jouw medeleerlingen en de docent.
4. Vechten in Indonesië
De Britse soldaten die vlak na de Tweede Wereldoorlog waren begonnen met het bevrijden van Nederlands-Indië waren oorlogsmoe. Zij hadden al tegen Nazi-Duitsland en Japan gevochten. Engeland had geen zin om ook nog een oorlog aan te gaan tegen de Republiek Indonesië, daarom hadden de Engelsen alleen Batavia bevrijd. Met de komst van de eerste Nederlandse soldaten, begonnen de Engelse soldaten met hun vertrek. De Nederlandse legerleiding wilde actie zien. De overheid wilde afwachten en tot een compromis komen met de Republiek Indonesië via de politieke weg.
De gevechten in Indonesië waren chaotisch. De Nederlandse krijgsmacht dacht dat het de wapens zou moeten opnemen tegen de Republiek Indonesië, maar kwam erachter dat de vijand verschillende vormen had aangenomen. Er was een Indonesisch leger, met een leider die niet altijd wilde luisteren naar de politieke leiders. Daarnaast waren er allerlei andere, soms machtige strijdgroepen die ook tegen het Nederlandse leger vochten, maar soms ook tegen de Republiek en tegen elkaar. Bovendien waren er op lokaal niveau allerlei paramilitaire groeperingen waarvan het onduidelijk was in hoeverre zij de republiek steunden of vooral criminele bendes waren die gebruik maakten van de situatie om zichzelf te verrijken.
Opdracht 7. Oorlog in woord en beeld
In deze opdracht ga je de oorlogssituatie vanaf 1945 tot aan 1949 beschrijven. Hiervoor gebruik je bron 23 t/m 36, die in de onderstaande carrousel staan. Druk op de pijltjes links en rechts om door de carrousel te bladeren. Door deze bronnen te bekijken en een historisch verhaal daarvan te schrijven, maak je een historische context van de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog. In deze opdracht moet je goed de verschillende bronnen interpreteren en deze contextualiseren. Hulp voor beide vaardigheden kan je vinden door naar de vaardigheden pagina te gaan.
Bron 23. De aankomst van de eerste Nederlandse soldaten. Wat was hun taak? Bron: documentaire reeks De Oorlog, NPO.
Bron 24. De eerste politionele actie: Operatie Product, had meerdere oorzaken en gevolgen. Naarmate de oorlog vorderde, werden de gevechten steeds gewelddadiger. Bron: documentaire reeks De Oorlog, NPO.
Bron 25. De Tweede politionele actie: Operatie Kraai, had als doel de Republiek Indonesië te dwingen de nieuwe Nederlandse versie van het Akkoord van Linggadjati na te komen. Bij de tweede actie wisten de Nederlandse soldaten zelfs de hoofdstad Yogyakarta van de Indonesische republiek te bereiken en politieke kopstukken als Soekarno te arresteren. Bron: documentaire reeks De Oorlog, NPO.
Bron 26. Vochten de Indonesische vrijheidsstrijders en extremisten wel een oorlog uit? Dat was de situatie waar de Nederlandse overheid, de legerleiding en de soldaten te velde zich zorgen om maakten in 1947-1949? Bron: Andere Tijden, NPO.
Bron 27. De gevechten die tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog plaatsvonden waren vaak onoverzichtelijk. Een oud-soldaat legt uit waarom. Bron: documentaire reeks De Oorlog, NPO.
‘Zo te zien zijn het echte boeven die niets met vrijheidsstrijders te maken hebben. Deze gasten maken van de gelegenheid misbruik en rampokken hun eigen volk en zien tegen verkrachten en moorden niet op’.
Bron 28. Getuigenis van soldaat Gerben Deters, op 8 Februari 1948, in Deters 1994; Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘Men weet in de extremisten te doen te hebben met terroristen en in de pemoeda’s met wreedaards, vergiftigd door haat en woede. […] De extremist is een gevaarlijke en meedogenloze vijand’.
Bron 29. Getuigenis van soldaat J.H. Sillevis Smitt, in Sillevis Smitt 1947. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘De gevangenen [vrijheidsstrijders], die we gemaakt hadden, bekenden heel goed te weten dat het staakt het vuren [de overeenkomst vlak na de eerste politionele actie tussen Nederland en de Republiek Indonesië] allang van kracht geworden was, docht de plaatselijke leiders storen zich daaraan niet. Wel weer een droevig bewijs van de lafhartigheid en trouweloosheid van de leiders der Repoebliek. Ik geloof wel dat die lui nooit te vertrouwen zijn’.
Bron 30. Interview uit 2007 met oud-soldaat Ad van der Burg, in Manders-Van der Burg 2007. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘En dan kan ieder schieten tot ze nog één kogel over hebben voor zichzelf. Want als je in handen komt van de extremisten, word je doodgemarteld. Ze snijden je vingers af en zo. Verder hebben ze nog meer martelingen, maar die kan ik niet opnoemen, want die zijn te gemeen om te beschrijven. We zullen elkander dan ook tot het laatste bijstaan. Ieder van ons is zich er ook terdege van bewust, dat de situatie hier gevaarlijk is’.
Bron 31. Getuigenis van soldaat P.A. Kooy, op 13 maart 1946, in Krosenbrink 1989. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘Een oorlog, noem het desnoods een gewapend conflict, of een politiële actie, kan een element van een zekere “fairheid” in zich hebben. […] Wie één keer gezien heeft, hoe deze tegenstanders de lijken van onze soldaten mishandelen, wie één keer gehoord heeft, op welke manier [Nederlandse soldaten], wanneer ze leven in hun handen vielen, worden vermoord, wie één keer heeft meegemaakt, hoe zij tegen de inheemse bevolking optreden (nog steeds) en tegen de Chinezen en andere minderheden, voor hem verliezen deze vrijheidsstrijders elk aureool’.
Bron 32. Een bericht van oorlogscorrespondent J.W. Hofwijk, in Hofwijk 1948. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘Ik kan met trouwens heel weinig van Depok herinneren. Wel weet ik dat bij de overdracht van de Japanners de pemoeda’s […] heel Depok hebben uitgemoord, vooral onder de christenen is op beestachtige wijze huisgehouden. En dat kunnen ze hoor, de inlanders, beesten zijn het. Wij horen de verhalen en wij weten het hoe ze gesneuvelde militairen op gruwelijke en beestachtige wijze kunnen verminken, dan komen de primitieve instincten los en ook de vrouwen doen daar dan gerust aan mee, zonder het minste bezwaar staan ze vooraan’.
Bron 33. Getuigenis van soldaat Jan Fokkens, in Fokkens 2009. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘Het [beide politionele acties] was een strijd om zelfbehoud tegen een grote overmacht van in burger geklede [vrijheidsstrijders] die, onherkenbaar, dag en nacht in je omgeving vertoefden om toe te slaan als ze zeker wisten dat ze zelf geen enkel risico liepen’.
Bron 34. Getuigenis van soldaat A. van Helvoort, in Van Helvoort, Van Oerle en Schotanus 1988. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘[Het was] een soort guerrillaoorlog van de Indonesische vrijheidsstrijders, zoals ze zich zelf noemden en zoals ze eigenlijk ook waren. Maar natuurlijk zagen wij dat toen nog niet zo, evenmin trouwens als een groot deel van de bevolking’.
Bron 35. Interview uit 2002 met oud-soldaat R.J. Idzerda, in Idzerda 2002. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘Na korte of lange tijd kwam dan bericht dat [Nederlandse soldaten] of waren gesneuveld, waarbij een aantal als beesten was afgemaakt, of sommigen er van gevangen werden genomen en afgevoerd naar een onbekende bestemming. Dat laatste kwam echter sporadisch voor, wat in grote mate afhankelijk was van degene in wiens handen ze waren gevallen. Was dat [het Indonesische leger] dan was de kans aanwezig om het er leven af te brengen. Voor de rest waren het veelal niet te beschrijven moordpartijen’.
Bron 36. Interview uit 1993 met oud-soldaat P.F. Berends, in Berends 1993. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
Bij het schrijven dit historische verhaal, oftewel een geschiedenis, moet je elke keer rekening houden dat je de oorlog vanuit de Nederlandse kant bekijkt, maar ook de gevolgen voor de Indonesische kant beredeneert. Je kijkt vanuit verschillende perspectieven naar de oorlog. Om je hierbij te helpen staat hieronder een schema. Werk dit onderstaande schema eerst in steekwoorden uit voordat je begint met schrijven.
Aan de hand van dit schema reconstrueer jij het verleden. Schrijf in hele zinnen. Als je begrippen gebruikt in je uitleg, moet je ook die begrippen uitleggen.
Tip tijdens het kijken van de video’s: Noteer de belangrijke informatie uit de video, zodat je niet elke keer weer de video opnieuw moet bekijken.
| Periode | Nederlandse kant | Indonesische kant |
| Bersiap periode | Reden van deelname aan de oorlog | Reden van deelname aan de oorlog |
| Strijdkrachten | Strijdkrachten | |
| Hoe ervaren de Nederlanders de oorlog? | Hoe ervaren de Indonesiërs de oorlog? | |
| Eerste politionele actie | Reden van de actie | Reactie op de politonele actie |
| Manier van vechten | Manier van vechten | |
| Toename van oorlogsgeweld? | Toename van oorlogsgeweld? | |
| Resultaat | Resultaat | |
| Tweede Politionele actie | Reden van de actie | Reactie op de politionele actie |
| Manier van vechten | Manier van vechten | |
| Toename van oorlogsgeweld? | Toename van oorlogsgeweld? | |
| Resultaat | Resultaat |
Bron 37. Digitale kaart van Indonesië (Google Maps). Nederlands-Indië bestond uit verschillende eilanden. Op verschillende eilanden ontstonden verzetshaarden tegen het Nederlandse gezag. Om dit verzet te breken moest het Nederlandse leger verspreid worden over een gigantisch omvangrijk gebied.
Opdracht 8. Geografische beperkingen
Bekijk bron 37. Deze bron is een digitale weergave van Indonesië. De kaart kan bewogen worden, zodat de omvang van Indonesië vergeleken kan worden met de omvang van Nederland. Bekijk de Indonesische geografie. Het Indonesische archipel staat bekend om zijn dichte en slecht begaanbare jungles, onbegaanbare bergketens en beklemmende tropische klimaat.
De Nederlandse overheid had maar een beperkt aantal Nederlandse soldaten om tijdens de politionele acties in te zetten. Beredeneer met welke 3 problemen het Nederlandse leger te maken heeft gekregen aan de hand van: de Indonesische geografie, het klimaat en landschap.
5. Extreem oorlogsgeweld, maar ook oorlogsmisdaden?
Nederlandse leger had niet genoeg manschappen om iedere soldaat van rugdekking te voorzien. Dat maakte op patrouille gaan heel gevaarlijk. Historici en Nederlandse soldaten over de gevolgen voor dit tekort aan soldaten in hun strijd tegen de guerrillatactiek van de Indonesische tegenstander:
‘De patrouille gebieden waren 1200 km2 groot, oftewel kleiner dan de provincie Utrecht. Ongeveer 360 militairen werden voor geregelde patrouille ingezet. Veelal waren de Indonesische gebieden moeilijk begaanbaar. Soldaten hadden te maken met dicht begroeide, onbegaanbare gebergten of ondoordringbare moerassen. Op de in slechte staat verkerende wegen kon men 7 km per uur rijden in een truck als dat nodig was. Dat betekende dat men de sectoren te voet moest patrouilleren. Veel gebieden konden daardoor vrijwel niet op vijanden worden gecontroleerd en beheerst worden. De Indonesische vrijheidsstrijders begonnen zich tevens te verschuilen in de Indonesische kampongs. Voor de Nederlandse soldaten was het verschrikkelijk gevaarlijk de kampongs uit te kammen opzoek naar vijanden, aangezien de Nederlandse soldaten met te weinig waren om dit effectief te doen en elkaar van voldoende rugdekking te voorzien’.
Bron 38. Historicus J. A. A. van Doorn over patrouille gebieden. Bewerking uit: Doorn, J. A. A. van, en Willem J Hendrix. Het Nederlands/Indonesisch conflict: ontsporing van geweld. 3de druk. Amsterdam/Dieren: Bataafsche Leeuw, 1985.
‘Voor veel militairen begon vanaf medio 1947 een afmattend bestaan op kleine buitenposten. Zij moesten daarnaast vaak aanzienlijk langer dienen dan hun was toegezegd en hen werd nauwelijks rust en recuperatie gegund. Bovendien schoot de organisatie van de toch al karige ontspanning tekort. Veel militairen raakten daardoor uitgeput en waren niet meer inzetbaar. Militaire artsen stuurden de legerleiding alarmerende rapporten over ziekteverzuim en vermoeidheidsverschijnselen, die in hun ogen vooral het gevolg waren van het troepentekort. Als gevolg van de onderbezetting, in combinatie met te ambitieuze doelen van het hoofdkwartier, stonden bovendien geen reserves ter beschikking. In deze omstandigheden werden individuen die bekend stonden als rotte appels of zelfs ‘psychopaten’, onder wie ook officieren, vaak niet op non-actief gesteld’.
Bron 39. Historicus Rémy Limpach over de gevolgen van onder bemanning. Bewerking uit: Rémy Limpach, 'Extreem Nederlands militair geweld tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog 1945-1949', in Militaire spectator, http://www.militairespectator.nl/thema/geschiedenis-operaties/artikel/extreem-nederlands-militair-geweld-tijdens-de-indonesische.
‘In opdracht van de commandant werden kampongbewoners beroofd en bestolen. Erger was natuurlijk dat er bij herhaling door onze troepen huizen in brand gestoken werden, omdat er geruchten binnenkwamen dat aan lui van de TNI [vrijheidsstrijders] onderdak was verleend. Soms werd een heel dorp afgebrand’.
Bron 40. Getuigenis van soldaat Jan Glissenaar, uit 1949. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘Overal waar je daar ook kwam werd je met vuur uit de kampongs ontvangen, en daar woonden gewone mensen. Het is logisch dat er dan met tegenvuur van ons altijd mensen de dood vonden, en je kon daar niets aan doen omdat de TNI-troepen zich altijd verschansten in de kampongs. Als wij de kampongs met mitrailleurvuur bestookten, zaten de meesten wel onder de grond, maar er waren altijd slachtoffers. En dat was vaak pijnlijk, ook voor ons’.
Bron 41. Getuigenis van soldaat Jan te Golde, uit 1949. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
’s Avonds begint een flink artilleriebombardement, een der kampongs betaalt de prijs voor ’n paar sniperschoten. Jammer dat daarin ook de levens van onschuldige mannen, vrouwen en kinderen verdisconteerd zijn’.
Bron 42. Getuigenis van artillerie soldaat J. P. H. Peters. Bron: J. P. H. Peters, A.A.T. ers in Indië 2046: 7de A.A.T. compagnie, O.V.W.-ers (Venlo: De auteur, 1999), 100.
‘In enkele regio’s waar de Nederlandse militaire aanwezigheid tot een minimum was teruggebracht, moesten voortaan slecht uitgeruste en opgeleide hulptroepen, waaronder veiligheidsbataljons, ondernemingswachten of politiemensen, dit vacuüm zien op te vullen. Het afschuiven van taken naar grotendeels [Indonesische] en onvoldoende toegeruste hulptroepen mondde regelmatig uit in extreem geweld, mede omdat de opstandelingen liever deze eenheden aanvielen dan de in het open gevecht superieure Nederlandse militairen te lijf gaan. Deze met de Nederlanders samenwerkende Indonesiërs werden door de vrijheidsstrijders op gruwelijke wijze gedood of gemarteld. De Nederlanders sloegen fel terug, om zo spoedig mogelijk de daders ter verantwoording te brengen’.
Bron 43. Historicus Rémy Limpach over de gevolgen van onderbemanning. Bewerking uit: Rémy Limpach, 'Extreem Nederlands militair geweld tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog 1945-1949', in Militaire spectator, http://www.militairespectator.nl/thema/geschiedenis-operaties/artikel/extreem-nederlands-militair-geweld-tijdens-de-indonesische.
‘Om acht uur kwamen ze van de richting Semarang, Vijf Spitfires [gevechtsvliegtuigen]. Eerst cirkelden ze er boven en begonnen toen met hun loopings. Twintig minuten lang. De ene bom na de andere, de ene mitrailleurband na de ander [werden losgelaten op de kampong waar vermoedelijk guerrillastrijders verborgen zaten]. Ik stond er met een verrekijker naar te kijken. Op de gezichten van de achtergebleven militairen was een glimlach te zien. De Djongossen juichten en de bevolking stond te kijken. Het was een machtig gezicht en de enige oplossing, maar toch werd ik een beetje angstig. Het ging te hard. Ik weet niet hoe ik het zeggen moet. Het moest, het is hard, maar de onschuldige bevolking, of is die er ook schuld[ig] aan’?
Bron 44. Getuigenis van soldaat W.J. Tomesen, op 3 augustus 1949, in Krosenbrink 1989. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
‘Deze bekwame hoofdofficier – die helaas sneuvelde – verzette zich ernstig tegen onnodig en ongeoorloofd hard optreden van patrouilles van het 16e Bat. Te Sengkang, wanneer deze de grenzen van de afdeling Paréparé overschreden. Moordend en brandend trokken deze patrouilles door de kampongs. […] Persoonlijk heb ik veel waardering voor het optreden van de militairen in Zuid-Celebes, maar daarom juist acht ik het afmaken van gevangenen onterend voor ons leger. […] De geruchten over hardvochtig optreden van militairen waren vele’.
Bron 45. De legerleiding en de overheid gaven het bevel om vuur met vuur te bestrijden. Speciale eenheden werden naar Nederlands-Indië gestuurd om een contraguerrilla aan te gaan. Een soldaat van de inlichtingendienst legt een verklaring af naar aanleiding van de dood van een commando. Bron: NA, AS 3742, Peddemors aan Jonkman, 16 juli 1947.
‘De Knillers waren zo hardhandig dat mijn eigen Hollandse soldaten zeiden: dat willen we niet. Toen heb ik een verhoor zelf geleid, keurig volgens de regels. Maar het duurde wel tienmaal zo lang als wanneer zo’n KNIL-sergeant het deed. Dat heb ik dus maar niet meer herhaald [en gaven we de gevangen voortaan weer aan het KNIL], maar bij ons werd niet onder stroom verhoord’.
Bron 46. Getuigenis van een KL-sergeant uit 1948. Bron: Scagliola en Kerkvliet-Oldewarris, Last van de oorlog: de Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië en hun verwerking, 44.
Bron 47. Een Baboe (wasvrouw) doet de was. Er waren veel Indonesische vrouwen die voor het Nederlandse leger werkten. Zij deden de was voor de soldaten. Daarnaast kwam het voor dat zij geld aannamen in ruil voor seks. Veel gevallen zijn ook bekend dat de seks niet vrijwillig was. De baboes vreesden om ontslagen te worden of erger als zij geen seks hadden met de soldaten.
Opdracht 9. Gevolgen van de onderbezetting.
In deze opdracht ga je uitzoeken welke gevolgen het tekort aan militairen had voor de oorlogssituatie in Nederlands-Indië in de periode 1947-1949. Ook kijk je naar de manier waarop de Nederlandse soldaten probeerden terug te vechten tegen de guerrilla tactieken van de Indonesische vijand. Vervolgens wordt aan de hand van het oorlogsrecht van 1949, het perspectief van de Nederlandse soldaten en het perspectief van de Indonesische vrijheidsstrijders gekeken of er sprake is van extreem oorlogsgeweld. Tevens ga je kijken of de betrokken Nederlandse soldaten het geweld als een misdaad beschouwden. Hetzelfde doe je voor de Indonesische strijdkrachten. De Nederlandse soldaten en vrijheidsstrijders zullen vast en zeker een mening over dit geweld hebben gehad. Tip: dit is geen juridisch oordeel. Je kijkt of iets bestempelen als een misdaad, ook een kwestie van perspectief kan zijn.
Bij de onderstaande vragen moet je de bron elke keer interpreteren. Kijk daarbij ook goed naar het onderschrift van de bron. Elke vraag bestaat uit een aantal gedeelten die jouw helpen met deze interpretatie. Gebruik bron 38 t/m 47.
1. Bekijk Bron 38, historicus J. A. A. van Doorn over patrouille gebieden.
A. Leg vanuit militair perspectief uit wat het gevolg was van een tekort aan manschappen voor het Nederlandse leger in Indonesië.
B. Door een tekort aan manschappen liepen de Nederlandse soldaten door de guerrillatactiek van de Indonesische vrijheidsstrijders extra risico bij het uitkammen van een kampong. Leg uit waarom de Nederlandse extra risico liepen.
C. Is in de bron sprake van extreem geweld? Gebruik in je antwoord een citaat uit de bron en uit het oorlogsrecht.
D. Is er in de bron sprake van een oorlogsmisdaad? Betrek in je antwoord het perspectief van de Nederlandse soldaten, maar ook het perspectief van de Indonesische vrijheidsstrijders.
2. Bekijk bron 39, historicus Rémy Limpach over de gevolgen van onder bemanning.
A. De bemanning had niet alleen militaire maar ook sociale gevolgen. Beredeneer aan de hand van bron 39 welke sociale gevolgen de onderbemanning had voor soldaten onderling, maar ook voor de contacten tussen de Nederlandse soldaten en de Indonesische bevolking.
B. Beredeneer dat als het gedrag van deze psychopaten niet bestraft werd, de andere militairen dit gedrag konden gaan overnemen. Gebruik in je antwoord: bestraffing, legerleiding, gedogen, overnemen.
C. Is in de bron sprake van extreem geweld? Gebruik in je antwoord een citaat uit de bron en uit het oorlogsrecht.
D. Is er in de bron sprake van een oorlogsmisdaad? Betrek in je antwoord het perspectief van de Nederlandse soldaten, maar ook het perspectief van de Indonesische vrijheidsstrijders.
3. Bekijk bron 40, de getuigenis van Jan Glissenaar uit 1949.
A. In bron 40 heeft Glissenaar het over een militaire tactiek. Leg de militaire tactiek uit en welke oorzaken en gevolgen die tactiek had voor de Nederlandse soldaten. Gebruik in je antwoord: Kampongs, Indonesiërs, relatie.
B. Is in de bron sprake van extreem geweld? Gebruik in je antwoord een citaat uit de bron en uit het oorlogsrecht.
C. Is er in de bron sprake van een oorlogsmisdaad? Betrek in je antwoord het perspectief van de Nederlandse soldaten, maar ook het perspectief van de Indonesische vrijheidsstrijders.
4. Bekijk bron 41, de getuigenis van soldaat Jan te Golde uit 1949.
A. Waarom vielen er zoveel burgerslachtoffers aldus soldaat Jan te Golde?
B. Beredeneer waarom Te Golde dit pijnlijk vond?
C. Is in de bron sprake van extreem geweld? Gebruik in je antwoord een citaat uit de bron en uit het oorlogsrecht.
D. Is er in de bron sprake van een oorlogsmisdaad? Betrek in je antwoord het perspectief van de Nederlandse soldaten, maar ook het perspectief van de Indonesische vrijheidsstrijders.
5. Bekijk bron 42, de getuigenis van artillerie soldaat J. P. H. Peters.
A. In de bron staat dat een artilleriebombardement werd uitgevoerd. Leg uit waarom deze plaatsvond.
B. Wat is het risico van zo’n bombardement voor de burgers wonend in de kampongs?
C. Is in de bron sprake van extreem geweld? Gebruik in je antwoord een citaat uit de bron en uit het oorlogsrecht.
D. Is er in de bron sprake van een oorlogsmisdaad? Betrek in je antwoord het perspectief van de Nederlandse soldaten, maar ook het perspectief van de Indonesische vrijheidsstrijders.
6. Bekijk bron 43, historicus Rémy Limpach over de gevolgen van onderbemanning.
A. Welke gevolgen had de onderbemanning in het Nederlandse leger voor de Indonesische bevolking
B. Leg uit op welke manier dit zowel aan de kant van de vrijheidsstrijders als aan de Nederlandse kant kon leiden tot extreem geweld?
C. Is in de bron sprake van extreem geweld? Gebruik in je antwoord een citaat uit de bron en uit het oorlogsrecht.
D. Is er in de bron sprake van een oorlogsmisdaad? Betrek in je antwoord het perspectief van de Nederlandse soldaten, maar ook het perspectief van de Indonesische vrijheidsstrijders.
7. Bekijk bron 44, de getuigenis van soldaat W.J. Tomesen uit 1949. De actie beschrijven in bron 44 vond plaats naar aanleiding van vijftig vrijheidsstrijders die zich hadden verscholen in een kampong.
A. Soldaat W.J. Tomesen zegt dat de actie nodig was. Leg uit waarom Tomesen vond dat de actie met de spitfires nodig was.
B. Tomesen vind het erg voor de bevolking in de kampong, maar ook voor de bevolking die staat toe te kijken samen met de Nederlandse militairen. Toch heeft hij zo zijn twijfels over de onschuld van de bevolking. Beredeneer waarom Tomesen twijfelt.
C. Is in de bron sprake van extreem geweld? Gebruik in je antwoord een citaat uit de bron en uit het oorlogsrecht.
D. Is er in de bron sprake van een oorlogsmisdaad? Betrek in je antwoord het perspectief van de Nederlandse soldaten, maar ook het perspectief van de Indonesische vrijheidsstrijders.
8. Bekijk bron 45, de getuigenis van een soldaat van de militaire inlichtingendienst uit 1947.
A. Leg uit waarom een contraguerrilla werd aangegaan. Betrek in je antwoord de mening van de maker van de bron.
B. Is in de bron sprake van extreem geweld? Gebruik in je antwoord een citaat uit de bron en uit het oorlogsrecht.
C. Is er in de bron sprake van een oorlogsmisdaad? Betrek in je antwoord het perspectief van de Nederlandse soldaten, maar ook het perspectief van de Indonesische vrijheidsstrijders.
9. Bekijk bron 46, de getuigenis van een KL-sergeant uit 1947.
A. Beredeneer waarom de KL-sergeant een gevangene verhoorde, maar in het vervolg dit overliet aan het KNIL.
B. Beredeneer dat deze KNIL-methoden het extreem geweld liet toenemen.
C. Is in de bron sprake van extreem geweld? Gebruik in je antwoord een citaat uit de bron en uit het oorlogsrecht.
D. Is er in de bron sprake van een oorlogsmisdaad? Betrek in je antwoord het perspectief van de Nederlandse soldaten, maar ook het perspectief van de Indonesische vrijheidsstrijders.
Het KNIL was er om de ‘nieuwe jongens’ te ondersteunen bij de aankomst in Indonesië. Zij wisten hoe je tegen een guerrilla moest vechten: op dezelfde brute manier terugslaan.
10. Beredeneer aan de hand van wat je tot nu toe geleerd hebt over het KNIL, de traditie van geweld en de onderbezetting; dat de nieuwe Nederlandse soldaten de tactieken van het KNIL overnamen om zich staande te houden in de gevechten tegen de Indonesische vrijheidsstrijders.
11. Bekijk bron 39 en 47.
A. Leg uit dat de gevolgen van de onderbemanning uit bron 39 kon leidden tot seksuele misdragingen beschreven in bron 47.
B. Is in de bron sprake van extreem geweld? Gebruik in je antwoord een citaat uit de bron en uit het oorlogsrecht.
C. Is er in de bron sprake van een oorlogsmisdaad? Betrek in je antwoord het perspectief van de Nederlandse soldaten, maar ook het perspectief van de Indonesische vrijheidsstrijders.
6. Verhulling
Naarmate de oorlog vorderde, ontstonden er steeds vaker geruchten dat Nederlandse soldaten zich schuldig maakten aan extreem oorlogsgeweld. De Nederlandse legerleiding en de overheid deden nauwelijks iets om dit geweld te voorkomen. Incidenten van extreem geweld werden gelegitimeerd weggeschreven in de officiële verslagen van de legerleiding als ‘noodzakelijk om de veiligheid van het personeel te waarborgen’. Ook werden incidenten door de legerleiding goed gepraat, want het was logisch dat de soldaten soms uit wraak vrijheidsstrijders doodschoten als diezelfde strijders eerder op ‘gruwelijke’ wijze een kameraad hadden gedood. Voor soldaten gold een andere gedachtegang. Als methoden effectief waren gebleken, ook al waren daarbij burgerslachtoffers gevallen en daardoor verboden volgens het oorlogsrecht, dan werden ze vaker toegepast vanuit de mentaliteit: ‘liever zij dood dan ik’. Als deze methoden niet werden afgestraft, konden de soldaten gaan denken dat ze goedgekeurd werden door de legerleiding. Het gevolg was dat dit soort tactieken wijdverspreid voorkwamen.
Vanuit de legerleiding werd dan ook actief aan verhulling gedaan door enerzijds de bestraffing van extreem oorlogsgeweld over te laten aan officieren te velde, die vaak kozen voor een tik op de vingers. Anderzijds door bewust niet over te gaan op een krijgsraad, aangezien deze het imago van het leger zou schaden en een mogelijk risico zou vormen voor de missie in Indonesië. Een slecht imago zou kunnen betekenen dat de Nederlandse samenleving niet meer achter de missie in Indonesië zou staan. De legerleiding had die steun hard nodig om de missie succesvol ten einde te brengen, aangezien het alle oorlogsvrijwilligers kon gebruiken.
Ook Nederlandse ambtenaren in Indonesië en Nederland verhulden extreem geweld door soldaten. De ambtenaren vonden dat zij niet bevoegd waren soldaten te vervolgen: dat was de taak van de legerleiding. Bovendien wilden deze overheidsfunctionarissen niet het imago van het leger en daarmee de Nederlandse missie schaden door actief soldaten te vervolgen. De geruchten van extreem geweld strookten niet met het zelfbeeld wat veel Nederlanders hadden: de strijder die vocht voor mensenrechten en dat had aangetoond door te vechten tegen de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er werd gedacht dat het allemaal wel mee viel en dat dit extreem oorlogsgeweld incidenteel was.
Bron 48. Naarmate de oorlog vorderde begon het geweld aan Nederlandse en Indonesische kant te escaleren. Beide kanten werden steeds gewelddadiger. Bron: documentaire reeks De Oorlog, NPO.
Bron 49. Twee perspectieven op de periode 1947-1949. Bron: documentaire reeks De Oorlog, NPO.
‘De lijken van de [standrechtelijk] geëxecuteerden moesten worden opgegraven en verbrand, om zo de sporen van het lugubere bedrijf uit te wissen, voordat het wereldkundig zou kunnen worden gemaakt. Dit duurde tot middernacht en het scheen dat alle sporen waren uitgewist’.
Bron 51. Interview met oud-soldaat Math Jalhay uit 1983. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis, 154.
‘Ook in het havengebied waren uiteraard hongerlijders die wel eens probeerden wat eten te stelen. […] De meesten van hen werden met een welgemikt schot van de KNIL-man als een rat doodgeschoten. De lijken werden vervolgens door koelies in een jutezak gestapt en achter het gebouw begraven. […] De soldaat die het schot gelost had was trots op zijn daad’.
Bron 54. Memoires van soldaat Jan van ’t Zand, in Van ’t Zand 1994. Bron: Bron 50. Interview met oud-soldaat Math Jalhay uit 1983. Bron: Oostindie, Hoogenboom, en Verwey, Soldaat in Indonesië, 1945-1950: getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis, 193.
‘Netherlands cooperation is necessary before Military Observers can function at all in the field […], mainly because of scarcity of supplies, accommodation and amenities in occupied areas’.
Bron 55. Een Amerikaanse VN-waarnemer over de samenwerking met de Nederlanders tijdens het conflict in Indonesië. Bron: NA, SNI, 1352, Milex Board directive no. 5, Major John H. Harden (USA), 2 februari 1949.
‘Het oorlogsrecht stelde dat deze [controleurs] nodig waren om het recht te bewaken en legereenheden te wijzen op de grenzen van aanvaardbaar oorlogsgeweld en buitenproportioneel oorlogsgeweld. De Verenigde Naties (VN) en de Veiligheidsraad stuurden wel militaire waarnemers naar Indonesië, maar die waren met te weinig om grondig onderzoek te kunnen doen naar extreem oorlogsgeweld in de oorlogsgebieden. Bovendien werden de aanvragen van de buitenlandse waarnemers om bepaalde gebieden te controleren langzaam verwerkt. Hierdoor konden soldaten makkelijk gevallen van extreem geweld verdoezelen’.
Bron 50. Historicus Rémy Limpach over het belang van externe controle tijdens oorlogsconflicten. Bewerking uit: Limpach, De brandende kampongs van generaal Spoor, 565.
Opdracht 10. Verhulling van geweld
Bekijk bron 48 t/m 55. Historicus Rémy Limpach kwam in 2016 er achter dat gevallen van extreem geweld op verschillende niveaus verhuld werden: door de soldaten, legerleiding en de overheid. Hierover schreef hij een boek: De brandende kampongs van Generaal Spoor. Vanuit deze drie groepen ga jij achterhalen waarom extreem geweld werd verhuld en de gevolgen van deze verhullingen. Gebruik het onderstaande schema bij het uitwerken van deze oorzaken en gevolgen; en welke bronnen je moet gebruiken.
| Wat moest er verhuld worden | Reden verhulling vanuit het oogpunt van de soldaten | Reden verhulling vanuit het oogpunt van de legerleiding | Reden verhulling vanuit het oogpunt van de overheid | Mogelijke gevolgen van de verhulling | |
| Bron 51 | 1 argument | n.v.t. | 1 argument | 1 argument | 1 argument |
| Bron 52 | 2 argumenten | n.v.t. | n.v.t. | n.v.t | 2 argumenten |
| Bron 54 | 1 argument | 1 argument | 1 argument | 1 argument | 1 argument |
Opdracht 11. Gevolgen van de verhulling
In de vorige opdracht heb je gekeken vanuit 3 verschillende perspectieven naar de reden achter verhullingen. Bekijk nog een keer bron 50 en 55. In het boek De brandende kampongs van Generaal Spoor stelt Limpach het volgende:
Door het verhullen van extreem oorlogsgeweld en het uitblijven van bestraffingen van soldaten, had als gevolg dat dit geweld steeds normaler werd en steeds frequenter voorkwam.
Leg uit wat Limpach bedoeld met de bovenstaande conclusie. Houd rekening met:
- De manier waarop Nederlanders en Indonesiërs met elkaar omgingen.
- Onder bemanning en extreem geweld.
- De guerrilla en contraguerrilla.
- Redenen achter de verhulling.
- Gebrek aan externe controle (door een onafhankelijke partij).
Opdracht 11. Extreem oorlogsgeweld in perspectief
Een aantal historici doen onderzoek naar extreem oorlogsgeweld tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog. Hun opvattingen verschillen. Lees hieronder de verschillende opvattingen:
- Historicus A: ‘Het oorlogsgeweld is toe te schrijven aan enkele rotte appels binnen het leger. Deze soldaten gebruikten extreem geweld zoals verkrachtingen, moord een roof om te bereiken wat zij wilden. Het extreem oorlogsgeweld tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog is dan ook alleen toe te schrijven aan deze soldaten. De overheid, legerleiding en overige soldaten moeten niet op dit extreem geweld worden afgerekend. Het creëren van een oorlogssituatie waarin extreem oorlogsgeweld werd gebruikt was niet het doel van de missie naar Nederlands-Indië. Orde en rust moesten naar de kolonie worden gebracht. De collaborateurs die tijdens de bezetting hadden samengewerkt met Japan moesten gestraft worden; zij zouden niet de mening van de Indonesiër vertegenwoordigen. Ook moesten de oorlogsmisdadigers uit de Bersiap periode via het oorlogsrecht worden bestraft. Dat de situatie zou escaleren in een oorlog waarin extreem geweld werd gebruikt, had niemand kunnen voorzien. De overheid, legerleiding en de soldaten mogen dan ook niet worden afgerekend op die ontstane situatie’.
- Historicus B: ‘Veel soldaten waren schuldig aan extreem oorlogsgeweld. Dit geweld werd via het KNIL doorgegeven aan de oorlogsvrijwilligers en dienstplichtigen die uit Nederland kwamen. De propagandafilmpjes en posters, door de voorlichtingsdienst van het leger opgesteld, droegen bij aan een vijandbeeld waardoor de soldaten sneller geneigd waren te grijpen naar oorlogsgeweld en steeds vaker extreem oorlogsgeweld’. Bovendien vond de legerleiding dat de soldaten geen gevaar mochten lopen tijdens militaire acties. Vaak werd gekozen voor het bombarderen van een kampong of het in brand steken van een kampong. Hierbij kwamen burgers om het leven. Dus sommige soldaten, heeft ook de legerleiding heeft bijgedragen aan een situatie waarin extreem oorlogsgeweld steeds normaler werd’.
- Historicus C: Voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog werden problemen in de kolonie opgelost door gerichte verwoestingen aan te richten, waarbij vaak burgers het slachtoffer werden van dit oorlogsgeweld. Deze traditie werd doorgegeven via het KNIL aan de nieuwe soldaten die uit Nederland kwamen. Deze methode was de enige manier voor de soldaten om zich staande te houden in een oorlogssituatie die beangstigend en gevaarlijk was. Door deze methode vervaagden de grenzen van wat voor soort geweld was toegestaan en wat niet. De overheid en de legerleiding grepen niet in. Zij hadden een oorlog te winnen en waren afhankelijk van de publieke opinie in Nederland. Geruchten van extreem geweld mochten dan ook niet Nederland bereiken. Het beeld wat geschetst werd door de propaganda moest intact blijven. Nederland bracht orde en rust, geen geweld en chaos. Extreem geweld werd niet bestraft. Door deze factoren zijn zowel soldaten, legerleiding als de overheid schuldig aan het creëren van een oorlogssituatie waarin extreem oorlogsgeweld gebruikt werd.
Met welke historicus ben jij het eens, als jij een zo compleet mogelijk beeld wilt geven van het geweld tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog? Leg uit waarom jij het met hem eens bent. Betrek in je antwoord het perspectief van de Nederlandse soldaten, legerleiding en de overheid. (Tip: gebruik de antwoorden en de kennis die je hebt opgedaan uit de vorige opdracht).




















