Verlichtingsideeën en de democratische revoluties 1650-1848

Vrouwen uit de derde stand marcheren richting Versailles. Het gewone volk durfde door de slechte economische, sociale en politieke omstandigheden de wapens op te nemen tegen hun vorst, gemotiveerd door verlichte ideeën.

Ideeën van de verlichting over de ideale samenleving, 1650-1789

Halverwege de 17e eeuw ontstond het verlichte denken. Traditie en (bij)geloof moesten plaatsmaken voor verstand en rede, omdat wetenschappers en filosofen deze oude inzichten ter discussie stelden met behulp van empirisme en rationalisme. Tevens streden de verlichte denkers tegen intolerantie en misbruik van macht door kerk en staat.

De Verlichting zorgde voor grote veranderingen in het denken over sociale verhoudingen, politiek, economie en religie. De inrichting van de samenleving moest op de rede gebaseerd zijn in plaats van op erfelijke rechten en plichten of religieuze ideeën. Verlichte denkers publiceerden ideeën over de soevereiniteit en de relatie tussen vorst en onderdaan, staat en burger, vrijheid en gelijkheid. De ontdekking en publicatie van natuurwetten stimuleerden de discussie over de invloed van God op het dagelijks leven. Hierbij werden ideeën geformuleerd over de scheiding van kerk en staat en religieuze tolerantie. Het nadenken over de ideale samenleving versterkte het vertrouwen in het verstand en het rationeel denken van de mens, wat leidde tot optimisme en dat de samenleving gekenmerkt was door vooruitgang: de vooruitgangsgedachte.

Tussen de verlichte denkers werden tegenstellingen zichtbaar. In gematigde stromingen die een evenwicht zochten tussen rede en traditie, en radicale stromingen die uitgingen van universele waarden als democratie, gelijkheid en vrijheid van meningsuiting. Daarnaast bediscussieerden de verlichte denkers de grenzen van de mogelijkheden van het verstand en de rede. Verlichte denkers waarschuwden voor het gevaar van radicalisme als gevolg van het consequent doorvoeren van het rationalisme.

De Verlichting en haar ideeën kwamen op toen de macht van vorstenhuizen op politiek, economisch, militair en religieus gebied verder werd gecentraliseerd en uitgebreid. Legitimatie voor deze machtsuitbreiding werd gevonden in het Droit Divin.

De Verlichting leidde tot een verandering in de politieke cultuur. Ideeën werden op verschillende manieren openbaar gemaakt. Vorsten moesten rekening houden met de publieke opinie in alle lagen van de bevolking. De publicatie van (radicale) verlichtingsideeën werd angstvallig in de gaten gehouden en soms verboden. In sommige landen omarmden monarchen verlichte ideeën, zonder het absolutisme los te laten. Het algemeen belang als idee kwam bij deze vorsten steeds meer op de voorgrond te staan. Dat betekende niet dat de vorsten het algemeen belang ook altijd behartigden.

  • 23     Het streven van vorsten naar absolute macht.
  • 26     Wetenschappelijke revolutie.
  • 27     Rationeel optimisme en een ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.
  • 28     Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur eigentijdse verlichte vorm te geven (verlicht absolutisme.
Voltaire was voor vrijheid van denken en meningsuiting; en niet vervolgd mocht worden op basis van je ideeën. Daarnaast vond hij dat de staat geregeerd moest worden door een verlicht vorst; het volk was niet geschoold genoeg om te kunnen besturen.
Kant beschouwde de Verlichting als het vermogen je verstand te gebruiken en zelf op onderzoek uit te gaan. Er is geen rede zonder waarneming en andersom; we interpreteren waarnemingen vanuit ons eigen perspectief.
Spinoza: 'de natuur is door God geschapen, waarbij God verweven is met de natuur. Goddelijk ingrijpen komt dan ook voort uit de natuur en is niet bovennatuurlijk. Deze natuurlijke gebeurtenissen zijn te doorgronden door logica en rede'.
Rousseau en Locke beargumenteerden dat iedereen moet doen wat goed is voor het volk (Algemene Wil). Door wetten en rechten te creëren die voor iedereen gelijk zijn, wordt de algemene wil belichaamd in een sociaal contract tussen volk en machthebbenden.

Franse revolutie (1789-1815), uiting van de Verlichting?

  • 23     Het streven van vorsten naar absolute macht.
  • 27     Rationeel optimisme en een ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.
  • 30     De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.

De Franse koningen probeerden de opkomst van verlichte ideeën waarin het functioneren van het Ancien Régime werd bekritiseerd te onderdrukken. In de derde stand groeide verzet. Rijke burgers wilden meer invloed op het bestuur en arme burgers wilden vooral een beter bestaan. Boeren streefden naar een eerlijkere grondverdeling en een afschaffing van de herendiensten. De gebreken van het Ancien Regime werden duidelijker zichtbaar door de staatsschuld, die groeide vanwege de vele gevoerde oorlogen. In 1789 leidde een financiële crisis tot het besluit van Lodewijk XVI om de Staten-Generaal bijeen te roepen. Hierop volgde een aantal revoluties waarin hervormingen werden geëist.

De eerste revolutie resulteerde in de Verklaring van de Rechten van de Mens in 1789 en de grondwet van 1791. Frankrijk werd een constitutionele monarchie waarbij de standenmaatschappij en de voorrechten van de adel en geestelijkheid werden afgeschaft. In 1792 vond een tweede revolutie plaats: Frankrijk werd een republiek en de Jacobijnen kregen de macht in handen. Deze machtsovername zorgde voor een radicalisering van de revolutie. Tegenstanders werden onder leiding van Robespierre op grote schaal vervolgd en ter dood gebracht. Dit schrikbewind kwam in 1795 ten val. Een andere groep revolutionairen (Girondijnen) namen de macht over en draaiden een aantal veranderingen terug. Dit nieuwe bestuur werd het Directoire genoemd. De onrust en chaos bleven voortduren onder de gematigd revolutionairen. In 1799 maakte de generaal Napoleon Bonaparte een eind aan het Directoire. Hij kroonde zich tot keizer en veroverde een groot deel van Europa. De grondwet bleef in aangepaste vorm bestaan.

Door het aannemen van een nieuwe grondwet, werden alle inwoners van Frankrijk gelijk voor de wet. Ook Lodewijk XVI werd gezien als een burger (burger Capet). De onthoofding van burger Capet (1792) toonde dat iedereen gelijk was voor deze wet, ook Capet.
Als de Staten-Generaal bij elkaar kwamen, mocht elke stand klachtenbrieven verzamelen om deze te bespreken tijdens de vergadering. De onvrede bij de derde stand was groot, zoals bleek uit de 60.000 brieven die werden verzameld.
In 1791 werd de wet Le Chapelier aangenomen. Deze wet verbood het vormen van bondgenootschappen onder beroepsgroepen. Hierdoor werden gilden en vakbonden verboden. Het doel: gelijke arbeidskansen voor iedereen.
Het gelijkheidsprincipe van de Franse Revolutie werd in 1804 vastgelegd in de Code Napoleon. Dit burgerlijk wetboek stelde dat elke man recht had op een eerlijk strafrechtelijk proces, met een uitspraak door een jury van burgers.

De invloed van de Verlichting op de politieke cultuur, 1815-1848

  • 28     Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur eigentijdse verlichte vorm te geven (verlicht absolutisme).
  • 30     De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.
  • 36     De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.

Tijdens het Congres van Verona (1822) probeerden de restauratie gezinde landen Rusland, Engeland, Oostenrijk en Frankrijk de democratische revoluties in Europa een halt toe te roepen. Besloten werd dat er ingegrepen zou worden wanneer revoluties dreigden.

In 1815 werd tijdens het Congres van Wenen geprobeerd stabielere orde te vormen door de situatie van voor de Franse Revolutie zoveel mogelijk te herstellen en een machtsevenwicht tussen de Europese staten te creëren. Verworven veranderingen en vrijheden geïnspireerd door de Verlichting werden zo veel mogelijk teruggedraaid. Het terugdraaien, of restaureren, werd tijdens het Congres van Verona in 1822 verder gezet. Hier werd besloten dat de restauratie gezinde landen zouden ingrijpen wanneer er vormen van revolutie dreigden te ontstaan in de wereld.

Als reactie op deze Restauratie ontstonden in de 19e eeuw politieke stromingen die hun ideeën baseerden op de Verlichte idealen. Deze stromingen maakten gebruik van de veranderende politieke cultuur waarin de publieke opinie een steeds grotere rol kreeg. Onder invloed van deze politieke stromingen vonden in de 19e eeuw revoluties plaats die probeerden de restauratie ongedaan te maken.

Liberalisme en socialisme gaan beiden uit van de maakbaarheid van de samenleving, dat weer overeenkwam met de vooruitgangsgedachte van de samenleving die was ontstaan tijdens de Verlichting. De verlichte idealen werden in beide stromingen echter verschillend geïnterpreteerd. Zo verschilden ze ook in hun visie op de rol van de overheid in de samenleving en het antwoord op de vraag waar de soevereiniteit lag. Liberalen wezen op het belang van individuele vrijheid en bescherming tegen een staat die veel zaken wil reguleren. Dit leidde in 1848 tot liberale revoluties in Europa die poogden de politieke positie van de burgerij te versterken en die van de koningen te verzwakken. Niet elke revolutie was succesvol. Een voorbeeld hiervan is het Frankfurter Parlement. Deze werd in 1848 gevormd met afgevaardigden gekozen door algemeen mannenkiesrecht. Het parlement streefde naar een Duitse eenheidsstaat met een door het parlement geschreven grondwet. Dit mislukte echter omdat Pruisen, de grootste Duitse staat, niet deelnam aan de vergadering. Bovendien had het parlement geen leger om zich te beschermen tegen inmengingen van buitenaf. De eenheidsgedachte werd echter wel voortgezet door Pruisen en slaagde in 1871.

Socialisten streefden naar meer gelijkheid in de samenleving. In de nieuwe arbeidsverhoudingen die ontstonden door de industrialisatie zag Marx bewijs voor zijn theorie dat het kapitalisme de samenleving verdeelde. Dit zou resulteren in een klassenstrijd die zou eindigen met een revolutie, waarin de arbeiders de macht zouden overnemen. Productiemiddelen en politieke macht zouden daarna bezit zijn van de gemeenschap.

Door het nadenken over volkssoevereiniteit kwam er ook steeds meer aandacht voor eenheid onder de burgers die deze soevereiniteit uitoefenden. Nationalisten gingen op zoek naar zaken die de eenheid tussen de burgers versterkten, zoals taal, cultuur en een gedeeld roemrijk verleden. De natiestaat werd een doel om na te streven. Hierdoor was het nationalisme een handig instrument voor machthebbers om eensgezindheid onder het volk te stimuleren.

De Belgen kwamen in 1830 in opstand tegen Willem I, koning van Nederland. België was onderdeel van Nederland maar had nauwelijks inspraak in het bestuur. Belgische liberalen en katholieken wilden hier verandering in.
In 1848 kwam in Frankfurt een parlement bijeen dat was gekozen in een stelsel met algemeen mannen kiesrecht. Er werd besloten dat er een eenheidsstaat gevormd moest worden met een grondwet.
Literatuur

Geschiedenis Havo/Vwo, Syllabus Centraal examen 2017, Domein A en B van het Examenprogramma.

Blom, Hans. Geschiedenis van de Nederlanden. Amersfoort: ThiemeMeulenhoff, 2005.

Boterman, Frits. Moderne geschiedenis van Duitsland: 1800 tot heden. Amsterdam: Uitgeverij De Arbeiderspers, 2011.

Doyle, William. The French Revolution: A Very Short Introduction. Oxford: Oxford University Press, 2001.

Palmer, R. R., Colton, J., en Kramer, Loyd. A History of the Modern World. Boston: Mc Graw Hill, 2007.

Login om aantekeningen te kunnen maken
  Subscribe  
Abonneren op